Regelwerk · Deel 9

AREI Boek 1 · Deel 9

Algemene voorschriften door personen na te leven

Versie 06 · K.B. 06.10.2025 · van toepassing van 01/04/2026 tot 31/10/2026 · Officiële brontaal: Nederlands · Officiële PDF-bron openen

Versie 06 gold tot 31/10/2026. Sindsdien geldt versie 07. Geldende versie openen (versie 07)

9.1Plichten van de eigenaar, beheerder of uitbater

9.1.1Plichten van de eigenaar, beheerder of uitbater in niethuishoudelijke installaties

De eigenaar, beheerder of uitbater van een niet-huishoudelijke elektrische installatie is er toe gehouden:

  1. 1.

    voorafgaand aan de gelijkvormigheidscontroles bedoeld in hoofdstuk 6.4. of aan de controlebezoeken bedoeld in hoofdstuk 6.5. , de schema’s, plannen en documenten bedoeld in afdeling 3.1.2. en ieder ander noodzakelijk document voor de gelijkvormigheidscontrole of het controlebezoek ter beschikking te stellen van het erkend organisme;

  2. 2.

    ze te onderhouden en de uitgevoerde tussenkomsten bij elk onderhoud en elke test te documenteren, zoals bijvoorbeeld de beproeving van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen;

  3. 3.

    de nodige maatregelen te nemen zodat de voorschriften van dit Boek te allen tijde worden nageleefd;

  4. 4.

    ingeval van werken aan elektrische installaties, zijn personeel dat de werken uitvoert, te doen beschikken over:

    1. a.

      het noodzakelijke materieel zoals bepaald in hoofdstuk 9.3.

    2. b.

      de geactualiseerde schema’s, plannen en documenten van de elektrische installatie zoals bepaald in afdeling 3.1.2. ;

  5. 5.

    samen te stellen en ter beschikking te houden van iedere betrokken persoon voor raadpleging: a. het of de dossier(s) van de elektrische installatie met daarin: 1. de schema’s, plannen en documenten van de elektrische installatie zoals bepaald in afdeling 3.1.2. ;

  6. 2.

    de eventuele berekeningsnota’s;

  7. 3.

    de eventuele risicoanalyses;

  8. 4.

    voor de laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen en de schakelinrichtingssystemen: de conformiteitsverklaringen;

  9. 5.

    een document met de technische aansluitkenmerken op het distributienet;

  10. 6.

    het verslag van de gelijkvormigheidscontrole en van het laatste en voorlaatste controlebezoek van de elektrische installatie;

  11. 7.

    een document met de wijzigingen aangebracht aan de installatie sinds het laatste bezoek van een erkend organisme.

    Dit (deze) dossier(s) moet(en) ter plaatse worden gehouden.

    1. b.

      schriftelijke onderrichtingen noodzakelijk om zowel de veiligheid als de redding van de personen ingeval van ongeval te waarborgen.

    2. c.

      de documenten en de maatregelen die de conformiteit van het elektrisch materieel met de gebruiksomstandigheden bepalen (verklaringen, gebruiksaanwijzingen, …).

  12. 6.

    een exemplaar van dit Boek alsook een kopie van de geschreven onderrichtingen vermeld in punt 5.b. ter beschikking te stellen van zijn personeel vermeld in hoofdstuk 9.3. ;

  13. 7.

    zich ervan te vergewissen dat:

    1. a.

      de personen aangeduid voor de exploitatie van de elektrische installatie de reglementaire voorschriften en instructies die ze dienen na te leven of moeten doen naleven, kennen en begrijpen;

    2. b.

      de gelijkvormigheidscontroles vermeld in hoofdstuk 6.4. werden uitgevoerd;

    3. c.

      de controlebezoeken vermeld in hoofdstuk 6.5. werden uitgevoerd;

    4. d.

      de gelijkvormigheidscontroles en de controlebezoeken het geheel van de installaties omvatten;

    5. e.

      de werken, nodig om de tijdens het controlebezoek vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, moeten zonder vertraging worden uitgevoerd en dat alle gepaste maatregelen worden genomen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor de personen of goederen;

    6. f.

      de elektrische installatie of deel van de elektrische installatie het voorwerp uitmaakt van een gelijkvormigheidscontrole voor de ingebruikname, met dien verstande dat voor de installaties bestemd om verplaatsbare, draagbare of verplaatsbare machines of toestellen met vaste standplaats te voeden, de controle betrekking heeft op de installatie vanaf haar begin tot aan de stuurinrichtingen.

  14. 8.

    de onderrichtingen betreffende het toedienen van de eerste zorgen ingeval van een ongeval te wijten aan elektriciteit, op zorgvuldig gekozen plaatsen aan te brengen;

  15. 9.

    de controleverslagen vermeld in de hoofdstukken 6.4. en 6.5. voor te leggen aan de Interne dienst voor Preventie en Bescherming op het werk en aan het Comité voor Preventie en Bescherming op het werk;

  16. 10.

    het dossier in het hiervoor vermeld punt 5.a. aan de nieuwe eigenaar, beheerder of uitbater van de elektrische installatie over te maken;

  17. 11.

    een kopie van het dossier van de elektrische installatie ter beschikking van de eventuele huurder te stellen;

  18. 12.

    onmiddellijk de met het toezicht belaste ambtenaar van de Federale Overheidsdienst die het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder zijn bevoegdheid heeft evenals de Federale Overheidsdienst die Energie onder zijn bevoegdheid heeft in kennis te stellen van elk ongeval waarvan personen het slachtoffer zijn en dat rechtstreeks of onrechtstreeks te wijten is aan de aanwezigheid van elektrische installaties.

9.1.2Plichten van de eigenaar, beheerder of uitbater in huishoudelijke installaties

De eigenaar, beheerder of uitbater houdt het dossier van de elektrische installatie in zijn bezit. Het dossier wordt in tweevoud samengesteld. Het dossier van de elektrische installatie moet bevatten:

  1. 1.

    het(de) eendraadsschema('s) van de elektrische installatie;

  2. 2.

    het(de) situatieplan(nen) van de elektrische installatie;

  3. 3.

    het of de verslag(en) van de gelijkvormigheidscontrole van de elektrische installatie bedoeld in hoofdstuk 6.4.;

  4. 4.

    eventueel het of de verslag(en) van het controlebezoek van de elektrische installatie bedoeld in hoofdstuk 6.5. ;

  5. 5.

    eventueel de documenten die bevestigen dat het elektrisch materieel beantwoordt aan de veiligheidswaarborgen welke bepaalde elektrische machines, toestellen en leidingen moeten bieden;

  6. 6.

    eventueel gelijkaardige documenten als onder de punten 1., 2., 3. en 5. indien een belangrijke wijziging of een belangrijke uitbreiding van de elektrische installatie werd uitgevoerd;

  7. 7.

    eventueel de bondige beschrijving(en) van elke wijziging of uitbreiding die niet als belangrijk kan beschouwd worden en welke zou zijn uitgevoerd aan de elektrische installatie.

    Wat betreft de huishoudelijke fotovoltaïsche installaties op laagspanning bedoeld in hoofdstuk 7.112. , moet het dossier van de elektrische installatie ook bevatten:

  8. 1.

    de gebruiksaanwijzingen van de installatie (onderhoud en werking);

  9. 2.

    de veiligheidsvoorschriften met betrekking tot de interventie op de installatie en tot haar gebruik;

  10. 3.

    de technische referenties en de kenmerken van het geplaatst materieel (merk, model, vermogen, …).

    De eigenaar, beheerder of uitbater van een huishoudelijke elektrische installatie is ertoe gehouden:

  11. 1.

    de goede staat van onderhoud te verzekeren of te laten verzekeren;

  12. 2.

    de geschikte maatregelen te treffen zodat de voorschriften van dit Boek op ieder ogenblik worden nageleefd;

  13. 3.

    het dossier van de elektrische installatie aan de nieuwe eigenaar, beheerder of uitbater over te maken;

  14. 4.

    een kopie van het dossier van de elektrische installatie ter beschikking te stellen van de eventuele huurder;

  15. 5.

    onmiddellijk de met het toezicht belaste ambtenaar van de Federale Overheidsdienst die Energie onder zijn bevoegdheid heeft in kennis te stellen van elk ongeval waarvan personen het slachtoffer zijn en dat rechtstreeks of onrechtstreeks te wijten is aan de aanwezigheid van elektrische installaties.

9.1.3Installaties die bij een gelijkvormigheidscontrole of een controlebezoek in inbreuk zijn

9.1.3.1Gelijkvormigheidscontrole

Geen enkele elektrische installatie of deel ervan waarvoor inbreuken tegenover dit Boek worden vastgesteld tijdens de gelijkvormigheidscontrole mag in gebruik worden genomen.

Voor het in onderafdeling 6.4.7.3. 4de alinea genoemde geval waarvoor de gelijkvormigheidscontrole werd uitgevoerd na de ingebruikname, moeten de werken, nodig om de tijdens gelijkvormigheidscontrole vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, zonder vertraging worden uitgevoerd en alle gepaste maatregelen moeten worden getroffen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor de personen of goederen.

9.1.3.2Controlebezoek

De werken, nodig om de tijdens het controlebezoek vastgestelde inbreuken te doen verdwijnen, moeten zonder vertraging worden uitgevoerd en alle gepaste maatregelen worden genomen opdat, indien de installatie in dienst blijft, deze inbreuken geen gevaar vormen voor de personen of goederen.

Voor huishoudelijke installaties wordt bovendien:

  • het nazicht op de verdwijning van de inbreuken verricht door het erkend organisme dat het

  • controlebezoek heeft uitgevoerd;

  • de Federale Overheidsdienst die Energie onder zijn bevoegdheid heeft, binnen een termijn van één jaar door het erkend organisme dat het controlebezoek heeft uitgevoerd, ingelicht van het bestaan van inbreuken ingeval geen gevolg wordt gegeven aan het in orde brengen van de installatie.

9.1.4Installaties die bij een controlebezoek van een oude huishoudelijke installatie in inbreuk zijn

De voorschriften van onderafdeling 9.1.3.2. zijn van toepassing wanneer de inbreuken worden vastgesteld bij het controlebezoek uitgevoerd krachtens afdelingen 8.4.1. en 8.4.3. en bij het nieuw controlebezoek uitgevoerd krachtens afdeling 8.4.2.

9.1.5Lokalisatie van ondergrondse elektrische leidingen

De eigenaar van een ondergrondse elektrische leiding moet te allen tijde de plannen van de ondergrondse leidingen ter beschikking hebben of moet bij ontstentenis hiervan de nodige aanduidingen kunnen geven om de plaats ervan te bepalen.

Binnen een termijn van 7 werkdagen, te rekenen vanaf de ontvangst van de aanvraag die hem in dat verband wordt toegestuurd, moet hij deze inlichtingen verstrekken aan om het even wie gemachtigd is om werken uit te voeren in de nabijheid van de kabel.

9.1.6Document met uitwendige invloeden

De uitwendige invloeden alsook de ruimten waarin deze van toepassing zijn, worden bepaald op basis van gegevens verstrekt door de uitbater van de ruimten waarin de installatie zich bevindt.

Deze gegevens zijn aangebracht op het document van de uitwendige invloeden. Het document, in de vorm van plan, tabel of lijst, bepaalt op unieke wijze de uitwendige invloeden van de ruimten. In het geval dat er geen specifieke uitwendige invloeden in aanmerking zijn te nemen, zoals deze opgenomen in de hiernavolgende tabel van niet-specifieke uitwendige invloeden, bevestigt het document dit. Het document dient te worden geparafeerd door de exploitant of zijn afgevaardigde vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie. De vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 . parafeert het document voor ontvangst bij de controle. De overeenstemming tussen het document en de installatie moet door de vertegenwoordiger van het erkend organisme worden nagekeken.

De niet-specifieke uitwendige invloeden in de betrokken zones worden vermeld in tabel 9.1 .

Tabel 9.1 Niet-specifieke uitwendige invloeden

Omgevingstemperatuur AA 1
2
3 4 5
6
7
8
Aanwezigheid van water AD 1
2
3 4 5
6
7
8
Aanwezigheid van vreemde vaste lichamen AE 1
2
3 4
Aanwezigheid van corrosieve en vervuilende stoffen AF 1
2
3 4
Mechanische belastingen veroorzaakt door schokken AG 1
2
3
Mechanische belastingen veroorzaakt door trillingen AH 1
2
3
Aanwezigheid vanflora en/of schimmelvorming AK 1
2
Aanwezigheid vanfauna AL 1
2
Elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden AM 1
2
3 4 5
6
Zonnestraling AN 1
2
Bekwaamheid vanpersonen BA 1
2
3 4 5
Toestand van het menselijk lichaam BB 1
2
3
Aanraking van het aardpotentiaal doorpersonen BC 1
2
3 4
Mogelijkheden van ontruiming vanpersonen in noodgevallen BD 1
2
3 4
Aard van behandelde of opgeslagengoederen BE 1
2
3 4
Bouwmaterialen CA 1
2
Structuur vangebouwen CB 1
2
3 4

Noot: De niet specifieke uitwendige invloeden zijn door zwarte vakjes aangeduid.

De uitbater van meerdere installaties van hetzelfde type of zijn afgevaardigde mag, per type installatie, een afzonderlijke lijst van niet-specifieke uitwendige invloeden samenstellen. . De lijst dient te worden geparafeerd door de exploitant of zijn afgevaardigde vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie. De vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 . parafeert de lijst voor ontvangst bij de controle. De overeenstemming tussen de lijst en de installatie moet door de vertegenwoordiger van het erkend organisme worden nagekeken.

De eigenaar, de beheerder of de uitbater vermeldt de voor het publiek toegankelijke ruimten op het document van de uitwendige invloeden. Indien er geen voor het publiek toegankelijke ruimten zijn, vermeldt de eigenaar, de beheerder of de uitbater dit op het document van de uitwendige invloeden.

[Koninklijk besluit van 3 oktober 2024 - Art. 60. Elke bestaande niet-huishoudelijke elektrische installatie die vóór 1 maart 2025 werd uitgevoerd en die wordt bedoeld in boek 1 van het koninklijk besluit van 8 september 2019 tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie voldoet uiterlijk twee jaar vanaf 1 maart 2025 aan de bepalingen van het vijfde lid van afdeling 9.1.6. van boek 1.

In afwijking van het eerste lid van artikel 60 van het koninklijk besluit van 3 oktober 2024, mag elk ander document dat de voor het publiek toegankelijke ruimten vermeldt aan de bepalingen van het vijfde lid van afdeling 9.1.6. van boek 1 voldoen.]

De bepalingen van afdeling 9.1.6. zijn niet van toepassing op elektrische installaties in huishoudelijke installaties.

9.1.7Zoneringsplannen

De specificaties voor de realisatie van de zoneringsplannen met betrekking tot explosiegevaar zijn beschreven in hoofdstuk 7.102 .

9.2Toekenning van de codificatie BA4/BA5

De bekwaamheid van personen die gekenmerkt wordt door de code BA4 of BA5 wordt aan de werknemers toegekend door de werkgever. De reikwijdte van deze toekenning met betrekking tot de aard van de elektrische installaties of de aard van de werkzaamheden waarvoor deze bekwaamheid geldt, moet bepaald zijn.

Onverminderd de bepalingen van hoofdstuk VI van boek 3, titel 2 van de Codex over het welzijn op het werk betreffende de elektrische installaties op arbeidsplaatsen, houdt de werkgever bij de beoordeling van de bekwaamheid van personen en bij de toekenning van deze bekwaamheid ten minste rekening met:

  • de kennis van de betrokken werknemer met betrekking tot de risico’s die door de elektrische installaties geboden worden, opgedaan door opleiding of ervaring binnen of buiten de inrichting van de werkgever;

  • de aard en de verscheidenheid van de elektrische installaties, zoals hoog- of laagspanning, netstelsels, aard van het toegepaste elektrisch materieel (bijvoorbeeld klassiek elektrisch materieel, ontploffingsveilig materieel),... waarvoor deze kennis geldt;

  • de verscheidenheid aan activiteiten aan of nabij een elektrische installatie (werken onder spanning, in de nabijheid van onder spanning staande delen, werken buiten spanning, schakelwerkzaamheden aan elektrische installaties, controle-, inspectie- en meetwerkzaamheden...) waarvoor deze kennis geldt.

Deze beoordeling van de bekwaamheid, met inbegrip van de omschrijving van de installaties en van de werkzaamheden waarvoor de beoordeling geldt, is traceerbaar.

De toekenning van de codificatie van de bekwaamheid van personen die gekenmerkt wordt door de code BA4 of BA5 aan een werknemer wordt door de werkgever vastgelegd in een document, dat, behalve de naam van de werknemer, duidelijk bepaalt voor welke werkzaamheden en voor welke elektrische installaties de bekwaamheid geldt (o.a. door een beschrijving van de toegelaten activiteiten, een beschrijving van de elektrische installaties waaraan of waar nabij mag gewerkt worden...), met de eventuele bijzondere beperkingen ervan, de geldigheidsduur en de eventuele voorwaarden voor het behouden van de bekwaamheid.

Onverminderd het codificeren van de bekwaamheid BA4/BA5 blijven de werkgevers, elk binnen hun bevoegdheid en op hun niveau, ertoe gehouden:

  • ervoor te zorgen dat iedere betrokken persoon een voldoende en aangepaste opleiding en vorming ontvangt die speciaal gericht is op zijn werkpost of functie;

  • de bekwaamheid van de betrokken personen op gebied van veiligheid en gezondheid in aanmerking te nemen wanneer zij hen met de uitvoering van een werkzaamheid aan of nabij een elektrische installatie belasten;

  • te controleren of de verdeling van de taken op een zodanige wijze geschiedt dat de verschillende werkzaamheden aan of nabij een elektrische installatie worden uitgevoerd door personen die daartoe de vereiste bekwaamheid hebben of hebben behouden, en de vereiste vorming, opleiding en instructies hebben ontvangen.

9.3Werken aan elektrische installaties

9.3.1Toepassingsgebied

Dit hoofdstuk:

  • is van toepassing op alle werkzaamheden die aan, met of in de omgeving van elektrische installaties worden uitgevoerd;

  • is niet van toepassing op personen die gebruik maken van elektrische installaties die zijn ontworpen en geïnstalleerd voor gebruik door personen gecodificeerd als BA1, BA2 of BA3, zoals bepaald in afdeling 2.10.11 .

9.3.2Algemene voorschriften

9.3.2.1Basisprincipe

Alle werkzaamheden moeten voorafgegaan worden door een risicobeoordeling, die toelaat te bepalen hoe de werkzaamheden moeten voorbereid en uitgevoerd worden om de veiligheid te waarborgen.

Voor exploitatiewerkzaamheden of regelmatig weerkerende werkzaamheden die onder dezelfde omstandigheden verlopen volstaat een algemeen geschreven procedure gesteund op een risicobeoordeling.

Alle gebruikte collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen, alsook alle arbeidsmiddelen (werktuigen, meetapparatuur...), moeten voor die aanwending geschikt zijn, in een behoorlijke gebruikstoestand zijn onderhouden en correct worden aangewend.

Indien nodig, moet tijdens de volledige duur van de werkzaamheden een aangepaste signalering worden aangebracht.

Er moet onverwijld verholpen worden aan gebreken die een onmiddellijk gevaar opleveren.

9.3.2.2Personeel

Elke persoon die betrokken is bij werkzaamheden moet onderricht worden over de veiligheids- en de bedrijfsvoorschriften die op zijn werk van toepassing zijn. Deze moeten tijdens de uitvoering van de werkzaamheden worden herhaald in geval van langdurige werkzaamheden of bij verandering van de werkomstandigheden.

9.3.2.3Organisatie

Elke elektrische installatie moet onder de verantwoordelijkheid van de installatieverantwoordelijke worden geplaatst.

Alle werkzaamheden moeten onder de verantwoordelijkheid staan van de werkverantwoordelijke.

De werkverantwoordelijke en de installatieverantwoordelijke moeten in gemeenschappelijk akkoord schikkingen treffen om de veilige uitvoering van de werkzaamheden te waarborgen.

De werkverantwoordelijke en de installatieverantwoordelijke kunnen één en dezelfde persoon zijn.

De werkzone moet worden bepaald door de werkverantwoordelijke na overleg met de installatieverantwoordelijke. Een aangepaste werkruimte en de nodige toegangsmiddelen moeten worden voorzien.

Indien de risicobeoordeling de noodzaak er voor aantoont:

  • moet de werkzone en/of de toegang tot de werkzone worden afgebakend;

  • moet een schriftelijke voorbereiding van de werkzaamheden worden opgemaakt.

Alle nodige informatie, mondeling of schriftelijk of visueel, moet op een betrouwbare en ondubbelzinnige wijze worden overgebracht.

Om fouten bij een mondelinge overdracht van informatie te vermijden, moet de bestemmeling de informatie hoorbaar voor de verzender herhalen die op zijn beurt moet bevestigen dat zij goed ontvangen en begrepen werd.

De toelating om de werkzaamheden aan te vatten en de elektrische installatie na de voltooiing van de werkzaamheden opnieuw onder spanning te brengen, mag niet worden gegeven door signalen die automatisch worden gestuurd noch door een voorafgaand akkoord over een welbepaald tijdsinterval.

9.3.3Exploitatiewerkzaamheden

9.3.3.1Algemeenheden

De exploitatiewerkzaamheden zijn onderworpen aan het akkoord van de installatieverantwoordelijke en moeten worden uitgevoerd door gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen. De installatieverantwoordelijke moet, indien vereist, worden ingelicht wanneer de gebruikelijke exploitatiewerkzaamheden zijn voltooid.

De personen die exploitatiewerkzaamheden uitvoeren moeten de aangewezen voorzorgsmaatregelen treffen tegen elektriciteitsrisico’s. Alle collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen, alsook alle arbeidsmiddelen (aangepaste werkkledij, meetapparaten...) moeten voor die aanwending geschikt zijn.

In voorkomend geval moeten de regels voor werkzaamheden buiten spanning, werkzaamheden onder spanning of werkzaamheden in de nabijheid van delen onder spanning worden toegepast.

De meet- en testapparaten moeten vóór en, indien nodig, ook na hun gebruik op hun goede werking worden gecontroleerd.

Inspecties moeten worden uitgevoerd door vakbekwame personen (BA5) die ervaring hebben met het inspecteren van soortgelijke installaties. Inspecties moeten worden uitgevoerd met passende hulpmiddelen en zodanig dat gevaren worden voorkomen waarbij, indien nodig, rekening wordt gehouden met de beperkingen door de aanwezigheid van ongeïsoleerde actieve delen.

Wanneer proeven met behulp van een externe energiebron worden uitgevoerd, moeten de volgende voorzorgsmaatregelen worden getroffen om te verzekeren dat:

  • de installatie van elke normale energiebron gescheiden is;

  • de installatie door geen enkele andere energiebron kan worden hervoed;

  • gedurende de volledige duur van de proeven de aangewezen veiligheidsmaatregelen worden getroffen om het aanwezige personeel tegen elektriciteitsgevaren te beschermen;

  • de scheidingspunten afdoende zijn geïsoleerd om aan de gelijktijdige toepassing van de proefspanning enerzijds en de bedrijfsspanning anderzijds te weerstaan.

9.3.3.2Bediening onder stroom en bediening onder spanning

In de installaties op laagspanning van de tweede categorie is het verboden onder stroom staande smeltzekeringen te bedienen.

Het bedienen van scheidingsschakelaars voor laagspanning van de tweede categorie wordt enkel toegelaten voor het in- of uitschakelen van installaties waarvan het geïnstalleerd schijnbaar vermogen 100 kVA niet overschrijdt.

Dit voorschrift is evenwel niet van toepassing wanneer de scheidingsschakelaars stroomonderbrekers bedienen die zijn voorzien van toestellen die de stroom beperken, op voorwaarde echter dat het personeel gedurende de bediening beschermd is.

Het bedienen, door rechtstreekse actie op actieve delen, van scheidingsschakelaars en smeltzekeringen voor laagspanning van de tweede categorie mag slechts gebeuren mits gebruik van bedieningsmiddelen waarvan het geheel minstens twee isolerende elementen in serie bevat, die elk op zichzelf een voldoende isolatie bieden, geschikt voor de nominale spanning van het net. Een schakelstok met een gelijkwaardige isolatiegraad als het hiervoor genoemd geheel mag hiertoe worden gebruikt.

Het vaststellen van de aan- of afwezigheid van spanning, van de overeenkomst der fasen... door middel van een draagbaar toestel in laagspanning van de tweede categorie mag slechts gebeuren indien het genoemd toestel een voldoende isolatie biedt, aangepast aan de nominale spanning van het net.

9.3.4Werkprocedures

9.3.4.1Voorbereiding

  1. a.

    Algemeenheden

    De installatieverantwoordelijke of de werkverantwoordelijke vergewist zich er van dat de specifieke en gedetailleerde instructies werden meegedeeld vóór de aanvang van de werkzaamheden aan het personeel dat met de uitvoering van de werkzaamheden is belast. Hij vergewist er zich van dat deze instructies begrepen zijn en toegepast worden.

    Vóór de aanvang van de werkzaamheden licht de werkverantwoordelijke de installatieverantwoordelijke in aangaande de aard, de plaats, de planning van de voorziene werkzaamheden en de gevolgen voor de elektrische installatie.

    In geval van op voorhand geplande werkzaamheden, exploitatiewerkzaamheden uitgezonderd, gebeurt deze informatie schriftelijk.

    Enkel de installatieverantwoordelijke mag toestemming verlenen om met de werkzaamheden aan te vangen. Die procedure moet eveneens worden bepaald in het geval van onderbreking.

    In principe worden de werkzaamheden buiten spanning uitgevoerd.

    Werken onder spanning mogen slechts uitgevoerd worden op voorwaarde dat aan de drie volgende voorwaarden voldaan wordt:

    • dat de kenmerken van de elektrische installatie het toelaten; en

    • dat een aangepaste werkmethode wordt toegepast; en

    • dat de dienstnoodwendigheden zulks vereisen.

  2. b.

    Inductie

    Geleiders of geleidende delen in de buurt van geleiders onder spanning kunnen elektrische invloeden ondergaan. Onverminderd de voorschriften van de onderafdelingen 9.3.4.2. en 9.3.4.4. moeten er specifieke voorzorgsmaatregelen worden getroffen bij de uitvoering van werkzaamheden op de vermelde geleiders of geleidende delen die aan inductie blootstaan:

    • door aarding op passende tussenafstanden om zo de spanning tussen geleiders en aarde tot een veilig niveau terug te brengen;

    • door potentiaalvereffening op de werkzone om zo de mogelijkheid te voorkomen dat personen zich in een inductielus begeven.

  3. c.

    Atmosferische omstandigheden

    Bij ongunstige atmosferische omstandigheden moeten beperkingen worden opgelegd. Indien dit noodzakelijk is om gevaar te voorkomen, moeten werkzaamheden aan installaties in de openlucht of aan een toestel dat direct is verbonden met een dergelijke installatie, bij het zien van bliksem of het horen van donder of wanneer er een onweersbui nadert, onmiddellijk worden gestaakt. Dit moet aan de installatieverantwoordelijke worden meegedeeld.

    Wanneer het zicht op de werkzone slecht is, mogen er geen werkzaamheden worden begonnen of voortgezet.

9.3.4.2Werkzaamheden buiten spanning

  1. a.

    Essentiële voorschriften

    Om zich te verzekeren dat de elektrische installatie in de werkzone buiten spanning is en blijft gedurende de duur van de werkzaamheden, moeten de volgende maatregelen worden toegepast:

    • voorbereiden van de werkzaamheden;

    • scheiden van de elektrische installatie;

    • voorkomen van herinschakeling van de elektrische installatie;

    • controleren van de spanningsafwezigheid;

    • aarden, ontladen en kortsluiten;

    • afbakenen en/of afschermen van de elektrische installatie; vrijgeven van de elektrische installatie.

  2. b.

    Voorbereiden van de werkzaamheden

    Het voorbereiden omvat de identificatie van de installatie waaraan moet worden gewerkt, alsmede de identificatie van de maatregelen die moeten worden getroffen om de veiligheid te waarborgen en de installatie vrij te geven.

  3. c.

    Scheiden

    Het gedeelte van de installatie waarop de werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, moet van alle energiebronnen worden gescheiden volgens de voorschriften van onderafdeling 5.3.3.1 .

  4. d.

    Voorkomen van herinschakeling

    Alle schakelinrichtingen die gebruikt werden om de elektrische installatie in de werkzone te scheiden, moeten tegen elke mogelijke herinschakeling worden beveiligd, bij voorkeur door vergrendeling van het bedieningsmechanisme. Indien een mechanische vergrendeling onmogelijk is, moeten andere maatregelen worden getroffen om een voortijdig onder spanning brengen te voorkomen. Indien voor het schakelen van de onderbrekingsinrichting een hulpenergiebron noodzakelijk is, moet deze energiebron buiten bedrijf worden gesteld.

    Er moeten verbodsberichten worden aangebracht om elke ongeoorloofde schakeling te verbieden. Deze verplichting geldt niet voor de automatische scheidingsystemen voorzien in afdeling 5.3.3 .

  5. e.

    Controleren van de spanningsafwezigheid

    De afwezigheid van spanning moet met de aangepaste uitrustingen worden nagegaan op alle actieve geleiders van de elektrische installatie binnen de werkzone of in de onmiddellijke nabijheid daarvan.

  6. f.

    Aarden, ontladen en kortsluiten

    Binnen de werkzone moeten alle gedeelten van alle hoogspanningsinstallaties en van sommige laagspanningsinstallaties (zie verder laatste alinea «verplichting tot aarden en kortsluiten») waarop werkzaamheden moeten worden uitgevoerd, geaard en vervolgens kortgesloten worden. De aardings- en kortsluitinrichtingen of - uitrustingen moeten eerst aan het aardingspunt en vervolgens aan de te aarden actieve delen worden aangesloten.

    De actieve delen van voormelde elektrische installatie die na de scheiding nog capacitieve ladingen vertonen, moeten met behulp van aangepaste apparatuur worden ontladen.

    Installaties die eventueel na het onderbreken nog een restspanning kunnen vertonen mogen pas kort gesloten worden nadat deze restspanning totaal verdwenen is.

    De aardings- en kortsluitinrichtingen of -uitrustingen moeten, telkens wanneer dit mogelijk is, vanuit de werkzone zichtbaar zijn. Indien dat niet mogelijk is, moeten de aardingsverbindingen zo dicht als redelijkerwijs mogelijk bij de werkzone worden aangebracht.

    Wanneer er tijdens de werkzaamheden geleiders moeten worden doorgesneden of aangesloten en indien er een risico van potentiaalverschillen op de installatie bestaat, dan moeten er vóór het doorsnijden of aarden van de geleiders aangepaste maatregelen binnen de werkzone worden getroffen, zoals overbruggen en/of aarden.

    In al die gevallen moet men zich ervan vergewissen dat de inrichtingen en/of uitrustingen voor het aarden (aardingsscheider, kabels, klemmen...) aangepast zijn aan de voorziene kortsluitstroom.

    De nodige voorzorgsmaatregelen moeten worden getroffen opdat de aardingen tijdens de duur van de werkzaamheden verzekerd blijven, uitgezonderd wanneer de aardingsverbindingen moeten verwijderd worden bij metingen of proeven die niet uitgevoerd kunnen worden met geïnstalleerde aardings- of kortsluitinrichtingen. In dit geval moeten bijkomende of alternatieve maatregelen genomen worden.

    De verplichting tot het aarden en kortsluiten van laagspanningsinstallaties binnen de werkzone is enkel verplicht wanneer het risico aanwezig is dat deze installatie ongewild spanning kan voeren, bijvoorbeeld:

    • bij bovengrondse elektrische leidingen die gekruist worden door andere lijnen of die elektrisch worden beïnvloed;

    • installaties die gevoed kunnen worden door noodstroombronnen.

  7. g.

    Afbakenen en/of afschermen

    Wanneer delen van een elektrische installatie in de onmiddellijke omgeving van de werkzone onder spanning blijven dient men af te bakenen en/of af te schermen volgens de bepalingen van onderafdeling 9.3.4.4.

  8. h.

    Vrijgeven

    De toelating om de werkzaamheden aan te vatten, moet worden verleend door de installatieverantwoordelijke. De werkverantwoordelijke moet het personeel informeren dat ze de werken mogen aanvangen in het gedeelte dat wordt vrijgegeven.

    De werkverantwoordelijke mag de uitvoerders pas toelating verlenen om de werkzaamheden aan te vatten nadat de maatregelen die onder de punten b. tot g. worden beschreven, volledig werden uitgevoerd.

  9. i.

    Terug onder spanning brengen

    Na het stopzetten of voltooien van de werkzaamheden en het uitvoeren van de vereiste controles, moeten de personen wier aanwezigheid niet langer vereist is, de werkzone verlaten. Alle arbeidsmiddelen, de signalering en de collectieve beschermingsmiddelen die tijdens de werkzaamheden werden gebruikt, moeten worden weggenomen indien niet noodzakelijk tijdens het eventuele verdere verloop van de werkzaamheden.

    De maatregelen vermeld in de punten c. tot g. , die werden getroffen om de veiligheid tijdens de werkzaamheden te verzekeren dienen ongedaan gemaakt te worden.

    Van zodra één van de maatregelen vermeld in deze onderafdeling die werden getroffen om de veiligheid van de elektrische installatie te verzekeren, ongedaan is gemaakt, mag dat gedeelte van de elektrische installatie niet langer beschouwd worden als een zone waar werkzaamheden buiten spanning kunnen uitgevoerd worden.

    Het is pas wanneer de werkverantwoordelijke ervan verzekerd is dat de elektrische installatie klaar is om opnieuw op veilige wijze onder spanning te worden gebracht, dat hij de plicht heeft de installatieverantwoordelijke te melden dat de werkzaamheden zijn voltooid.

    Pas vanaf dat ogenblik mag de procedure voor het herstel van de spanning worden ingezet.

    De werkzaamheden om de installatie terug onder spanning te brengen gebeuren onder de verantwoordelijkheid van de installatieverantwoordelijke.

9.3.4.3Werkzaamheden onder spanning

  1. a.

    Algemeenheden

    Werkzaamheden onder spanning mogen enkel aangevat worden nadat voorafgaandelijk alle maatregelen ter voorkoming van brandwonden, brand en ontploffing werden getroffen.

    Voor werkzaamheden onder spanning moeten er beschermingsmaatregelen worden getroffen om elektrische schokken en kortsluitingen te vermijden.

    Alle collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen alsook alle arbeidsmiddelen (aangepaste werkkledij, meetapparaten...) moeten voor die aanwending geschikt zijn.

  2. b.

    Specifieke opleiding, vorming en kwalificatie

    Enkel de personen die een specifieke opleiding en vorming gevolgd hebben mogen, na gunstige beoordeling van hun bekwaamheid, werkzaamheden onder spanning uitvoeren.

    De vaardigheid tot onder spanning werken moet op peil worden gehouden hetzij in de praktijk, hetzij door extra- of permanente educatie.

  3. c.

    WerkmethodenDefinities

    Werkzaamheden op afstand > DL : methode voor het uitvoeren van werkzaamheden onder spanning waarbij de persoon op een gegeven afstand van de blanke delen onder spanning blijft en zijn werk met behulp van aangepaste isolerende werkmiddelen uitvoert.

    Werkzaamheden met contact: methode voor het uitvoeren van werkzaamheden onder spanning waarbij de persoon, van wie de handen elektrisch beschermd zijn door isolerende handschoenen en eventueel ook door isolerende armbeschermers, bij de uitvoering van zijn werk in rechtstreeks mechanisch contact is met de blanke delen onder spanning. In laagspanningsinstallaties sluit het gebruik van isolerende handschoenen het gebruik niet uit van isolerend of geïsoleerd handgereedschap en gepaste isolatie t.o.v. de omgeving.

    Werkzaamheden op hetzelfde potentiaal: methode voor het uitvoeren van werkzaamheden onder spanning waarbij de persoon in elektrisch contact met de actieve delen komt, na op hetzelfde potentiaal te zijn gebracht en geïsoleerd te zijn ten opzichte van zijn omgeving.

  4. d.

    Arbeidsmiddelen, collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen

    Aanvullend op onderafdeling 9.3.2.1. moeten de karakteristieken, de aanwending, de opslag, het onderhoud, het vervoer en de controles van de arbeidsmiddelen en uitrustingen voor werkzaamheden onder spanning worden gespecificeerd.

  5. e.

    Omgevingsomstandigheden

    In het geval van ongunstige weersomstandigheden of omgevingsomstandigheden moeten de werkzaamheden onder spanning aan beperkingen worden onderworpen.

    Wanneer de omstandigheden een stopzetting van de werkzaamheden vereisen, moet het personeel de installatie en de isolerende en geïsoleerde inrichtingen in beveiligde toestand achterlaten.

  6. f.

    Specifieke eisen voor installaties op zeer lage spanning

    Werkzaamheden aan ZLVS-installaties (waarvan de spanning de waarden van de tabel van onderafdeling 4.2.2.2 . niet overschrijdt) mogen zonder beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking worden uitgevoerd. Gepaste maatregelen moeten genomen worden tegen risico’s van kortsluitingen. In het geval van andere vormen van ZLS moeten de voorschriften van punt g. hieronder vermeld worden toegepast.

  7. g.

    Bijkomende eisen voor laagspanningsinstallaties

    Buiten de bijzondere voorschriften die voor specifieke laagspanningsinstallaties kunnen van kracht zijn, dienen de volgende algemene voorschriften, in functie van het risico, in acht te worden genomen:

    • gebruik van gepaste collectieve beschermingsmiddelen;

    • toepassen van bijkomende isolatie en/of aanwending van geïsoleerde gereedschappen;

    • aanwending van persoonlijke beschermingsmiddelen (handschoenen, gelaatsscherm).

  8. h.

    Aanvullende voorschriften voor installaties in explosieve atmosferen

    De werkzaamheden onder spanning zijn verboden.

    Een risicobeoordeling moet bepalen of een uitzondering kan worden toegestaan:

    • voor werkzaamheden aan intrinsieke veilige stroombanen;

    • binnen de werkzone wanneer door testen wordt gewaarborgd dat er geen explosiegevaar aanwezig is.

    Het openen van toestellen (bv. voor het vervangen van lampen, metingen…) is onderworpen aan de eisen opgelegd in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

    Alle werkzaamheden met warmteontwikkeling moeten het onderwerp uitmaken van een specifieke werkprocedure.

  9. i.

    Specifieke werkzaamheden onder spanning

    Werkzaamheden zoals reiniging, besproeiing, of het verwijderen van ijsafzettingen op isolatoren moeten in specifieke werkinstructies worden omschreven. Dergelijke werkzaamheden moeten worden uitgevoerd door of gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen.

    De reinigingswerkzaamheden onder spanning van elektrische installaties moeten worden uitgevoerd met naleving van de volgende voorschriften:

    • de gebruikskenmerken van de arbeidsmiddelen, gebruikt bij de verstuiving van de reinigingsvloeistof (natte reiniging), alsook deze van de stofzuiginstallatie (droge reiniging) alsook deze van de vloeistof zelf worden bepaald door de nominale spanning U n van de stroombanen waaraan wordt gewerkt;

    • de gebruikskenmerken (isolatieniveau, kruipstroom, vochtigheid, doorslagspanning...) van de onder het eerste streepje vermelde arbeidsmiddelen moeten worden gestaafd aan de hand van een beproevingsverslag afgeleverd door een voor deze toepassing geaccrediteerd laboratorium;

    • de afmetingen van zowel het spuitstuk (natte reiniging) als het opzuigstuk (droge reiniging) zijn zo gekozen dat tijdens de werkzaamheden hun handvatten nooit voorbij het initieel vlak van de (eventueel verwijderde) afschermingsinrichtingen van de actieve delen blijven;

    • de reinigingsvloeistof is noch ontvlambaar noch schadelijk voor de werknemers;

    • de reinigingswerkzaamheden mogen enkel uitgevoerd worden door een gewaarschuwde (BA4) of vakbekwaam persoon (BA5) in aanwezigheid van een andere vakbekwame persoon (BA5) zoals omschreven in afdeling 2.10.11. Deze personen hebben een praktijkgerichte opleiding genoten die op de aan deze werkzaamheden verbonden risico’s is afgestemd;

    • bij aanwezigheid van niet-afgeschermde borden (IP van minstens XX-A) onder spanning dient de met de reinigingswerkzaamheden belaste persoon een elektrische isolerende werkkledij te dragen;

    • maatregelen moeten worden genomen opdat de reinigingsvloeistof zich niet met water kan verzadigen en opdat het condensatiewater niet kan worden weggeslingerd;

    • de reinigingsvloeistof mag geen componenten bevatten die de isolatiematerialen van de elektrische apparatuur kunnen aantasten.

9.3.4.4Werkzaamheden in de nabijheid van delen onder spanning

  1. a.

    Algemeenheden

    Werkzaamheden in de nabijheid van delen onder spanning mogen, wanneer de nominale spanning meer dan die van de ZLS bedraagt, alleen worden uitgevoerd wanneer de genomen veiligheidsmaatregelen de zekerheid bieden dat de delen onder spanning niet kunnen worden aangeraakt of dat de zone onder spanning niet kan worden bereikt.

    De waarden van de afstanden D V, die de buitengrens van de nabijheidszone aangeven, zijn opgenomen in tabel 2.22. in afdeling 2.11.1 .

    Om de elektrische risico’s in de nabijheid van delen onder spanning te beheersen, moet de beveiliging worden verzekerd door middel van omhullingen, of door hindernissen. Wanneer deze maatregelen niet kunnen worden getroffen, moet de bescherming worden verzekerd door het behoud van een minimale werkafstand ten opzichte van de niet-geïsoleerde delen onder spanning die niet minder dan D L mag bedragen en door, indien nodig, in een aangepast toezicht te voorzien.

    Voordat met de werkzaamheden wordt begonnen, moet de werkverantwoordelijke het personeel, vooral zij die niet vertrouwd zijn met het werken in de nabijheid van actieve delen, instrueren over het aanhouden van veilige afstanden, over de getroffen veiligheidsmaatregelen en over de noodzaak van veiligheidsbewust gedrag. De grens van de werkplek moet nauwkeurig zijn aangegeven, en er moet aandacht worden geschonken aan bijzonderheden en ongewone omstandigheden.

    Deze aanwijzingen moeten regelmatig of wanneer de werkomstandigheden zijn gewijzigd worden herhaald.

  2. b.

    Beveiliging door middel van omhullingen of hindernissen

    Wanneer deze bescherminrichtingen worden geïnstalleerd binnen de zone onder spanning, moeten ze van isolerend materiaal zijn en moeten de gepaste procedures voor hetzij werken buiten spanning, hetzij werken onder spanning worden toegepast.

    Wanneer deze bescherminrichtingen worden geïnstalleerd buiten de zone onder spanning, moet hiervoor de procedure voor werken buiten spanning worden toegepast, ofwel gebruik gemaakt worden van middelen die verhinderen dat het personeel, dat de beschermingsmiddelen aanbrengt de zone onder spanning binnendringt, zo niet moeten de procedures voor werken onder spanning worden toegepast.

  3. c.

    Bescherming door behoud van een veilige werkafstand

    Wanneer de bescherming door behoud van een veilige werkafstand wordt gebruikt, moet deze werkmethode ten minste de volgende drie punten omvatten:

    • de in acht te nemen afstand die niet minder dan D L mag bedragen, daarbij rekening houdend met de aard van de werkzaamheden en de nominale spanning van de elektrische installatie;

    • de te hanteren criteria voor de aanduiding van het personeel dat instaat om deze werkzaamheden uit te voeren;

    • de procedures die tijdens de werkzaamheden moeten worden gevolgd om het binnendringen in de zone onder spanning te vermijden.

    Indien nodig is een aangepast toezicht te voorzien.

  4. d.

    Aanvullende voorschriften voor installaties in explosieve atmosferen

    De werkzaamheden in de nabijheid van onder spanning staande actieve delen zijn verboden.

    Een risicobeoordeling moet bepalen of een uitzondering kan worden toegestaan:

    • voor werkzaamheden aan intrinsieke veilige stroombanen;

    • binnen de werkzone wanneer door testen wordt gewaarborgd dat er geen explosiegevaar aanwezig is.

    Het openen van toestellen (bij voorbeeld voor het vervangen van lampen, metingen…) is onderworpen aan de eisen opgelegd in de gebruiksaanwijzing van de fabrikant.

    Alle werkzaamheden met warmteontwikkeling moeten het onderwerp uitmaken van een specifieke werkprocedure.

  5. e.

    Niet-elektrische werkzaamheden uitgevoerd door niet-elektriciens

    Bij niet-elektrische werkzaamheden, zoals:

    • bouwwerken;

    • stellingbouw;

    • installatie en gebruik van hijstoestellen, bouwmachines, hoogwerkers en brandweerladders;

    • installatiewerkzaamheden;

    • transportwerkzaamheden;

    • schilder- en renovatiewerkzaamheden;

    • installatie van andere uitrustingen en bouwuitrustingen, moeten de afstanden voorgeschreven in tabel 2.22. in afdeling 2.11.1. en in afdeling 2.4.1 . m.b.t. het genaakbaarheidsgabarit nageleefd worden.

    Bij de bepaling van de afstand moet rekening worden gehouden met:

    • de spanning van het net;

    • de aard van de werkzaamheden;

    • de te gebruiken uitrustingen;

    • het feit dat de betrokken personen gewone personen zijn.

    In het geval van luchtlijnen moet men rekening houden met alle mogelijke bewegingen van de lijnen en met alle mogelijke verschuivingen, verplaatsingen, schommelingen, zwaai- of valbewegingen van de toestellen die voor de uitvoering van het werk worden gebruikt.

9.3.5Onderhoudswerkzaamheden

9.3.5.1Algemeenheden

Het doel van het onderhoud bestaat erin om de elektrische installatie in een goede werkingsstaat te houden. Het onderhoud kan bestaan uit een «preventief onderhoud» dat systematisch uitgevoerd wordt om defecten te voorkomen, of uit een «correctief onderhoud» dat uitgevoerd wordt om defecte onderdelen te herstellen of te vervangen.

Er bestaan twee types van onderhoudswerkzaamheden:

  • werkzaamheden tijdens welke de veiligheid van het onderhoudspersoneel in gevaar komt, hetgeen de toepassing van de werkprocedure beschreven in afdeling 9.3.4. vereist;

  • werkzaamheden waarbij het ontwerp van de uitrusting de mogelijkheid biedt om een veilig onderhoud uit te voeren volgens de werkprocedures beschreven in onderafdeling 9.3.5.4. (bijvoorbeeld, de vervanging van smeltzekeringen of lampen).

9.3.5.2Personeel

Alle onderhoudswerkzaamheden moeten vóór hun uitvoering zijn onderworpen aan het akkoord van de installatieverantwoordelijke.

Wanneer er onderhoudswerkzaamheden op een elektrische installatie worden uitgevoerd:

  • moet het betrokken gedeelte van de installatie duidelijk worden gedefinieerd;

  • moet er een persoon als verantwoordelijke voor het onderhoud worden aangeduid.

Waar noodzakelijk moeten de voorschriften voor werkzaamheden buiten spanning, werkzaamheden onder spanning of werkzaamheden in de nabijheid van delen onder spanning worden toegepast.

Het onderhoudspersoneel dat de werken uitvoert moet uit gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen bestaan. Alle collectieve en persoonlijke beschermingsmiddelen, alsook alle arbeidsmiddelen (aangepaste werkkledij, meetapparaten...) moeten voor die aanwending geschikt zijn.

Alle veiligheidsmaatregelen moeten worden getroffen, met inbegrip van maatregelen die voor de bescherming van personen en goederen noodzakelijk zijn.

9.3.5.3Herstellingswerkzaamheden

Herstellingswerkzaamheden kunnen ondermeer uit de volgende fases bestaan:

  • het opsporen en lokaliseren van het defect;

  • verhelpen van defecten en/of vervanging van componenten;

  • opnieuw in dienst stellen van het herstelde gedeelte van de installatie.

Het kan nodig blijken om tijdens elke fase verschillende werkprocedures toe te passen.

Er moeten specifieke werkprocedures worden toegepast bij het opsporen en lokaliseren van defecten op een installatie onder spanning of via het toepassen van proefspanningen die gesteund zijn op de werkprocedures beschreven in afdeling 9.3.4 .

Het verhelpen van defecten moet uitgevoerd worden in overeenstemming met de werkprocedures beschreven in afdeling 9.3.4.

Er moeten aangepaste proefnemingen en regelingen worden uitgevoerd om te verzekeren dat de herstelde gedeelten van de installatie geschikt zijn om opnieuw onder spanning te worden gebracht.

9.3.5.4Vervangingswerkzaamheden

  1. a.

    Vervanging van smeltzekeringen

    Normalerwijze moet de vervanging van smeltzekeringen buiten spanning worden uitgevoerd.

    Indien smeltzekeringen zodanig bevestigd zijn dat personen beschermd zijn tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking en dat kortsluitingen vermeden worden, kan de vervanging worden uitgevoerd door een gewone persoon en zonder de afwezigheid van spanning te verifiëren.

  2. b.

    Vervanging van lampen en toebehoren

    Normalerwijze moet de vervanging van lampen en demonteerbare toebehoren, (bijvoorbeeld starters) buiten spanning worden uitgevoerd.

    De vervanging van niet-demonteerbare toebehoren moet overeenkomstig de werkprocedures beschreven in afdeling 9.3.4. worden uitgevoerd. Men moet zich ervan vergewissen dat de gebruikte vervangingsdelen geschikt zijn om in de betrokken uitrustingen te worden aangewend.

9.3.5.5Tijdelijke onderbreking

In het geval van een tijdelijke onderbreking van de onderhouds- of herstellingswerkzaamheden moet de persoon die als werkverantwoordelijke werd aangeduid, alle nodige maatregelen treffen om de toegang tot nietgeïsoleerde delen onder spanning te beletten en elke niet-geoorloofde schakeling op de elektrische installatie te voorkomen.

Indien nodig, moet de persoon die als verantwoordelijke voor de elektrische installatie werd aangeduid, hiervan in kennis worden gesteld.

9.3.5.6Einde van de onderhouds- of herstellingswerkzaamheden

Aan het einde van de onderhouds- of herstellingswerkzaamheden moet de persoon die als verantwoordelijke voor het onderhoud werd aangeduid, de installatie opnieuw ter beschikking stellen van de persoon die als verantwoordelijke voor de installatie werd aangeduid en deze laatste via een bericht in kennis stellen van de toestand waarin zij zich bij de overdracht bevindt.

9.3.6Bijzondere voorzorgsmaatregelen

9.3.6.1Werken in de nabijheid van luchtlijnen en ondergrondse kabels

  1. a.

    Te nemen voorzorgsmaatregelen bij werken in de nabijheidszone van luchtlijnen

    Werkzaamheden uitgevoerd in de nabijheidszone van een luchtlijn met «blanke of daarmee gelijkgestelde geleiders» zijn onderworpen aan de voorschriften van de afdelingen 9.3.1. tot 9.3.5. en aan het verkrijgen van voorafgaandelijke schriftelijke machtiging van de beheerder van de lijn die de aanvrager inlicht omtrent de specifieke risico’s en eventueel te nemen veiligheidsmaatregelen.

    Daarenboven dient rekening gehouden te worden met de meest ongunstige stand van de lijn bij de bepaling van de nabijheidszone.

  2. b.

    Te nemen voorzorgsmaatregelen bij werken in de nabijheid van ondergrondse elektrische kabels

    1. b.1

      Principe

      Geen enkel grondwerk, bestrating of ander werk mag in de omgeving van een ondergrondse elektrische kabel uitgevoerd worden zonder voorafgaand de eigenaar van de grond, de overheid die de eventueel gebruikte openbare weg beheert en de beheerder van de kabel te raadplegen. Het al dan niet aanwezig zijn van merktekens, zoals voorzien in punt d van onderafdeling 5.2.9.2. en in afdeling 9.1.5. , geeft geen vrijstelling van deze raadpleging.

      Afgezien van deze raadpleging mag met de uitvoering van een werk slechts begonnen worden na lokalisatie van de kabels.

    2. b.2

      Spoedgevallen

      De schikkingen van punt b.1. , eerste lid, zijn niet van toepassing indien de bestendigheid van de dienst een dringende uitvoering van de werken vereist. Indien de raadpleging niet is kunnen doorgaan mag men de werken niet aanvatten alvorens de ligging van de kabels bepaald is.

    3. b.3

      Gebruik van machines en mechanisch gereedschap voor grondwerk

      Zonder dat de aannemer en de beheerder van de kabel voorafgaand overeengekomen zijn over de in acht te nemen voorwaarden mag men geen gebruik maken van machines of mechanisch gereedschap in een zone tussen twee verticale vlakken op een afstand van 50 cm aan weerszijden van de kabel.

9.4Signalisatieborden

9.4.1Waarschuwingsborden tegen de gevaren van elektrische installaties

Een of meer waarschuwingsborden moeten aanduiden:

  • de niet-gesloten ruimten van de elektrische dienst;

  • de gesloten ruimten van de elektrische dienst;

  • de elektrische installaties, machines, toestellen en leidingen op laagspanning en op zeer lage spanning die, buiten beide voormelde gevallen, niet volledig beschermd zijn tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking;

  • de elektrische schakel- en verdeelinrichtingen, machines, toestellen en leidingen op hoogspanning die zich in gewone ruimten bevinden.

Een dergelijk waarschuwingsbord is echter niet verplicht voor de elektrische boven- en ondergrondse lijnen en hun toebehoren.

De waarschuwingsborden moeten de vorm hebben van een op één zijde geplaatste gelijkzijdige driehoek. Zij zijn afgeboord met een zwarte band en dragen in het midden een zwart bliksemteken op een gele achtergrond conform de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen.

Figuur 9.1Waarschuwingsbord

9.4.2Verbodsborden

Een verbodsbord moet aangebracht worden op zekere elektrische toestellen, machines en leidingen waarvan de aanraking of de benadering gevaarlijk kan zijn of op de deuren die toegang verstrekken tot zulk materieel, zelfs indien een dergelijk gevaar niet onmiddellijk blijkt (bv. condensatoren die geladen blijven na de uitschakeling van het net, op afstand bediende installaties...).

De verbodsborden moeten rond zijn en bevatten op de boord en in diagonaal een rode band en in het midden op witte achtergrond het zwarte symbool bestaande uit een lijnstuk, dat een deel onder spanning voorstelt, een bliksemteken en het schaduwbeeld van een mens, conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen.

Figuur 9.2Verbodsbord

9.4.3Plaatsing en afmetingen van de signalisatieborden

De plaats en de afmetingen van deze borden moeten worden gekozen rekening houdend enerzijds met de afmetingen van de elektrische installaties, machines, toestellen en leidingen waarop zij geplaatst worden en anderzijds met de afstand waarop zij gewoonlijk worden waargenomen.

9.5Verbodsbepalingen

Met uitzondering van de gevallen vermeld in hoofdstuk 9.3. is het verboden:

  • de beveiliging tegen elektrische schokken bij rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking weg te nemen, te beschadigen of te vernietigen;

  • de actieve delen onder spanning van het elektrisch materieel zonder reden aan te raken, met uitzondering voor het materieel werkend op een zeer lage veiligheidsspanning waarvan de spanning kleiner dan of gelijk is aan deze vermeld in onderafdeling 4.2.2.2.;

  • ieder systeem voor bescherming van de elektrische installatie weg te nemen, te beschadigen of te vernietigen.

Gezien om gevoegd te worden bij ons besluit van tot vaststelling van Boek 1 betreffende de elektrische installaties op laagspanning en op zeer lage spanning, Boek 2 betreffende de elektrische installaties op hoogspanning en Boek 3 betreffende de installaties voor transmissie en distributie van elektrische energie.

Van Koningswege: De Minister van Energie,

M. C. MARGHEM

De Minister van Werk,

W. BEKE

Bewerkte weergave van de officiële bron; dit vervangt geen professionele controle of keuring.

Bronstatus
Extractiestatus: bewerkt uit de officiële bron
Inhoud-SHA-256:
1a0459571f87bf4e31931bd698e5e6605e4fe7f8c6cde86865c18b5a2b14336a
PDF-SHA-256:
d22895299e20a525673e1814b8694c4bfca2d6d33951c430ed97ff48873a47b5