Regelwerk · Deel 3

AREI Boek 1 · Deel 3

Bepaling van de algemene kenmerken van elektrische installaties

Versie 06 · K.B. 06.10.2025 · van toepassing van 01/04/2026 tot 31/10/2026 · Officiële brontaal: Nederlands · Officiële PDF-bron openen

Versie 06 gold tot 31/10/2026. Sindsdien geldt versie 07. Geldende versie openen (versie 07)

3.1Algemeenheden

3.1.1Bepaling van de installatiekenmerken

De bepaling van de volgende installatiekenmerken worden vastgesteld aan de hand van de vermelde hoofdstukken:

  • het doel waarvoor de installatie is ontworpen, de algemene indeling en de energiebronnen (zie hoofdstuk 3.2. );

  • de uitwendige invloeden waaraan de installatie wordt blootgesteld (zie hoofdstuk 2.10. );

  • de compatibiliteit van elektrisch materieel van de installatie (zie hoofdstuk 3.3. );

Met deze kenmerken moet rekening worden gehouden bij het kiezen van beschermingsmaatregelen (zie deel 4. ), bij de keuze en installatie van het elektrisch materieel (zie deel 5. ) en de naleving van de bijzondere regels (zie deel 7. ).

3.1.2Schema’s, plannen en documenten van elektrische installaties

De schema’s, plannen en documenten bevatten op ondubbelzinnige wijze het nummer, de versie en de datum van de versie.

3.1.2.1Algemene voorschriften

  1. a.

    Huishoudelijke elektrische installaties

    Voor elke nieuwe huishoudelijke elektrische installatie of voor elke belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding van een bestaande huishoudelijke elektrische installatie stelt de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk de eendraadsschema’s en de situatieplannen van de elektrische installatie op.

    De naam, de hoedanigheid, het BTW-nummer (indien van toepassing) van de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk worden op de eendraadsschema’s en de situatieplannen vermeld. Het adres van de plaats waar deze elektrische installatie wordt verwezenlijkt wordt ook vermeld op de eendraadsschema’s en de situatieplannen.

    In geval van conformiteit van de elektrische installatie bij de controle overeenkomstig dit Boek, ondertekenen en dateren de verantwoordelijke van de uitvoering van het werk evenals het erkend organisme de eendraadsschema’s en de situatieplannen, voor ontvangst en goedkeuring.

    Het controleverslag, de ondertekende eendraadsschema’s en situatieplannen van de elektrische installatie worden aan de eigenaar, de uitbater of de beheerder van de elektrische installatie overhandigd om deel uit te maken van het dossier van de elektrische installatie. Een kopie van het controleverslag, de ondertekende eendraadsschema’s en situatieplannen worden bewaard gedurende vijf jaar door voormeld erkend organisme zoals vermeld in onderafdeling 6.4.6.1. Gedurende de voormelde periode, kan de eigenaar, de uitbater of de beheerder van de elektrische installatie bij het betrokken erkend organisme verzoeken om een duplicaat van het controleverslag, de ondertekende eendraadsschema’s en situatieplannen te krijgen. Voor het ter beschikking stellen van een kopie van het controleverslag, de ondertekende eendraadsschema’s en situatieplannen mag een vergoeding worden gevraagd, waarvan het bedrag door het erkend organisme wordt vastgelegd. De vergoedingen die eventueel worden aangerekend voor het ter beschikking stellen ervan mogen de kostprijs van een controle niet overschrijden.

    De symbolen die gebruikt worden om de eendraadsschema’s en de situatieplannen van een huishoudelijke elektrische installatie op te stellen worden weergegeven in hoofdstuk 2.13. Indien er geen symbool opgenomen is in tabel 2.23. , mag elk ander duidelijk identificeerbaar en in de legende van de eendraadsschema’s en de situatieplannen gedefinieerd symbool, gebruikt worden in de eendraadsschema’s en de situatieplannen van een huishoudelijke elektrische installatie.

    Voor het eendraadsschema ( figuur 3.1. ): Elke elementaire stroombaan wordt met een hoofdletter aangeduid. Elk lichtpunt, elke contactdoos en elke sturingseenheid wordt genummerd in volgorde, vertrekkende vanaf de beschermingsinrichting tegen overstroom van de elementaire stroombaan. De spanning en de aard van de stroom worden vermeld op het eendraadsschema.

    Voor het situatieplan ( figuur 3.2. ): Elk lichtpunt, elke contactdoos en elke sturingseenheid wordt gekenmerkt door de letter, toegekend aan de elementaire stroombaan waartoe het onderdeel behoort, gevolgd door het nummer dat toegekend werd op het eendraadsschema van de elektrische installatie. Elke schakelaar en elke sturingseenheid wordt gekenmerkt door de letter van de stroombaan waarvan ze deel uitmaken, gevolgd door het nummer van het lichtpunt of het toestel dat hij bedient.

    Het is toegelaten, indien nodig, een meerdraadschema (d.w.z. weergave van de verschillende actieve gelei- ders) als stroombaanschema op te stellen. In dit schema worden, zoals voor een eendraadsschema, enerzijds al de in deze onderafdeling en punt a. van de onderafdeling 3.1.2.2. vereiste gegevens aangeduid en anderzijds worden de aangepaste genormaliseerde symbolen gebruikt (in vergelijking met tabel 2.23. voor de symbolen van een eendraadsschema).

    In geval van een wijziging of een uitbreiding die niet als belangrijk kan beschouwd worden, is het opstellen van een nieuw eendraadsschema niet verplicht. Een bondige beschrijving van de wijziging of de uitbreiding volstaat. Deze beschrijving, met vermelding van de naam, de hoedanigheid en het adres van degene of degenen die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het werk, wordt door hen gedateerd en ondertekend.

    Elke wijziging of uitbreiding van een huishoudelijke elektrische installatie wordt aangebracht op het situatieplan van de elektrische installatie. Dit plan geeft op ieder ogenblik de bestaande toestand van de elektrische installatie weer.

    Elk oud deel van de elektrische installatie waarvan de uitvoering ter plaatse is aangevangen vóór 1/10/1981 en dat vermeld wordt op de eendraadsschema’s wordt aangeduid met de vermelding “oude installatie”.

    Figuur 3.1Voorbeeld van een eendraadsschema
    Figuur 3.2Voorbeeld van een situatieplan

    Indien van toepassing, worden de eendraadsschema’s en situatieplannen aangevuld met een:

    • lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten;

    • plan van de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties;

    • lijst met de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties.

    De veiligheidsinstallaties en de kritische installaties (voedingen, stroombanen en verbruikers) worden op een duidelijke wijze op de eendraadsschema’s weergegeven.

  2. b.

    Niet-huishoudelijke elektrische installaties

    Iedere elektrische installatie maakt het voorwerp uit van een of meerdere:

    • stroombaanschema’s;

    • situatieplannen;

    • situatieplannen van de aardverbindingen;

    • documenten met de uitwendige invloeden.

    Indien van toepassing zijn de hiervoor genoemde schema’s, plannen en documenten aangevuld met een:

    • zoneringsplan;

    • zoneringsverslag;

    • lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten;

    • plan van de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties;

    • lijst met de veiligheidsinstallaties en/of de kritische installaties.

    De eigenaar van een ondergrondse elektrische leiding moet te allen tijde de plannen van de ondergrondse leidingen ter beschikking hebben of moet bij ontstentenis hiervan de nodige aanduidingen kunnen geven om de plaats ervan te bepalen.

    Indien noodzakelijk voor het begrip, de correcte installatie en de veilige uitbating, zijn deze schema’s, plannen en documenten aangevuld met:

    • functionele schema’s;

    • uitvoeringsschema’s;

    • samenstellingsplannen van de uitrustingen.

  3. c.

    Bijlagen bij schema’s, plannen en documenten

    De schema’s, plannen en documenten kunnen worden aangevuld met documenten die op een meer gedetailleerde wijze de verschillende kenmerken van het elektrisch materieel en/of de producten bevatten.

  4. d.

    Beschikbaarheid van schema’s, plannen, documenten en hun bijlagen

    De schema’s, plannen, documenten en hun bijlagen beoogd in de punten a., b. en c. hierboven zijn geactualiseerd en zijn ter plaatse ter beschikking gehouden van iedereen die gemachtigd is tot het uitoefenen van toezicht, controle, onderhoud, herstelling of omvorming van de installatie.

  5. e.

    Gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel

    Het is toegelaten om, in afwijking van punt b. hierboven, zich te beperken tot de voorschriften die gelden voor schema’s, plannen en documenten van een huishoudelijke installatie beoogd in punt a. hierboven.

3.1.2.2Bijzondere voorschriften betreffende de inhoud van de stroombaanschema’s

  1. a.

    Huishoudelijke elektrische installaties

    De ééndraadsschema’s bevatten ten minste:

    • de kenmerken van de elektrische leidingen: type, doorsnede, aantal geleiders;

    • de plaatsingswijze van de elektrische leidingen;

    • het type en de kenmerken van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen;

      • het type en de kenmerken van de beschermingsinrichtingen tegen overstroom;

      • de schakelaars;

      • de verbindingsdozen;

      • de aftakdozen;

      • de contactdozen;

    • de lichtpunten;

    • de vaste machines en toestellen;

    • de bronnen (transformator, fotovoltaïsch paneel, omvormer, batterij,… ).

  2. b.

    Niet-huishoudelijke elektrische installaties

    De stroombaanschema’s en/of hun bijlagen bevatten ten minste:

    • de nominale spanningen en de aard van de stromen;

      • het geaarde netsysteem;

    • de te verwachten maximale kortsluitstromen > 3000 A aan de oorsprong van de installatie en ter hoogte van elk schakel- en verdeelbord;

    • de aard, de samenstelling en de kenmerken van de stroombanen;

    • de stroombanen;

      • de kenmerken van de bronnen (alternatoren, transformatoren, omvormers, …), onder meer:

      • het schijnbaar vermogen;

      • de nominale spanningen;

      • de nominale stromen;

      • de impedanties (indien beschikbaar).

    • de kenmerken van de elektrische leidingen met inbegrip van de beschermingsgeleiders, onder meer:

      • de plaatsingswijze;

      • de aard, het aantal en de doorsnede van de geleiders;

      • de lengte van de elektrische leidingen.

    de kenmerken van de beschermingsinrichtingen, onder meer:

    • de toegekende stroomsterkte;

    • het onderbrekingsvermogen;

    • de aard en de onderbrekingskenmerken, de instellingen inbegrepen.

    • de kenmerken van de schakeltoestellen, scheidingstoestellen en contactoren, onder meer:

      • de toegekende stroomsterkte;

      • indien noodzakelijk, de gebruikscategorie.

    De veiligheidsinstallaties en de kritische installaties (voedingen, stroombanen en verbruikers) worden op een duidelijke wijze op de stroombaanschema’s weergegeven.

3.1.2.3Bijzondere voorschriften betreffende de inhoud van de situatieplannen

  1. a.

    Huishoudelijke elektrische installaties

    De situatieplannen duiden de plaats aan van:

    • de schakel- en verdeelborden;

    • de verbindingsdozen;

    • de aftakdozen;

      • de contactdozen;

      • de lichtpunten;

    • de schakelaars;

    • de vaste machines en toestellen;

    • de bronnen (transformator, fotovoltaïsch paneel, omvormer, batterij,… ), die op het ééndraadsschema voorkomen.

  2. b.

    Niet-huishoudelijke elektrische installaties

    De situatieplannen duiden de plaats aan van:

    • de schakel- en verdeelborden;

    • de contactdozen;

    • de schakelaars;

      • de lichtpunten;

    • de vaste machines en toestellen, die op het stroombaanschema voorkomen.

    De contactdozen, de schakelaars, de lichtpunten en de vaste machines en toestellen moeten niet op het plan worden aangebracht indien het traject van hun elektrische leidingen en het begin en einde ervan duidelijk geïdentificeerd of gemakkelijk te identificeren zijn.

3.1.2.4Bijzondere voorschriften betreffende de inhoud van de zoneringsplannen en de zoneringsverslagen

De zoneringsplannen en de zoneringsverslagen bevatten onder meer:

  • de fysicochemische kenmerken van de producten noodzakelijk voor de klassering in zones en voor de materieelkeuze zoals bepaald in hoofdstuk 7.102. ;

  • de emissiebronnen;

    • het ventilatietype;

    • de aanduiding en afbakening van de zones;

    • de categorie van het toegelaten materieel;

  • de gasgroep van het toegelaten materieel (enkel indien van toepassing);

  • de temperatuursklasse of de maximum toelaatbare oppervlaktetemperatuur van het toegelaten materieel.

3.1.3Markering en aanduiding

3.1.3.1Markering van stroombanen

De bedienings-, de beschermings- en de scheidingsinrichtingen van de stroombanen moeten op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze worden gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is.

De stroombanen moeten derwijze worden uitgevoerd dat hun latere identificatie mogelijk is bij toezicht, controles, onderhoud, herstellingen, wijzigingen of uitbreidingen van de installatie.

De stroombanen die stroomopwaarts van de algemene schakelaar van het schakel –en verdeelbord aangesloten zijn moeten als dusdanig gemarkeerd zijn.

Teneinde de identificatie van de elektrische leidingen toe te laten moet, indien dit noodzakelijk is, gebruik worden gemaakt van markeringen die op regelmatige afstanden worden herhaald.

De draagstellen die in combinatie met de elektrische leidingen het kenmerk FR2 of een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 bezitten, worden voorzien van een passende markering die vermeldt dat er alleen de elektrische leidingen met het kenmerk FR2 of FR1 gebruikt mogen worden en die hun toegelaten gewicht per lopende meter weergeeft.

De bijzondere voorschriften voor de veiligheidsinstallaties en de kritische installaties worden in afdeling 5.5.8. (veiligheidsinstallaties) en in onderafdeling 5.6.2.5. (kritische installaties) voorzien.

3.1.3.2Markering van elektrisch materieel

De laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen en de vaste machines en toestellen moeten op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze worden gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is.

De contactdozen, de schakelaars en de lichtpunten moeten niet worden gemarkeerd indien de oorsprong van hun voedingsstroombaan identificeerbaar is.

3.1.3.3Markering van schakel- en verdeelborden

  1. a.

    Huishoudelijke elektrische installaties

    De schakel- en verdeelborden moeten op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze worden gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is. De voedingsspanning is duidelijk aangeduid op elk schakel- en verdeelbord.

  2. b.

    Niet-huishoudelijke elektrische installaties

    De schakel- en verdeelborden moeten op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze worden gemarkeerd door middel van individuele markeringen. De individuele markering op elk schakel- en verdeelbord duidt aan:

    • het volgnummer van het schakel- en verdeelbord;

    • de voedingsspanning van het schakel- en verdeelbord;

    • het geaarde netsysteem van het schakel- en verdeelbord;

    • de te verwachten maximale kortsluitstroom ter hoogte van het schakel- en verdeelbord;

    • het gebruik van de filiatietechniek ( onderafdeling 4.4.1.3. ) in het schakel- en verdeelbord (indien van toepassing)

  3. c.

    Gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel

    Voor de schakel- en verdeelborden van de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel, is het toegelaten in afwijking van voorschriften beoogd in punt b. hierboven, zicht te beperken tot de markering van een huishoudelijke installatie zoals beoogd in punt a. hierboven.

3.2Voeding en structuren

3.2.1Voedingsvermogen

De bepaling van het voedingsvermogen is essentieel voor een economisch en betrouwbaar ontwerp van een installatie, rekening houdend met beperkingen door de temperatuur en spanningsval.

Bij het vaststellen van het voedingsvermogen van een installatie of deel daarvan mag rekening worden gehouden met de gelijktijdigheidsfactor en de gebruiksfactor van de belastingen.

3.2.2Types van netsystemen van de elektrische installaties

3.2.2.1Types van geaarde netsystemen in wisselstroom

De volgende types van geaarde netsystemen worden in aanmerking genomen in het kader van dit Boek:

  • het TN-netsysteem met zijn drie varianten (TN-S, TN-C en TN-C-S);

  • het TT-netsysteem;

  • het IT-netsysteem.

Punt b. van onderafdeling 2.2.1.2. beschrijft deze geaarde netsystemen in wisselstroom.

3.2.2.2Types van geaarde netsystemen in gelijkstroom

De volgende types van geaarde netsystemen worden in aanmerking genomen in het kader van dit Boek:

  • het TN-netsysteem met zijn drie varianten (TN-S, TN-C en TN-C-S);

  • het TT-netsysteem;

  • het IT-netsysteem.

Punt c. van onderafdeling 2.2.1.2. beschrijft deze geaarde netsystemen in gelijkstroom.

3.2.3Voeding

De volgende karakteristieken van de voeding worden bepaald:

  • de aard van de stroom en de frequentie;

  • de waarde van de nominale spanning;

  • de waarde van de veronderstelde kortsluitstroom aan de oorsprong van de installatie;

  • de mogelijkheid om aan de noden van de installatie te voldoen (bv.: noodzakelijk vermogen, noodzaak tot noodvoeding…).

3.2.4Indeling van de installaties

3.2.4.1Doel

De elektrische installatie moet zo nodig ingedeeld worden in verscheidene stroombanen om de gevolgen van een fout te beperken, alsook om het opsporen van fouten, de controle en het onderhoud te vergemakkelijken.

Deze stroombanen moeten zodanig opgevat en verwezenlijkt worden dat zij niet ongewild door een andere stroombaan kunnen worden gevoed.

3.2.4.2Afwezigheid van elektrische scheiding

Wanneer de stroombaan gevoed wordt door een net op hogere spanning door middel van toestellen zonder elektrische scheiding, zoals autotransformatoren, potentiometers, halfgeleiderinrichtingen..., dient de aldus gevoede stroombaan beschouwd te worden als deel uitmakend van het voedend net.

3.3Compatibiliteit

3.3.1Onafhankelijkheid van een elektrische installatie ten overstaan van andere installaties

De elektrische en niet-elektrische installaties moeten derwijze opgesteld worden dat elke gevaarlijke wederzijdse invloed vermeden wordt.

3.3.2Onafhankelijkheid van de delen van een elektrische installatie

Wanneer elektrische machines, toestellen en leidingen, doorlopen door stromen van verschillende aard of spanning, gegroepeerd worden op eenzelfde plaats of in eenzelfde geheel van toestellen, moeten alle elektrische machines, elektrische toestellen, elektrische leidingen en sturingstoestellen, behorend tot eenzelfde stroomsoort of tot eenzelfde spanning, in de mate van het mogelijke van de andere gescheiden worden. Bovendien worden ze aangeduid overeenkomstig afdelingen 3.1.3. en 5.1.6 .

Aangepaste schikkingen volgens de regels van goed vakmanschap moeten genomen worden opdat de werking en de bediening van het elektrisch materieel geen schadelijke invloed zou kunnen hebben op andere elektrische machines, toestellen of leidingen of op de voeding van de elektrische installatie. Deze invloeden betreffen in het bijzonder:

  • voorbijgaande overspanningen;

  • aanloopstromen;

  • harmonische stromen;

  • gelijkspanningscomponenten;

  • hoogfrequentoscillaties;

  • lekstromen;

  • stroomlevering aan het voedingsnet door bepaalde machines of toestellen van de installatie.

3.3.3Installaties voor telecommunicatie, signalisatie en dergelijke

Elke installatie voor telecommunicatie, besturing, signalisatie en dergelijke moet van de nodige inrichtingen voorzien worden om de beveiliging te waarborgen tegen wederzijdse beïnvloeding tussen deze installaties en andere elektrische installaties, met het oog op de bescherming tegen elektrische schokken, brand en thermische effecten, alsook met het oog op een bevredigende werking (verenigbaarheid), bijvoorbeeld:

  • een voldoende scheiding tussen de telecommunicatiekabels en andere leidingen;

  • systemen van gemeenschappelijke of gescheiden aarding, naargelang de functionele behoeften;

  • keuze en uitvoering van de bedrading en van het vast telecommunicatiematerieel.

De vermelding van bevredigende werking (verenigbaarheid) beoogt voorzorgsmaatregelen die moeten genomen worden tegen wederzijdse interferentie verschillend van radio-elektrische storingen, tussen telecommunicatieinstallaties en andere installaties.

De keuze en realisatie van telecommunicatiematerieel wordt enkel beschouwd met het oog op hun veiligheid en hun verenigbaarheid met betrekking tot andere elektrische installaties.

Voor wat betreft de energievoorziening van deze installaties zijn de elektrische veiligheidsmaatregelen en de werkingswaarborgen van toepassing zoals ze worden bepaald hetzij in de desbetreffende, door de Koning bekrachtigde of geregistreerde door het NBN-norm hetzij in beschikkingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

3.4Veiligheidsinstallaties

Voorschriften voor de veiligheidsinstallaties zijn opgenomen in hoofdstuk 5.5.

3.5Kritische installaties

Voorschriften voor de kritische installaties zijn opgenomen in hoofdstuk 5.6.

Bewerkte weergave van de officiële bron; dit vervangt geen professionele controle of keuring.

Bronstatus
Extractiestatus: bewerkt uit de officiële bron
Inhoud-SHA-256:
1a0459571f87bf4e31931bd698e5e6605e4fe7f8c6cde86865c18b5a2b14336a
PDF-SHA-256:
d22895299e20a525673e1814b8694c4bfca2d6d33951c430ed97ff48873a47b5