Regelwerk · Deel 4

AREI Boek 1 · Deel 4

Beschermingsmaatregelen

Versie 06 · K.B. 06.10.2025 · van toepassing van 01/04/2026 tot 31/10/2026 · Officiële brontaal: Nederlands · Officiële PDF-bron openen

Versie 06 gold tot 31/10/2026. Sindsdien geldt versie 07. Geldende versie openen (versie 07)

4.1Inleiding

Maatregelen ter bescherming van personen en goederen moeten genomen worden op volgende gebieden:

  • bescherming tegen elektrische schokken ( hoofdstuk 4.2. );

  • bescherming tegen thermische effecten ( hoofdstuk 4.3. );

  • bescherming tegen overstromen ( hoofdstuk 4.4. );

  • bescherming tegen overspanningen ( hoofdstuk 4.5. );

  • bescherming tegen spanningsdalingen ( afdeling 4.6.1. );

  • bescherming tegen biologische effecten van elektrische en magnetische velden ( afdeling 4.6.2. );

  • bescherming tegen besmettingsrisico’s ( afdeling 4.6.3. );

  • bescherming tegen risico’s te wijten aan ongewilde bewegingen en ontijdig aanzetten ( afdeling 4.6.4. ).

4.2Bescherming tegen elektrische schokken

4.2.1Algemeenheden

4.2.1.1Schokstroom

Een gevaarlijke schokstroom kan het menselijk lichaam doorlopen indien aan volgende voorwaarden voldaan is:

  1. 1.

    het menselijk lichaam dient als geleidend deel in een gesloten stroombaan;

  2. 2.

    de actieve delen van elektrisch materieel, de massa’s of de vreemde geleidende delen bevinden zich op verschillende potentialen;

  3. 3.

    de waarde van de stroom is voldoende groot of de duur van de stroomdoorgang in het menselijk lichaam is voldoende lang in functie van de waarde van de stroom om gevaarlijke fysiopathologische gevolgen te hebben.

    De beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken trachten ten minste één van deze drie omstandigheden te verhinderen. Er wordt onderscheid gemaakt tussen actieve en passieve maatregelen, naargelang deze al dan niet het onderbreken van de stroom tot gevolg hebben.

4.2.1.2Toegelaten spanningsgebieden

Alle spanningsgebieden zijn toegelaten voor de voeding van elektrisch materieel in gewone ruimten en in ruimten van de elektrische dienst.

Nochtans, in huishoudelijke installaties, is alleen de voeding op zeer lage spanning en laagspanning van 1e categorie toegelaten.

4.2.2Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

4.2.2.1Bij het gebruik van laagspanning

  1. a.

    Algemeenheden

    De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking bij laagspanning moet verwezenlijkt worden hetzij bij de constructie van het elektrisch materieel, hetzij bij de installatie ervan.

    De aanraking van niet-beschermde actieve delen van het elektrisch materieel moet onmogelijk gemaakt of bemoeilijkt worden:

    • hetzij door middel van omhulsels;

    • hetzij door isolatie;

    • hetzij door verwijdering;

    • hetzij door middel van hindernissen.

    Bovendien kan een bijkomende bescherming door een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid worden toegevoegd.

  2. b.

    Bescherming door middel van omhulsels

    De bescherming door middel van omhulsels tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt bekomen wanneer de niet-beschermde actieve delen zodanig omgeven zijn dat iedere aanraking van deze delen onmogelijk is.

    Deze omhulsels moeten voldoen aan volgende voorwaarden:

    1. 1.

      de doeltreffendheid van de bescherming wordt verzekerd door de aard, de afmetingen, de schikking, de stabiliteit, de stevigheid en eventueel de isolerende eigenschappen van de omhulsels, rekening houdend met de invloeden waaraan deze omhulsels normaal blootgesteld zijn;

    2. 2.

      het openen of het wegnemen van uitwendige omhulsels of van hun samenstellende delen is slechts mogelijk wanneer ten minste een van de volgende voorwaarden vervuld is:

      • de omhulsels mogen niet geopend of weggenomen kunnen worden zonder gereedschap of sleutel;

      • een vergrendelingsmechanisme belet het openen of het wegnemen van de omhulsels zolang de inwendige niet-beschermde actieve delen, die toevallig kunnen aangeraakt worden bij afwezigheid van deze bescherming, niet buiten spanning gesteld werden;

      • er is automatische afschakeling van de spanning op alle niet-beschermde actieve delen die toevallig kunnen worden aangeraakt op het ogenblik van het openen of het wegnemen van omhulsels;

      • er zijn een of meerdere inwendige schermen aanwezig die beantwoorden aan de hierboven onder 1) vermelde voorwaarden en die op zulke wijze aangebracht zijn dat de actieve delen niet toevallig kunnen worden aangeraakt zolang de omhulsels weggenomen of open zijn. Het scherm of de schermen zijn blijvend bevestigd of worden automatisch geplaatst; ze kunnen slechts gedemonteerd worden met behulp van gereedschap of een sleutel.

      Nochtans wordt, ten behoeve van occasionele werkzaamheden (bijvoorbeeld afstellen of herwapenen van regelapparatuur, vervangen van smeltzekeringen), het openen of het wegnemen van uitwendige omhulsels of van samenstellende delen toegestaan zonder gebruik van gereedschap of sleutel voor zover de hierna vermelde voorwaarden zijn vervuld:

      • alle actieve delen binnen de omhulsels behoren tot het domein van de laagspanning van de 1ste categorie;

      • de werkzaamheden mogen alleen worden uitgevoerd door gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen;

      • de onderdelen waarop moet worden ingegrepen zijn zodanig opgevat en opgesteld dat de werkzaamheden op een veilige wijze kunnen worden uitgevoerd;

      • de voor de handelingen noodzakelijke bewegingsruimte is derwijze dat de bescherming tegen toevallige aanraking van de gevaarlijke actieve delen is gewaarborgd. Wanneer de bewegingsruimte te beperkt is, dient de bescherming tegen toevallige aanraking te zijn verwezenlijkt d.m.v. hindernissen.

  3. c.

    Bescherming door isolatie

    De bescherming door isolatie tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt bekomen wanneer de actieve delen zijn bedekt met een isolerend materiaal dat blijvend bevestigd of op haar plaats gehouden wordt en die elke aanraking van deze actieve delen belet. Deze isolatie mag slechts door vernietiging kunnen worden weggenomen.

  4. d.

    Bescherming door verwijdering

    • De bescherming door verwijdering tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt bekomen:

    • hetzij, wanneer de niet-beschermde actieve delen buiten het genaakbaarheidsgabarit geplaatst of geïnstalleerd zijn;

    • hetzij, wanneer er binnen het genaakbaarheidsgabarit geen gelijktijdig genaakbare actieve delen en stukken zijn die zich op potentialen bevinden waarvan het verschil groter is dan de conventionele absolute spanningsgrens ( afdeling 2.4.1. ).

    Indien het verplaatsings- of werkoppervlak niet in horizontale zin begrensd is door zijn eigen schikking, moet het dit zijn door ten minste één niet-buigzaam materieel element dat in staat is de toevallige doorgang van een persoon te verhinderen en waarvan het bovenste deel op een hoogte ligt begrepen tussen 1 m en 1,20 m van de grond.

  5. e.

    Bescherming door middel van hindernissen

    De bescherming door middel van hindernissen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt bekomen wanneer de hindernissen een toevallige benadering van de niet-beschermde actieve delen beletten.

    De hindernissen moeten zodanig zijn dat hun doeltreffendheid verzekerd wordt door hun aard, hun afmetingen, hun schikking, hun stabiliteit, hun stevigheid en eventueel hun isolerende eigenschappen rekening houdend met de invloeden waaraan zij normaal zijn blootgesteld.

    De hindernissen, hierna omheining/50 mm of omheining/120 mm genoemd, verlenen geen doorgang respectievelijk aan een lange rechte staaf van 50 mm of 120 mm diameter.

    De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, kunnen, ieder wat hem betreft, bij besluit de minimumafmetingen van de hindernissen vastleggen.

  6. f.

    Bijkomende bescherming door middel van differentieelstroombeschermingsinrichting

    Deze beschermingsmaatregel is uitsluitend bedoeld om andere beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking te vervolledigen.

    Alleen het gebruik van differentieelstroombeschermingsinrichtingen met hoge of zeer hoge gevoeligheid, zoals bepaald in afdeling 2.6.4. wordt erkend als bijkomende beschermingsmaatregel bij het in gebreke blijven van andere beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking of in geval van onvoorzichtigheid van de gebruikers.

  7. g.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking van de actieve geleider gebruikt als beschermingsgeleider

    Wanneer aan de voorgeschreven voorwaarden van de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking van afdeling 4.2.3. is voldaan, wordt aangenomen dat zowel de actieve geleider, gebruikt als beschermingsgeleider als de delen die ermee verbonden zijn, beschermd zijn tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking.

4.2.2.2Bij het gebruik van zeer lage spanning en zeer lage veiligheidsspanning

De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wordt verondersteld verzekerd te zijn door, onder de voorwaarden van 4.2.3.3.a. , gebruik te maken van de zeer lage veiligheidsspanning, zonder dat de maximale nominale spanning tussen twee blanke gelijktijdig genaakbare actieve delen de waarde, bepaald in tabel 4.1. , overschrijdt.

Tabel 4.1 Maximale nominale spanning bij gebruik van ZLVS

Toestand van het Maxima le nominale spann
ing in V
Code menselijk lichaam Wisselspanning Gelijkspanning
met rimpel
Gelijkspanning
zonder rimpel
BB1 Volledig droge huid of
vochtigdoor transpiratie
25 V 36 V 60 V
BB2 Natte huid 12 V 18 V 30 V
BB3 In water onder-
gedompelde huid
6 V 12 V 20 V

Deze regel is niet van toepassing op de elektrische installaties van zwembaden ( hoofdstuk 7.2. ) en sauna’s ( hoofdstuk 7.3. ).

4.2.2.3In gewone ruimten

  1. a.

    Keuze van beschermingswijzen rekening houdend met de spanning van de elektrische installatie

    1. a.1

      Zeer lage spanning

      De beschermingsgraad van de omhulsels en hindernissen moet ten minste IPXX-B zijn.

    2. a.2

      Laagspanning

      Voor de laagspanning moet de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking worden gewaarborgd:

      • hetzij door middel van omhulsels ( 4.2.2.1.b. );

      • hetzij door isolatie ( 4.2.2.1.c. ).

      De beschermingsgraad van de omhulsels moet minstens gelijk zijn aan IPXX-D in de voor het publiek toegankelijke ruimten en aan IPXX-B in de andere ruimten.

    3. a.3

      Hoogspanningstoestellen met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning

      De regels voor laagspanning zijn ten minste van toepassing voor wat betreft de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking.

      Specifieke regels kunnen voor bijzondere gevallen opgelegd worden (zie onderafdeling 4.2.2.5. )

      De beschermingsgraad van de omhulsels moet minstens gelijk zijn aan IPXX-D.

    4. a.4

      Functionele openingen

      De beschermingsgraden waarvan hierboven sprake zijn niet vereist voor de functionele openingen (bijvoorbeeld de verluchtingsopeningen of deze die nodig zijn voor de werking van het materieel) op voorwaarde dat constructiemaatregelen worden getroffen opdat een willekeurig lang voorwerp niet in aanraking kan komen met de niet-beschermde actieve delen.

  2. b.

    Ruimten speciaal bestemd voor kinderen

    In de ruimten die speciaal bestemd zijn voor kinderen (BA2) moeten de contactdozen op laagspanning zodanig uitgevoerd worden dat de contacten spanningsloos zijn of volledig afgedekt zijn door een scherm wanneer de contactstop uitgetrokken is.

    Het middel ter verwezenlijking van dit voorschrift moet zodanig zijn dat het niet gemakkelijk kan bediend worden door iets anders dan door een contactstop, het mag niet bestaan uit delen die verloren kunnen gaan.

  3. c.

    Ondernemingen die werknemers tewerkstellen die onder toepassing vallen van artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk

    Soepele elektrische leidingen en voorzien van een bescherming door isolatie mogen gebruikt worden voor de voeding van hoogspanningstoestellen met begrensd vermogen gevoed op laagspanning, op voorwaarde dat maatregelen getroffen worden om het gevaar van elektrostatische ladingen te vermijden.

  4. d.

    Voor het publiek toegankelijke ruimten

    In de voor het publiek toegankelijke ruimten moeten de samenstellende delen van omhulsels en hindernissen zo opgevat zijn dat zij niet langs buiten kunnen worden gedemonteerd. De deur of deuren die ze bevatten moeten gesloten zijn door middel van een veiligheidsslot of van elke ander sluitsysteem dat ten minste dezelfde waarborgen biedt. Voor lage en zeer lage spanning is het toegelaten sloten te plaatsen die niet als veiligheidsslot beschouwd worden, op voorwaarde:

    • hetzij dat het slot op een minimumhoogte van 2,5 m ligt en dat vaste elementen in de buurt geen toegang tot het slot geven;

    • hetzij dat er een of meerdere inwendige schermen aanwezig zijn die een beschermingsgraad ten minste gelijk aan IPXX-B hebben, en die zo zijn aangebracht dat de actieve delen niet toevallig kunnen worden aangeraakt zolang de deur of deuren open zijn. Het scherm of de schermen zijn blijvend bevestigd en ze kunnen slechts gedemonteerd worden met behulp van gereedschap of een sleutel;

    • hetzij dat het betrokken elektrisch materieel in een ruimte van de elektrische dienst geïnstalleerd is.

4.2.2.4In ruimten van de elektrische dienst

  1. a.

    Voorschriften betreffende ruimten van de elektrische dienst

    1. a.1

      Scheidingswanden en omheiningen

      De ruimte van de elektrische dienst moet begrensd worden door scheidingswanden of omheiningen/50 mm. De omheiningen/120 mm zijn alleen toegelaten indien de ruimte van de elektrische dienst zich in openlucht bevindt.

      De scheidingswanden en omheiningen mogen niet gemakkelijk kunnen worden beklommen en moeten een minimumhoogte hebben van 2 meter.

    2. a.2

      Functionele openingen

      In de voormelde scheidingswanden of omheiningen mogen zich functionele openingen bevinden.

      In verband met de functionele openingen moeten gepaste maatregelen worden genomen tot behoud van de beschermingsgraad die de scheidingswanden of omheiningen hebben ten opzichte van het binnendringen van vreemde voorwerpen.

      Voor de spleten, ontstaan door deze openingen moeten maatregelen genomen worden opdat een of ander lang voorwerp niet in aanraking zou kunnen komen met niet-beschermde actieve delen.

      Vensters zijn verboden tenzij schikkingen worden getroffen hetzij om glasbraak te voorkomen, hetzij om het gevaar als gevolg van glasbreuk uit te schakelen. Zij zijn vast of zo opgevat dat bij openen elk aanrakingsgevaar met niet-beschermde actieve delen onmogelijk is.

      De toegangsdeuren in de scheidingswanden moeten naar buiten opendraaien. Zij moeten te allen tijde langs binnen zonder sleutel kunnen worden geopend.

    3. a.3

      Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking, van personen die zich buiten de ruimte van de elektrische dienst bevinden

      1. a.3.1

        Maatregelen inzake de genaakbaarheid langs boven over de scheidingswanden en de omheiningen heen

        Geen enkel niet-beschermd actief deel in de niet-overdekte ruimte van de elektrische dienst mag zich op een afstand van de bovenrand van de scheidingswanden of omheiningen bevinden die kleiner is dan

        2,5 m + 0,01 ( U N – 20) – h met een minimum van 2,5 m – h met h de hoogte van deze wanden of omheiningen in m. UN is de nominale spanning tussen lijngeleiders van de elektrische installatie, uitgedrukt in kV en afgerond naar de hogere eenheid.

      2. a.3.2

        Maatregelen aangaande het indringen van lange voorwerpen door de openingen in de omheining

        • Geen enkel niet-beschermd actief deel mag zich op een afstand, kleiner dan d h bevinden van het vlak van de omheining, waarbij d h gelijk is aan:

        • 2,5 m + 0,01 ( U N – 20), met een minimum van 2,5 m in het geval van omheiningen/50 mm;

        • 5 m + 0,01 ( U N - 20), met een minimum van 5 m in het geval van omheiningen/120 mm.

      3. a.3.3

        Maatregelen betreffende de voor het publiek genaakbare deuren en toegangshekken

        Wanneer een ruimte van de elektrische dienst onmiddellijk aan een voor het publiek toegankelijke ruimte grenst, moeten de deuren of de toegangshekken die deze twee ruimten scheiden hetzij bewaakt worden hetzij worden gesloten door middel van een veiligheidsslot of door een ander sluitsysteem dat ten minste dezelfde waarborgen biedt. Voor lage en zeer lage spanning is het toegelaten sloten te plaatsen die niet als veiligheidsslot beschouwd worden, op voorwaarde:

        • hetzij dat de slot op een minimumhoogte van 2,5 m ligt en dat vaste elementen in de buurt geen toegang tot het slot geven;

        • hetzij dat er een of meerdere inwendige schermen aanwezig zijn die een beschermingsgraad ten minste gelijk aan IPXX-B hebben, en die zo zijn aangebracht dat de actieve delen niet toevallig kunnen worden aangeraakt zolang de deuren of de toegangshekken open zijn. Het scherm of de schermen zijn blijvend bevestigd en ze kunnen slechts gedemonteerd worden met behulp van gereedschap of een sleutel.

    4. a.4

      Aanduiding

      De ruimten van de elektrische dienst moeten duidelijk en zichtbaar aangeduid worden door middel van borden zoals bepaald in deel 9 .

    5. a.5

      Toegelaten personen

      Alleen gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen hebben toegang tot een ruimte van de elektrische dienst.

    6. a.6

      Doorgangen Circulatiedoorgangen zijn verboden.

      De onderhouds- en dienstgangen met een lengte van meer dan 20 m moeten aan beide uiteinden toegankelijk zijn.

    7. a.7

      Verlichting

      De ruimte van de elektrische dienst, ondergebracht in een lokaal, moet voorzien zijn van een vaste kunstmatige verlichting.

      In lokalen waar de bescherming door verwijdering toegepast is, moeten de noodzakelijke maatregelen genomen worden om personen toe te laten het lokaal veilig te verlaten bij het uitvallen van de verlichting.

  2. b.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking in ruimten van de elektrische dienst

    1. b.1

      Algemeenheden

      De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking in ruimten van de elektrische dienst moet gewaarborgd worden door naleving van de voorschriften van onderafdeling 4.2.2.3. betreffende de gewone ruimten.

      Van deze voorschriften mag evenwel worden afgeweken binnen de grenzen vermeld in het hiernavolgende punt b.2.

    2. b.2

      Afwijkende voorschriften

      1. b.2.1

        Laagspanning van de 1e categorie

        Voor de laagspanning van de 1e categorie zijn onder andere de bescherming door verwijdering ( 4.2.2.1.d. ) en de bescherming door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) toegelaten. Bovendien moet de beschermingsgraad van de omhulsels en de hindernissen ten minste gelijk zijn aan IPXX-B.

      2. b.2.2

        Laagspanning van de 2e categorie

        • Voor de laagspanning van de 2e categorie is onder andere de bescherming door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) toegelaten.

        • Bovendien moet de beschermingsgraad van de omhulsels en de hindernissen ten minste gelijk zijn aan IPXX-B.

      3. b.2.3

        Hoogspanningstoestellen met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning Bij toepassing van de bescherming door middel van omhulsels ( 4.2.2.1.b. ) of door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) moet de beschermingsgraad ten minste gelijk zijn aan IPXX-B.

  3. c.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking in exclusieve ruimten van de elektrische dienst

    1. c.1

      Algemeenheden

      In ruimten van de elektrische dienst, die uitsluitend dienen voor de uitbating van de elektrische installaties en die gesloten zijn met een sleutel of met elk ander middel dat de toegang belet voor nietgemachtigde personen, is het toegelaten af te wijken van de voorschriften van 4.2.2.4.b. op de wijze vermeld in onderstaand punt c.2 .

      De ruimten van de elektrische dienst waar gebruik wordt gemaakt van deze afwijking worden exclusieve ruimten van de elektrische dienst genoemd.

      Zijn gelijkgesteld met exclusieve ruimten van de elektrische dienst welke ook hun plaats weze, de kasten, de borden of verdeelinrichtingen waar men kan binnentreden, dit wil zeggen omhulsels waarin het elektrisch materieel zo is ondergebracht dat de vrije ruimte in het omhulsel voldoende groot is opdat een persoon er normaal zou kunnen binnentreden en er onderhoudswerkzaamheden in zou kunnen uitvoeren.

    2. c.2

      Afwijkende voorschriften

      1. c.2.1

        Zeer lage spanning en laagspanning van de 1e categorie

        Voor de zeer lage spanning en de laagspanning van de 1e categorie, wordt de bescherming door verwijdering als gewaarborgd beschouwd wanneer de minimumafstanden vermeld in tabel 4.2. worden nageleefd voor de onderhouds- en dienstplaatsen.

        Tabel 4.2 Minimumafstanden voor onderhouds- en dienstplaatsen

        In mm
        Plaats met niet-beschermde actieve delen

        langs één zijde
        langs beide zijden
        Vrije breedte tussendeniet-beschermde actieve delen:

        Onderhoudsplaatsen
        1000

        Dienstplaatsen
        1200
        Vrije breedte tussen de niet-beschermde
        actieve delen en wand of hindernis:

        Onderhoudsplaatsen
        800

        Dienstplaatsen
        800
        Vrije breedte tussen niet-beschermde ac tieve delenende bedieningsorganen,handvatten...:

        Onderhoudsplaatsen
        700
        900

        Dienstplaatsen
        700
        1100
        Vrije hoogte van de onderhouds- en
        dienstplaatsen
        2000

        Indien gebruik gemaakt wordt van de bescherming door middel van omhulsels ( 4.2.2.1.b. ) of door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ), moet hun beschermingsgraad ten minste gelijk zijn aan IPXX-A.

      2. c.2.2

        Laagspanning van de 2e categorie Voor de laagspanning van de 2e categorie is onder andere de bescherming door verwijdering ( 4.2.2.1.d. ) toegelaten. Bovendien moet de beschermingsgraad van de omhulsels ( 4.2.2.1.b. ) en de hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) ten minste IPXX-A zijn.

      3. c.2.3

        Hoogspanningstoestellen met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning De bescherming door verwijdering ( 4.2.2.1.d. ) is toegelaten. Bovendien moet de beschermingsgraad van de omhulsels ( 4.2.2.1.b. ) en de hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) ten minste gelijk zijn aan IPXX-A.

4.2.2.5Bijzondere voorschriften in speciale gevallen

  1. a.

    Algemeenheden

    In bepaalde gevallen, uitdrukkelijk aangehaald in het vervolg van dit Boek, en meer bepaald in de volgende gevallen voor wat de voorschriften aangaande laagspanning en zeer lage spanning betreft:

    • installaties met beperkt vermogen ( b. );

    • verwarmingsweerstanden verzonken in een materiaal of in een wand ( c. );

    • meettoestellen ( d. );

    • elektrische laboratoria en proefstanden ( e. );

      • contactlijnen op laagspanning voor rol- of glijcontact ( f. );

      • lassen en snijden met elektrische vlamboog ( g. );

      • elektrostatische filterinstallaties ( h. );

    • elektrolyse-installaties ( i. );

    • industriële ovens ( j. );

      • schrikdraadinstallaties ( k. ):

    • bedwelmingstoestellen bestemd voor het bedwelmen van dieren ( l. );

    • het elektrostatisch aanbrengen van verven en bedekkingen ( m. );

    • hoogspanningsontstekingsinrichting van een stookoliebrander ( n. );

    • hoogspanningsontstekingsinrichting van een gasbrander ( o. );

    • verdeelinrichtingen waar men niet kan binnentreden ( p. );

    • lamphouders (zie onderafdeling 5.3.4.2. ), is het toegelaten geheel of gedeeltelijk af te zien van de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking mits het naleven van bepaalde voorwaarden.

  2. b.

    Installaties met beperkt vermogen

    De actieve delen van elektrisch materieel met een beperkt vermogen mogen blank blijven onder de voorwaarden vervat hetzij in de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen, betreffende dit materieel. Voor bijzondere toepassingen mogen door de Minister, die de Energie onder zijn bevoegdheid heeft, andere voorwaarden worden vastgesteld.

  3. c.

    Verwarmingsweerstanden verzonken in een materiaal of in een wand

    Indien zij verzonken zijn in een materiaal of in een wand om deze te verwarmen, mogen de actieve delen blank blijven op voorwaarde dat de energiebron op zeer lage veiligheidsspanning is en dat de spanning tussen actieve of andere delen en de aarde niet groter is dan 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel.

  4. d.

    Meettoestellen

    De klemmen en verbindingen van meettoestellen, relais en soortgelijke uitrustingen mogen blank blijven op voorwaarde dat:

    • de afmetingen van de blanke delen tot een minimum beperkt zijn;

    • de toegepaste spanningen niet groter zijn dan 500 V wisselspanning of 750 V gelijkspanning;

    • het werken met deze toestellen alleen toevertrouwd wordt aan gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen die kennis hebben van de aan deze toestellen inherente gevaren.

    • ze niet in voor het publiek toegankelijke ruimten worden geïnstalleerd.

  5. e.

    Elektrische laboratoria en proefstanden

    Elektrische laboratoria en proefstanden zijn gesloten ruimten van de elektrische dienst.

    Evenwel mogen proefstanden worden verwezenlijkt in gewone ruimten mits de volgende voorwaarden worden nageleefd:

    • een afbakening van 1 m hoog moet worden aangebracht;

    • alleen personen die er geroepen zijn om dienstredenen mogen er toegang hebben;

    • gepaste onderrichtingen moeten worden verstrekt en goed zichtbare aanduidingen moeten de aandacht van de belanghebbenden vestigen op het gevaar;

    • alle delen van de ruimte die voor de proeven worden gebruikt moeten tijdens deze proeven speciaal bewaakt worden zodat men niet onachtzaam installaties of elementen kan benaderen die op een grotere spanning dan 500 V wisselspanning of 750 V gelijkspanning zouden kunnen gebracht worden;

    • indien de voorschriften met betrekking tot de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking niet kunnen nageleefd worden omwille van de aard zelf van de werkzaamheden, moet beroep worden gedaan op beschermingsmiddelen die de veiligheid van personen en zaken verzekeren.

  6. f.

    Contactlijnen op laagspanning voor rol- of glijcontact

    1. f.1

      Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

      Contactlijnen op laagspanning voor rol- of glijcontact moeten ten minste voorzien zijn van een gedeeltelijke bescherming, te weten:

      • voedingsspanning kleiner dan of gelijk aan 500 V wisselspanning of 750 V gelijkspanning:

        • in binneninstallatie:

          • hetzij door buiten bereik stellen door verwijdering ( 4.2.2.1.d. ) met dien verstande dat de hoogte van de actieve delen boven de grond of boven de werkvloeren ten minste gelijk moet zijn aan 2,5 m;

          • hetzij door buiten bereik stellen door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. );

        • in openlucht buiten de openbare wegen:

          • hetzij door buiten bereik stellen door verwijdering ( 4.2.2.1.d. ) met dien verstande dat de hoogte boven de grond of boven de werkvloeren ten minste moet gelijk zijn aan 4 m;

          • hetzij door buiten bereik stellen door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ) indien het onmogelijk is die hoogte te eerbiedigen wegens een belemmering;

        • in openlucht boven de openbare weg: door buiten bereik stellen door verwijdering, met dien verstande dat de hoogte boven de grond ten minste 6 m moet zijn behalve op de plaatsen waar hindernissen die zich buiten het profiel van de weg bevinden niet toelaten deze voorwaarde na te leven. Onder hindernissen buiten het profiel van de weg wordt verstaan constructies of vaste belemmeringen die zich boven het profiel van de weg bevinden maar op minder dan 6 m boven het wegdek (brug, voetgangersbrug...);

      • voedingsspanning op laagspanning groter dan 500 V wisselspanning of 750 V gelijkspanning:

        • buiten de openbare wegen: door buiten bereik stellen door verwijdering, met dien verstande dat de hoogte boven de grond ten minste 5 m moet zijn;

        • boven de openbare weg: door buiten bereik stellen door verwijdering, met dien verstande dat de hoogte boven de grond ten minste 6 m moet zijn, behalve op de plaatsen waar hindernissen die zich buiten het profiel van de weg bevinden niet toelaten deze voorwaarde na te leven.

    2. f.2

      Buiten spanning stellen

      Het buiten spanning stellen over haar gehele lengte van elke contactlijn moet mogelijk zijn door middel van bereikbare en oordeelkundig geplaatste schakelaars.

  7. g.

    Lassen en snijden met elektrische vlamboog

    1. g.1

      Toepassingsgebied

      Dit punt g. is van toepassing op alle snij-, las- en aanverwante processen waarbij gebruik wordt gemaakt van een elektrische boog.

    2. g.2

      Bepalingen

      Nullastspanning van een las- of snijtoestel met vlamboog: de spanning aan de gebruiksklemmen van het las- of snijtoestel waarvan de las- of snijstroombaan open is, de ontsteekspanning of de houdspanning van de boog niet inbegrepen.

      Voor toestellen uitgerust met een risicobeperkende inrichting is de nullastspanning de spanning aan de gebruiksklemmen van het toestel na de inwerkingtreding van deze risicobeperkende inrichting. Bij gelijkspanning is de in aanmerking te nemen waarde van de nullastspanning de piek nullastgelijkspanning.

      Piek nullastgelijkspanning: topwaarde van de ogenblikkelijke spanning die een gelijkspanning met rimpel kan bereiken.

      Risicobeperkende inrichting: inrichting die de gevaren van elektrocutie beperkt die het gevolg kunnen zijn van de nullastspanning. Deze inrichting kan een spanningsbegrenzer zijn of een omschakelinrichting van AC naar DC.

      Spanningsbegrenzer: risicobeperkende inrichting die automatisch de nullastspanning begrenst tot een waarde die de waarden gegeven in de tabel van punt g.3. niet overschrijdt, zodra de weerstand tussen de gebruiksklemmen van het las- of snijtoestel groter wordt dan 200 .

      Omschakelinrichting van AC naar DC: risicobeperkende inrichting die automatisch de nullastspanning omschakelt van wisselspanning naar gelijkspanning, deze beperkt tot een waarde van de tabel van punt g.3. en dit van zodra de weerstand tussen de gebruiksklemmen van het las- of snijtoestel groter wordt dan 200 .

      Omgeving met verhoogd risico (voor gevaren van de elektriciteit): er is een «omgeving met verhoogd risico»:

      • wanneer ten minste één van de volgende uitwendige invloeden aanwezig is: BB2, BB3, BC3 of BC4;

      • wanneer de lasser zich in een zogenaamde oncomfortabele stand bevindt (geknield, zittend, liggend).

    3. g.3

      Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking van actieve delen van de las- of snijstroombaan Het is toegelaten:

      • geen beschermingsmaatregelen te nemen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking wat betreft:

        • de laselektroden;

        • de massaklemmen;

        • de ermee verbonden massa’s;

        • de vaste geleidende elementen welke dienen voor het terugvoeren van de las- of snijstroom;

        • de mechanisch gehouden elektrodehouders;

      • slechts een bescherming voor de toortsen te verzekeren tegen toevallige aanraking, mits de volgende twee voorwaarden worden nageleefd:

        • de nodige maatregelen worden getroffen tot het verminderen van het gevaar voor personen van rechtstreekse aanraking dat inherent is aan de aanwezigheid van de onder spanning staande elektrodes en bij het wisselen ervan; deze maatregelen bestaan uit:

          • het gebruik van voorzieningen welke toelaten de las- of snijstroombaan buiten spanning te stellen;

          • het aanwenden van collectieve of individuele beschermingsmiddelen (isolerend tapijt, isolerende handschoenen, enz.);

          • het naleven van gepaste instructies;

        • de nullastspanning van de las- of snijtoestellen mag de waarden vermeld in tabel 4.3 . niet overtreffen.

      Tabel 4.3 Maximale nullastspanning van las- of snijtoestellen

      Las- of snijtoestellentypes Omgeving
      verhoog
      Nullastsp
      zonder
      d risico
      anning (V)
      Omgevi
      verhoog
      ng met
      d risico
      Wissel-
      spanning
      Gelijk-
      spanning
      Wissel-
      spanning
      Gelijk-
      spanning
      1 Industrieel en beroepsmatig gebruik
      1.1 Handbediende toestellen 80 113 48 113
      1.2 Mechanisch gehouden toortsen zonder
      verhoogde veiligheid voor de operator
      80 113 48 113
      1.3 Mechanisch gehouden toortsen met ver-
      hoogde veiligheid voor de operator
      100* 141* 100* 141*
      2 Handbediende toestellen voor huishoudelijk
      en soortgelijkgebruik
      55 113 48 113
      3 Speciale processen voor industrieel, beroeps-
      matig, huishoudelijk en soortgelijk gebruik
      (plasmalassen en -snijden...)
      500** 500** 500** 500**
      • Deze waarden zijn alleen toegelaten mits:

        1. a)

          de nullastspanning automatisch wordt onderbroken bij het beëindigen van het lassen, en

          • ## b) de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking van onder spanning staande delen wordt verzekerd door:

          • omhulsels met een beschermingsgraad van minstens IPXX-B, of

          • een risicobeperkende inrichting.

      • ** Deze waarden zijn alleen toegelaten mits volgende voorwaarden gelijktijdig worden nageleefd:

        1. a)

          de nullastspanning wordt automatisch onderbroken wanneer de las- of snijkring open is;

        2. b)

          de spanning tussen de buitenkant van de toorts en het te bewerken stuk of de aarde bedraagt niet meer dan 48 V wisselspanning wanneer de las- of snijkring open is;

        3. c)

          de gebruikte toorts is zo ontworpen dat zij alleen met behulp van een gereedschap kan worden geopend, of dat zij een automatische onderbrekingsinrichting heeft die verhindert dat de toorts onder spanning wordt gezet zolang zij niet in de werkpositie is geplaatst;

        4. d)

          de beschermingsgraad tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking met onder spanning staande delen van de

          • toorts, met uitzondering van de kop, zal minstens IPXX-D bedragen;

        5. e)

          de massaklem moet, behalve voor de contactvlakken, elektrisch zijn geïsoleerd.

    4. g.4

      Bijzondere voorschriften met betrekking tot de risicobeperkende inrichting

      • Na onderbreking van de las- of snijstroom moet de risicobeperkende inrichting in werking zijn getreden binnen de 0,3 s.

        • Voor het plasmasnijden moet de risicobeperkende inrichting in werking zijn getreden binnen de 2 s.

      • Een visuele aanduiding verschijnt wanneer de risicobeperkende inrichting in werking is getreden.

      • Indien de risicobeperkende inrichting faalt moet de spanning tot een waarde, bepaald in de tabel onder g.3. worden gebracht binnen 1 s nadat de fout zich heeft voorgedaan.

    5. g.5

      Bijzondere voorschriften betreffende het elektrisch booglassen of -snijden

      • De las- of snijstroombaan van ieder toestel moet elektrisch gescheiden zijn van de primaire elektrische voedingsstroombaan door een gepaste isolatie.

      • De las- of snijstroombaan van toestellen voor manueel gebruik mag noch met de beschermingsgeleider noch met de massa noch met enig intermediair deel van het toestel zijn verbonden.

      • Het verbindingssysteem van de soepele elektrische leidingen met de stroombron en met de elektrodehouder of toorts moet zo zijn opgevat dat het ten minste voorziet in een bescherming tegen toevallige aanraking.

      • De elektrodehouders en las- of snijtoortsen van toestellen voor manueel gebruik omvatten ten minste handvatten uit isolerend materiaal.

      • Aangepaste maatregelen zijn getroffen opdat de beschermingsgeleider of de PEN-geleider van een elektrische installatie niet zou dienen als terugvoergeleider voor de stroom.

      • De massaklemmen moeten zo dicht mogelijk bij de plaats van de las of de snede worden bevestigd, overeenkomstig de regels van goed vakmanschap.

        • Deze massaklem mag nochtans op elke andere plaats van een metalen structuur worden geplaatst, voor zover de las of de snede wordt uitgevoerd op deze structuur zelf of op een element in rechtstreeks contact ermee, en voor zover de doorgang van de maximum las- of snijstroom geen gevaar biedt.

  8. h.

    Elektrostatische filterinstallaties

    De verplaatsbare elektrostatische filterinstallaties moeten van een omhulsel voorzien zijn ( 4.2.2.1.b. ). Deze toestellen moeten voorzien zijn van de opschriften betreffende het gevaar dat bestaat bij opening van het omhulsel. De omhulsels mogen slechts geopend kunnen worden door middel van gereedschap en de spanning moet automatisch onderbroken worden zodra het omhulsel geopend wordt.

    Bij de vaste elektrostatische filterinstallaties mogen alle onder spanning staande delen blank blijven.

    Deze installaties moeten opgesteld staan in gesloten ruimten van de elektrische dienst; indien dit niet het geval is moeten toestellen aangewend worden waarbij de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking is verzekerd door omhulsels ( 4.2.2.1.b. ) of het buiten bereik stellen door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e .). De hoogspanningsinstallaties moeten automatisch buiten spanning gesteld worden zodra een toegangsdeur tot het elektrisch gedeelte geopend wordt.

  9. i.

    Elektrolyse-installaties

    Bij elektrolyse-installaties mogen in het bijzonder de actieve delen van baden zoals elektroden, elektrolyten, klemmen en verbindingen blank blijven mits het naleven van de volgende voorwaarden:

    • gezamenlijk inhoudsvermogen van de baden minder dan of gelijk aan 50 l:

      • de stroomgelijkrichters moeten gevoed worden via transformatoren met gescheiden wikkelingen of via een scheidingsmiddel dat een gelijkwaardige veiligheid biedt;

      • de elektrische leidingen van de voedingsinstallaties in gelijkstroom moeten voorzien zijn van een volledige bescherming van de actieve delen ( 4.2.2.1.b . of 4.2.2.1.c .);

      • de voedingsspanning moet kleiner dan of gelijk zijn aan 75 V gelijkspanning.

    • gezamenlijk inhoudsvermogen van de baden groter dan 50 l:

      • algemene maatregelen:

        • de stroomgelijkrichters moeten gevoed worden via transformatoren met gescheiden wikkelingen of via een scheidingsmiddel dat een gelijkwaardige veiligheid biedt;

      • de verkeersvloeren omheen de elektrolysebaden moeten zodanig uitgevoerd zijn dat het stagneren van elektrolyten vermeden wordt;

      • bij de toegangen moeten zichtbare en leesbare aanduidingen aangebracht worden, inzonderheid:  een bord met het waarschuwingsteken voor gevaar, bepaald in afdeling 9.4.1. ;

        • een bord met toegangsverbod voor niet-gemachtigde personen, bepaald in afdeling 9.4.2. ;

      • de werknemers moeten uitgerust zijn met aangepaste individuele beschermingsmiddelen tegen de gevaren van elektrische schokken;

      • de werkzaamheden aan elektrolyse-installaties mogen alleen worden toevertrouwd aan gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen die kennis hebben van de aan deze installaties verbonden gevaren;

    • aanvullende maatregelen:

      • spanning groter dan 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel: De actieve delen van de elektrische voedingsleidingen gaande tot het geheel van de baden, waartussen een potentiaalverschil van meer dan 36 V gelijkspanning met rimpel of van meer dan 60 V gelijkspanning zonder rimpel bestaat, moeten, voor zover er geen technische bezwaren tegen zijn, voorzien zijn van een gedeeltelijke bescherming tegen de rechtstreekse aanraking:

        • hetzij door verwijdering ( 4.2.2.1.d. )

        • hetzij door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. )

      • spanning groter dan 120 V: In de doorgangen moeten bovendien de actieve delen van baden en/of elektrische voedingsleidingen, waartussen een potentiaalverschil van meer dan 120 V gelijkspanning bestaat, zodanig van elkaar verwijderd zijn dat men ze niet gelijktijdig kan aanraken. Deze voorwaarde is beschouwd als zijnde verwezenlijkt, als hun onderlinge afstand ten minste 2,5 meter bedraagt. Indien deze bescherming door verwijdering niet uitvoerbaar is, moeten maatregelen met betrekking tot gedeeltelijke bescherming door middel van hindernissen toegepast worden.

  10. j.

    Industriële ovens

    Elektrische ovens mogen opgesteld worden in gewone ruimten die niet worden beschouwd als voor het publiek toegankelijke ruimten, op voorwaarde dat ten minste een gedeeltelijke bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking voorzien wordt:

    • hetzij door buiten bereik stellen door verwijdering ( 4.2.2.1.d. );

    • hetzij door middel van hindernissen ( 4.2.2.1.e. ).

  11. k.

    Schrikdraadinstallaties

    1. k.1

      Voeding

      De draad die als schrikdraad dient mag slechts blank zijn voor zover de installatie aan de volgende voorwaarden beantwoordt:

      • de elektrische leiding die de spanningsgever verbindt met de schrikdraadinstallatie moet gekozen worden overeenkomstig de regels van goed vakmanschap, de doorsnede van de geleiders moet ten minste 2,5 mm² zijn;

      • indien de afstand tussen de bevestigingspunten van deze draad groter is dan 10 m, moet zijn minimale breuklast bij trek 2800 N bedragen. In dit geval moeten de bevestigingen uit isolatoren bestaan;

      • een schrikdraadinstallatie of een geheel van elektrisch verbonden schrikdraadinstallaties moet gevoed worden door één enkele spanningsgever.

    2. k.2

      Aanduiding

      De aanwezigheid van een schrikdraadinstallatie moet aangeduid worden door middel van de in afdeling 9.4.1. vermelde waarschuwingsborden.

      Deze borden moeten geplaatst worden over heel de lengte van de afsluiting met een onderlinge afstand van maximum 50 m. Zij moeten eveneens geplaatst worden aan iedere zijde van elke hoek van de afsluitingen op een afstand van het hoekpunt die niet meer dan 1 m mag bedragen.

    3. k.3

      Plaatsing

      Schrikdraadinstallaties mogen slechts op de scheidingslijn van gronden geplaatst worden indien de betrokken eigenaars en huurders hierin toestemmen. Bij gebrek aan toestemming moeten zij geplaatst worden op ten minste 0,50 m achter deze lijn.

      Bij het opstellen van een schrikdraadinstallatie langs de grens van het openbaar domein moet samen met  elke onder spanning staande draad een niet onder spanning staande beschermingsdraad type afsluitingsdraad  aangebracht worden. Deze beschermingsdraad moet zich in een verticaal vlak bevinden dat ten minste 0,25 m van de onder spanning staande draad verwijderd is en op een niveau dat er niet meer dan

      0,10 m van verschilt; hij moet zich aan de zijde van het openbaar domein bevinden zonder er gebruik van te maken.

  12. l.

    Bedwelmingstoestellen bestemd voor het bedwelmen van dieren

    De tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen die in de slachthuizen gebruikt worden om dieren te bedwelmen mogen gedeeltelijk blank blijven mits volgende voorwaarden nageleefd worden.

    1. l.1

      Algemene voorschriften

      • De bedwelmingsspanning moet geleverd worden door een bron die een transformator met gescheiden wikkelingen omvat;

      • De secundaire stroombaan van die transformator mag niet geaard worden;

      • Deze transformator en, gebeurlijk de hulpapparatuur (transformator van de bedieningsstroombaan, vermogensschakelaar...) moeten in één of meerdere kasten geplaatst zijn die een beschermingsgraad bezitten van ten minste IPX4;

      • De tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen moeten volledig geïsoleerd zijn, behalve aan de elektroden; de blanke delen moeten nochtans tot een minimum beperkt worden;

        • De stroombaan voor het bedwelmen en de eventuele bedieningsstroombaan moeten elektrisch van elkaar gescheiden zijn;

      • De eventuele contactdozen en contactstoppen die in de bedwelmings- en bedieningsstroombanen opgenomen zijn, moeten zodanig uitgevoerd zijn dat zij alleen op de secundaire stroombanen van de transformatoren aangesloten kunnen worden;

      • De elektrische voedingsleidingen van de tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen moeten ten minste van het type H05RN-F/H07RN-F zijn;

        • De handvatten van de tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen moeten voorzien zijn van doeltreffende inrichtingen tegen trek- en wringbelasting op de geleiders;

        • De tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen moeten uitgerust zijn met een inrichting die toelaat ze in alle veiligheid op te hangen;

      • De bedieners moeten voorzien zijn van aangepaste individuele beschermingsmiddelen tegen de gevaren van elektrische schokken;

      • Ieder toestel dient jaarlijks door een organisme, erkend voor de controle van de elektrische installaties, onderzocht te worden wat de naleving van de algemene en de bijzondere voorwaarden betreft. Dit organisme stelt over zijn bevindingen een verslag op dat ter beschikking wordt gehouden van de met het toezicht belaste ambtenaar.

    2. l.2

      Bijzondere voorschriften

      • Voor de tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen waarvan de nullastspanning tussen de elektroden 90 V wisselspanning niet overtreft:

        • de nullastspanning aan de uitgang van de transformator mag niet groter zijn dan 90 V;

        • een handvat van de tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen moet uitgerust zijn met een schakelaar die de elektroden buiten spanning kan stellen wanneer de grootste afmeting der blanke elektroden 50 mm overschrijdt. Deze maatregel is ook van toepassing op tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen die over twee elektroden beschikken die niet mechanisch met elkaar verbonden zijn, ongeacht de lengte der blanke delen.

      • voor de tangen, vorken en soortgelijke inrichtingen waarvan de nullastspanning tussen de elektroden groter is dan 90 V wisselspanning:

        • de effectieve waarde van de nullastspanning aan de uitgang van de transformator mag niet groter zijn dan 380 V;

        • de twee elektroden dienen mechanisch met elkaar verbonden te zijn en de grootste afmeting van de blanke elektroden mag in geen geval 50 mm overschrijden;

        • de elektrische stroombaan voor het bedwelmen moet uitgerust zijn met een tweepolige automatische tijdschakelaar die automatisch de toepassingsduur van de spanning beperkt tot maximum 5 seconden indien de nullastvoedingsspanning 200 V niet overschrijdt en tot maximum 1,5 seconde, indien deze spanning 200 V overtreft;

        • deze schakelaar moet van op afstand bediend worden door het sluiten van een bedieningsstroombaan gevoed op zeer lage veiligheidsspanning met een maximumwaarde van 25 V wisselspanning of 36 V gelijkspanning met rimpel en 60 V zonder rimpel. Het herhaaldelijk sluiten van de bedieningsstroombaan mag niet leiden tot een verlenging van de maximale tijdsduur voorgeschreven in voorgaand punt.

  13. m.

    Het elektrostatisch aanbrengen van verven en bedekkingen

    In de gewone ruimten van inrichtingen die personeel tewerkstellen dat valt onder artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk is elektrostatisch aanbrengen van verven en bedekkingen toegelaten en mogen in het bijzonder de onder hoogspanning staande elektroden van het pistool of van andere verstuivingsmiddelen die dit aanbrengen mogelijk maken, blank blijven mits het naleven van de volgende voorwaarden:

    • de afmetingen van de blanke delen moeten tot een minimum herleid zijn;

    • de te behandelen voorwerpen moeten geaard zijn;

    • voor de pistolen en soortgelijke aanbrengmiddelen, gevoed door een generator, waarvan de kortsluitstroom beperkt is tot 0,7 mA:

      • mag de door de generator geleverde energie niet groter zijn dan 300 mJ;

      • mag de door de elektroden geleverde energie niet groter zijn dan 0,25 mJ;

      • moet de spanning tussen de elektroden en eender welk geaard voorwerp naar nul neigen wanneer deze elementen elkaar benaderen;

      • moet het handvat van het toestel een geaard metalen gedeelte bevatten. Het moet eveneens voorzien zijn van een bedieningsinrichting die alleen het onder spanning brengen van de elektroden toelaat indien een bestendige actie met de hand uitgevoerd wordt;

    • voor de verstuivingsmiddelen gevoed door een generator waarvan de kortsluitstroom groter is dan 0,7 mA maar 4 mA niet overtreft:

      • moet de installatie automatisch werken;

      • moeten het verstuivingsmiddel en de elektrische voedingsleidingen onder hoogspanning zich in een ruimte bevinden die voorzien is van een doeltreffende ventilatie;

      • moet de aanwezigheid in die ruimte gedurende het aanbrengen van verf, verboden worden voor ieder persoon; de hoogspanningsvoeding mag alleen van buiten deze ruimte kunnen worden ingeschakeld en alleen indien de ventilatie verzekerd is;

      • moet de hoogspanningsvoeding automatisch afgeschakeld worden zodra de toegangsdeuren of luiken geopend worden of zodra de ruimte door een persoon betreden wordt;

      • moet het openen van de toegangsdeuren of -luiken of het betreden van de ruimte een signaal in werking stellen in de nabijheid van het bedieningsbord.

    • de gewone ruimten worden niet beschouwd als voor het publiek toegankelijke ruimten.

    De pistolen en andere verstuivingsmiddelen, gevoed door een generator waarvan de kortsluitstroom groter is dan 4 mA, zijn verboden.

  14. n.

    Hoogspanningsontstekingsinrichting van een stookoliebrander

    Indien de ontstekingsinrichting van een brander gevoed wordt via een transformator met gescheiden wikkelingen waarvan het middelpunt van de secundaire wikkeling geaard is en het vermogen niet groter is dan 100 VA, mag de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking verwezenlijkt worden door het buiten bereik stellen door middel van hindernissen. Nochtans mag het wegnemen van de hindernis slechts mogelijk zijn met behulp van gereedschap.

    Anderzijds, wanneer gebruik wordt gemaakt van een toestel met metalen of daarmee gelijkgesteld omhulsel overeenkomstig 4.2.2.1.b. , moet de beschermingsgraad, verwezenlijkt door het monteren van de brander op de warmtewisselaar, ten minste IPXX-B zijn.

  15. o.

    Hoogspanningsontstekingsinrichting van een gasbrander

    Indien de elektrische ontstekingsinrichting voor gas een vermogen heeft dat kleiner is dan 50 VA, mag de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking verwezenlijkt worden door het buiten bereik stellen door middel van hindernissen. In dit geval moet de beschermingsgraad ten minste IPXX-B zijn. Nochtans mag het wegnemen van de hindernis slechts mogelijk zijn met behulp van gereedschap.

    Indien gebruik gemaakt wordt van een transformator, dan moet hij gescheiden wikkelingen hebben.

  16. p.

    Verdeelinrichtingen waar men niet kan binnentreden

    1. p.1

      Beschermingsmaatregelen

      Verdeelinrichtingen waar men niet kan binnentreden mogen opgesteld worden in voor het publiek toegankelijke ruimten.

      De samenstellende delen van hun omhulsels mogen niet langs buiten kunnen gedemonteerd worden. De deur of deuren die zij omvatten worden gesloten door middel van een veiligheidsslot of van elke ander sluitsysteem dat ten minste dezelfde waarborgen biedt. Voor lage en zeer lage spanning is het toegelaten sloten te plaatsen die niet als veiligheidsslot beschouwd worden, op voorwaarde:

      • hetzij dat de slot op een minimumhoogte van 2,5 m ligt en dat vaste elementen in de buurt geen toegang tot het slot geven;

      • hetzij dat er een of meerdere inwendige schermen aanwezig zijn die een beschermingsgraad ten minste gelijk aan IPXX-B hebben, en die zo zijn aangebracht dat de actieve delen niet toevallig kunnen worden aangeraakt zolang de deur of deuren open zijn. Het scherm of de schermen zijn blijvend bevestigd en ze kunnen slechts gedemonteerd worden met behulp van gereedschap of een sleutel;

      • hetzij dat de verdeelinrichtingen in een ruimte van de elektrische dienst geïnstalleerd zijn.

      Bovendien zijn bij het openen van de deur of deuren de te nemen voorzorgen om de personen die de bediening of de sturing van de toestellen uitvoeren, te beschermen tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking, deze bepaald in 4.2.2.4.c. aangaande de exclusieve ruimten van de elektrische dienst.

    2. p.2

      Bediening of sturing

      Indien de sturing of de bediening van de toestellen langs buiten kan geschieden mag dit slechts gebeuren door middel van een speciale afneembare sleutel of een ander speciaal afneembaar hulpmiddel.

      Indien toestellen niet langs buiten kunnen bestuurd of bediend worden, mag dit alleen gebeuren door gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen.

4.2.3Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

4.2.3.1Principes van het voorkomen van elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd door:

  1. 1.

    het vermijden van een isolatiefout, die tot gevolg heeft dat de potentiaal van het actief deel, in contact met de isolatie, overgebracht wordt op genaakbare delen. Dit kan bekomen worden door:

    • een veilige constructie van het elektrisch materieel;

    • een passend onderhoud van het elektrisch materieel.

  2. 2.

    bovendien bijkomende beschermingsmaatregelen te nemen, hetzij naargelang het geval door:

    • het gebruik van elektrisch materieel van klasse II of met een daaraan gelijkwaardige veiligheid ( afdeling 2.4.3. en onderafdeling 4.2.3.3.b. );

    • het gebruik van geprefabriceerde schakel- en verdeelinrichtingen met een totale isolatie ( afdeling 2.4.2. en onderafdeling 4.2.3.3.b. );

    • het aanbrengen van een bijkomende isolatie op het elektrisch materieel bij het installeren ( afdeling 2.4.2. en onderafdeling 4.2.3.3.b. );

    • het aanbrengen van een versterkte isolatie op het elektrisch materieel bij het installeren ( afdeling 2.4.2. en onderafdeling 4.2.3.3.b. );

    • het gebruik van andere beschermings-maatregelen zonder onderbrekingsinrichting van de stroomtoevoer beperkt tot alleenstaande elektrische machines of toestellen met het doel hetzij:

      • de aanraking van de massa’s ongevaarlijk te maken door het gebruik van ZLVS ( onderafdeling 4.2.2.2. );

      • de aanraking van de massa’s ongevaarlijk te maken door het toepassen van de veiligheidsscheiding van de stroombanen ( onderafdeling 4.2.3.3.c. );

      • een gelijktijdige aanraking onmogelijk te maken van delen waartussen het potentiaalverschil een gevaarlijke waarde kan bereiken door het verwezenlijken van een plaatselijke niet-geaarde potentiaalvereffeningszone ( onderafdeling 4.2.3.3.d.2. ), door de verwijdering van de massa’s onderling evenals van de vreemde geleidende delen ( onderafdeling 4.2.3.3.d.3. ), door het plaatsen van doelmatige hindernissen tussen de massa’s en de vreemde geleidende delen ( onderafdeling 4.2.3.3.d.4. ) en/of door het isoleren van de andere massa’s en vreemde geleidende delen ( onderafdeling 4.2.3.3.d.5. );

    • het gebruik van beschermingsmaatregelen met automatische onderbrekingsinrichting die een verbinding vereisen van de massa’s met een beschermingsgeleider. Deze inrichting heeft werkings- karakteristieken die de veiligheidscurve eerbiedigen (zie tabel 2.4. in afdeling 2.4.1. ) rekening houdend met kenmerken van de foutlussen en met het geaarde netsysteem (zie afdeling 3.2.2. en onderafdeling 4.2.3.4. ).

    Indien verschillende beschermings-maatregelen gelijktijdig voorzien worden, mogen ze elkaar noch beïnvloeden noch tenietdoen.

    Indien de elektrische installatie gevoed wordt door energiebronnen in parallel, bijvoorbeeld het openbare distributienet en een autonome energiebron, is de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking verzekerd zowel in het geval dat de elektrische installatie gevoed wordt door alle energiebronnen in parallel als in het geval dat de elektrische installatie gevoed wordt door een enkele van deze energiebronnen. De goede werking van de beschermingstoestellen mag niet nadelig beïnvloed worden door gelijkstroomcomponenten die afkomstig zijn van statische omvormers of filters.

4.2.3.2Aardingsinstallatie

De aardingsinstallatie omvat:

  • de aardverbindingen;

  • de aardgeleiders;

  • de beschermingsgeleiders;

  • de eventuele (hoofd- en bijkomende) equipotentiale verbindingen.

De spreidingsweerstand van de beschermingsaardverbinding moet zo klein mogelijk zijn, ongeacht de bijkomende beschermingsmiddelen toegepast in de elektrische installaties.

Voor huishoudelijke installaties en de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel wordt de aardverbinding verwezenlijkt conform de voorschriften van onderafdeling 5.4.2.1 en haar spreidingsweerstand is lager dan 100 .

De technische voorwaarden die toelaten een gemeenschappelijke aardverbinding voor verscheidene huishoudelijke installaties te realiseren, worden in onderafdeling 5.4.2.1. bepaald.

Voor niet-huishoudelijke installaties en indien er een differentieelstroombeschermingsinrichting gebruikt wordt, voldoet de spreidingsweerstand van de aardverbinding aan de voorschriften van onderafdeling 4.2.4.4.d.

Wanneer een hoofdequipotentiale verbinding is opgelegd, moeten één of meer hoofdequipotentiale geleiders verbonden worden met de hoofdaardingsklem. Worden er mee verbonden:

  • metalen hoofdleidingen van gas (aardgas of gas in flessen) en water in het gebouw;

  • metalen hoofdleidingen van centrale verwarming en klimaatregeling;

  • genaakbare en vaste metalen delen van de constructie van het gebouw die een potentiaal kunnen overbrengen en die als massa beschouwd worden;

  • metalen delen van gelijk welke leiding die een potentiaal kunnen overbrengen en die als massa beschouwd worden.

Men verstaat onder één of meer hoofdequipotentiale geleiders:

  • hetzij één enkele geleider die de hierboven vermelde delen aan de hoofdaardingsklem verbindt, zonder de continuïteit van deze geleider te onderbreken;

  • hetzij de hierboven vermelde delen worden elk met een afzonderlijke geleider aan de hoofdaardingsklem verbonden, zonder de continuïteit van elke geleider te onderbreken.

Wanneer een bijkomende equipotentiale geleider wordt opgelegd verbindt hij plaatselijk:

  • alle metalen delen die gelijktijdig genaakbaar zijn, zowel massa’s van vaste machines en toestellen als vreemde geleidende delen;

  • de beschermingsgeleiders van alle elektrische machines en toestellen met inbegrip van deze gevoed via contactdozen.

De bijkomende equipotentiale verbinding mag verwezenlijkt worden hetzij met geleidende delen zoals metalen gebinten, hetzij met bijkomende geleiders, hetzij met een combinatie van beide.

De uitvoering van de elementen die deel uitmaken van de aardingsinstallatie wordt beschreven in hoofdstuk 5.4.

4.2.3.3Passieve bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking zonder automatische onderbreking van de voeding

  1. a.

    Bescherming door gebruik van zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS)

    De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verondersteld verzekerd te zijn door het gebruik van de zeer lage veiligheidsspanning wanneer:

    1. 1.

      de grootste spanning in geen enkel geval groter is dan de conventionele absolute spanningsgrenzen aangeduid in tabel « conventionele absolute spanningsgrens » in afdeling 2.4.1. , naargelang de toestanden van het menselijk lichaam;

    2. 2.

      deze veiligheidsspanning geleverd wordt door één van de bronnen aangeduid in 4.2.5.3.a.; 3. het elektrisch materieel en de installatie beantwoorden aan de voorschriften van de onderafdelingen 4.2.5.3. en 4.2.5.5.

  2. b.

    Bescherming door isolatie van het elektrisch materieel

    Deze maatregel heeft tot doel te vermijden dat genaakbare delen van elektrisch materieel op een gevaarlijke spanning zouden komen als gevolg van een fout in de basisisolatie:

    • hetzij door het gebruik van elektrisch materieel van de klasse II of met een gelijkwaardige veiligheid ( afdeling 2.4.3. );

    • hetzij door het gebruik van geprefabriceerde schakel- en verdeelinrichtingen die een totale isolatie hebben ( afdeling 2.4.2. );

    • hetzij door een bijkomende isolatie aan te brengen ( afdeling 2.4.2. ) op het elektrisch materieel dat enkel een basisisolatie heeft. Deze bijkomende isolatie wordt aangebracht bij de uitvoering van de elektrische installatie;

    • hetzij door de blanke actieve delen te bedekken met een versterkte isolatie ( afdeling 2.4.2. ). Deze isolatie wordt aangebracht bij de uitvoering van de elektrische installatie.

    Het installeren van het elektrisch materieel (bevestiging, verbinding van de geleiders...) moet zo geschieden dat de bescherming, verzekerd overeenkomstig de fabricatievoorschriften van dit materieel, niet in het gedrang komt.

    De geleidende delen binnen het omhulsel, met inbegrip van deze van het ingebouwd elektrisch materieel, mogen niet verbonden zijn met de beschermingsgeleider.

    De beschermingsgeleiders die de bescherming van elektrisch materieel verzorgen dat zich buiten het omhulsel bevindt maar gevoed wordt vanaf actieve delen, gelegen binnen het omhulsel mogen nochtans door dit omhulsel geleid worden. De klemmen voor dergelijke beschermingsgeleiders moeten op een gepaste wijze aangeduid zijn. In het omhulsel moeten de beschermingsgeleiders en de overeenkomstige klemmen geïsoleerd worden op dezelfde wijze als de actieve delen.

    De genaakbare, geleidende delen en de tussenliggende delen mogen niet verbonden worden aan een beschermingsgeleider, uitgezonderd indien dit voorzien wordt door constructieregels van het desbetreffend materieel.

  3. c.

    Bescherming door veiligheidsscheiding van de stroombanen

    1. c.1

      Algemeenheden

      Het doel van de elektrische scheiding van de stroombanen is het vermijden van elektrische schokken bij het aanraken van massa’s die onder spanning kunnen staan bij een fout van de basisisolatie van de actieve delen van deze stroombaan.

c.2.Voeding van elektrisch materieel

De stroombaan wordt gevoed door:

  • hetzij een beschermingstransformator. Deze transformator is van klasse II of voldoet aan de beschermingsvoorwaarde door bijkomende isolatie overeenkomstig afdeling 2.4.2. ;

  • hetzij een energiebron die een gelijkwaardige veiligheidsgraad biedt.

De nominale spanning van de stroombanen is niet hoger dan de laagspanning van eerste categorie.

De aldus gevoede stroombaan mag geen enkel gemeenschappelijk punt hebben noch met een andere stroombaan, noch met de aarde.

  1. c.3

    Uitgestrektheid van de stroombaan

    De uitgestrektheid van de stroombaan is zodanig dat het product van de spanning in V en de lengte van de elektrische leidingen in m niet groter is dan 100.000 en dat de totale lengte van de stroombaan niet groter is dan 500 m.

  2. c.4

    Verbinding van de massa’s met de aarde

    De massa’s van de elektrische machines en toestellen, op de stroombaan aangesloten, mogen niet opzettelijk verbonden worden noch met de aarde noch met de massa’s van elektrische machines en toestellen, gevoed door andere stroombanen.

    Wanneer meerdere elektrische machines of toestellen op eenzelfde stroombaan aangesloten zijn, worden hun massa’s onderling verbonden door een niet-geaarde beschermings- of potentiaalvereffeningsgeleider.

  3. c.5

    Potentiaalvereffening van de massa’s

    Wanneer de stroombaan meerdere contactdozen voedt, hebben deze een beschermingscontact. Om de potentiaalvereffening van de massa’s te verwezenlijken, worden deze beschermingscontacten onderling en eventueel met de massa van de energiebron verbonden, zonder geaard te zijn.

    Bij soepele elektrische leidingen bevat de mantel zowel de beschermingsgeleider – hier gebruikt als potentiaalvereffeningsgeleider – als de actieve geleiders.

  4. c.6

    Elektrische leidingen

    Indien niet kan vermeden worden dat de geleiders van de bedoelde stroombanen en van andere stroombanen ondergebracht worden in eenzelfde elektrische leiding, wordt gebruikgemaakt van meeraderige kabels zonder enige metalen mantel of van geïsoleerde geleiders geplaatst in leidingplaatsingssystemen uit isolerend materiaal. Deze geleiders en kabels voldoen aan de regels van goed vakmanschap met naleving van de voorschriften van onderafdeling 5.2.1.3. en zijn vervaardigd voor een toegekende spanning die ten minste gelijk is aan de hoogst voorkomende spanning. Elke stroombaan wordt beschermd tegen overstromen.

  5. c.7

    Beschermingstoestel gebruikt bij twee rechtstreekse fouten

    Wanneer eenzelfde energiebron meerdere elektrische machines of toestellen voedt, verzekert een beschermingsinrichting de onderbreking, binnen een tijd die ten hoogste gelijk is aan deze gegeven door de veiligheidscurve gedefinieerd in tabel 2.4. in afdeling 2.4.1. , in het geval van twee rechtstreekse isolatiefouten ten overstaan van twee verschillende massa’s en gevoed door twee actieve geleiders op verschillende elektrische potentiaal.

    1. d.

      Bescherming om een gelijktijdige aanraking van delen die op potentialen kunnen gebracht worden waarvan het verschil gevaarlijk is, onmogelijk te maken

  6. d.1

    Algemeenheden

    Deze beschermingsmaatregel is bedoeld om, bij een fout in de basisisolatie van de actieve delen een gelijktijdige aanraking te vermijden met delen die op potentialen kunnen gebracht worden waarvan het verschil gevaarlijk is.

    Deze bescherming bestaat in het nemen van de volgende maatregelen, hetzij afzonderlijk hetzij in combinatie:

    • het verwezenlijken van een plaatselijke niet-geaarde equipotentiale verbinding tussen massa’s en vreemde geleidende delen;

    • het verwijderen van de respectievelijke massa’s en vreemde geleidende delen evenals het verwijderen van de massa’s ten opzichte van elkaar;

    • het plaatsen van doeltreffende hindernissen tussen de massa’s onderling of tussen de massa’s en de vreemde geleidende delen;

    • het isoleren van de massa’s of van de vreemde geleidende delen.

  7. d.2

    Verwezenlijken van een plaatselijke niet-geaarde equipotentiale verbinding tussen massa’s en vreemde geleidende delen

    De massa’s en de vreemde geleidende delen die gelijktijdig genaakbaar zijn moeten onderling verbonden worden zodat, in geval van een fout, het behoud van een potentiaalverschil groter dan de absolute waarde van de conventionele spanningsgrens, bepaald in de tabel 2.3. in afdeling 2.4.1. , uitgesloten wordt.

    De op deze wijze verwezenlijkte equipotentiale verbindingen mogen niet in aanraking komen met de aarde, noch rechtstreeks noch via massa’s of vreemde, geleidende delen.

    Het gebruik van elektrisch materieel van de klasse 0 is verboden, uitgenomen dit van de klasse 0I op voorwaarde dat zijn massaklem verbonden wordt met de plaatselijke equipotentiale geleider.

    Schikkingen worden genomen om te vermijden dat vreemde geleidende delen of massa’s potentialen kunnen overdragen buiten de ruimte waar de maatregel is toegepast.

    Schikkingen moeten genomen worden om te beletten dat personen blootstaan aan een gevaarlijk potentiaalverschil bij het binnengaan of het verlaten van de bedoelde ruimte. Dit geldt namelijk in het geval van een geleidende vloer die van de grond geïsoleerd is maar verbonden met de equipotentiale verbinding van de ruimte.

  8. d.3

    Massa’s onderling verwijderen evenals van de vreemde geleidende delen

    De verwijdering van de massa’s onderling evenals van de vreemde geleidende delen wordt verwezenlijkt door het zodanig opstellen van de massa’s en de vreemde geleidende delen dat het onmogelijk wordt voor personen die zich in gewone omstandigheden bevinden, gelijktijdig in aanraking te kunnen komen hetzij met een massa of een vreemd geleidend deel hetzij met twee massa’s indien deze op verschillende potentialen kunnen gebracht worden.

    In dergelijke ruimten mag geen enkele beschermingsgeleider voorzien worden.

    Om de gewone omstandigheden te bepalen wordt rekening gehouden met de vorm en de afmetingen van de voorwerpen die gewoonlijk gebruikt worden op deze ruimten.

    Deze verwijdering wordt als voldoende beschouwd wanneer, binnen het genaakbaarheidsgabarit, deze horizontale afstand 2 m bedraagt en erbuiten 1,25 m.

  9. d.4

    Het plaatsen van doeltreffende hindernissen tussen de massa’s onderling of tussen de massa’s en de vreemde geleidende delen

    Deze hindernissen worden als doeltreffend beschouwd indien de te overbruggen afstand hierdoor wordt gebracht op de waarden aangegeven in d.3. hiervoor. Zij moeten degelijk bevestigd worden en moeten weerstaan aan de krachten die kunnen optreden. Zij mogen niet verbonden worden noch met de aarde noch met massa’s. In de mate van het mogelijke moeten ze bestaan uit isolerende stof.

  10. d.5

    Het isoleren van massa’s of van vreemde geleidende delen

    Deze maatregel is van toepassing op bepaalde massa’s of vreemde geleidende delen die zo geïnstalleerd zijn dat elke galvanische verbinding met andere massa of vreemde geleidende delen uitgesloten is.

    Deze elektrische scheiding bestaat ten minste uit het aanwenden van een isolerend stuk of deel.

    De genaakbare massa’s of vreemde geleidende delen, aldus beschermd door een isolatie, worden buiten beschouwing gelaten in het genaakbaarheidsgabarit. Het isolerend stuk of deel moet een voldoende mechanische sterkte hebben en moet weerstaan aan typeproeven met een proefspanning van ten minste 2000 V wisselspanning op industriële frequentie en dit gedurende één minuut. Onder normale omstandigheden van uitwendige invloeden mag dan de lekstroom niet groter zijn dan 1 mA.

    Figuur 4.1Bescherming die de gelijktijdige aanraking van delen die op potentialen kunnen gebracht worden waarvan het verschil gevaarlijk is, onmogelijk maakt (1)

    Afstanden in meter (1) Geleidend deel (2) Wand uit niet-isolerende stof maar geïsoleerd (3) Isolerende vloer

    Figuur 4.2Bescherming die de gelijktijdige aanraking van delen die op potentialen kunnen gebracht worden waarvan het verschil gevaarlijk is, onmogelijk maakt (2)

    Afstanden in meter
    (1) Geleidend deel
    (2) Hindernis (isolerende of geïsoleerde wand)
    (3) Isolerende vloer
    (4) Isolerend stuk

  11. d.6

    Bijkomende maatregelen

    De getroffen maatregelen moeten aangepast zijn aan de normaal te voorziene invloeden en behouden hun doeltreffendheid in de tijd. Er dient namelijk op gelet te worden dat de vochtigheid geen gevaar kan opleveren voor de eigen isolatie van de vloeren, de wanden en de hindernissen of voor hun isolerend vermogen ten overstaan van de aarde.

    Ze moeten eveneens de doeltreffende bescherming verzekeren aan beweegbare machines en toestellen indien hun gebruik voorzien wordt of mogelijk is.

4.2.3.4Actieve bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking door automatische onderbreking van de voeding

  1. a.

    Principe a.1.Algemeen

    Beschermingsmaatregelen met automatische onderbreking van de voeding vereisen de verbinding van de massa’s met een beschermingsgeleider evenals het gebruik van beschermingsinrichtingen waarvan de werkingskarakteristieken de veiligheidscurve bepaald in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. eerbiedigen.

    Indien de automatische onderbreking in niet-huishoudelijke installaties niet binnen de door de veiligheidscurve voorgeschreven tijden door de beschermingsinrichtingen kan worden verwezenlijkt, worden de volgende bijkomende maatregelen toegepast:

    • de passieve maatregelen vermeld in onderafdeling 4.2.3.3. , of

    • de verwezenlijking van een potentiaalvereffeningszone door gebruik van een bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding. Deze bijkomende potentiaalvereffeningsverbinding wordt gedimensioneerd zodat bij een massa- of aardfout de beschermingsinrichting (differentieel-stroombeschermingsinrichting of beschermingsinrichtingen tegen overstroom) afschakelt binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1.

    Bewakingstoestellen kunnen worden gebruikt om een signaal te geven bij een massa- of aardfout. Deze toestellen worden niet beschouwd als beschermingsinrichtingen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking.

    1. a.2

      Beschermingsinrichtingen en/of bewakingstoestellen

      De volgende beschermingsinrichtingen en/of bewakingstoestellen worden gebruikt:

      • beschermingsinrichtingen tegen overstroom;

      • differentieelstroombeschermings-inrichtingen;

      • beschermingsinrichtingen tegen foutspanning;

      • toestellen voor permanente isolatiebewaking;

      • differentieelstroomisolatiebewakings-toestellen;

      • bewakingstoestellen uitgerust met een technologie die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau verzekert als dit van de in het vierde en vijfde streepje bedoelde toestellen.

    2. a.3

      Verplichting van een beschermingsgeleider

      Het is niet toegelaten differentieelstroombschermingsinrichtingen aan te wenden als enig beschermingsmiddel tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking zonder gebruik te maken van een beschermingsgeleider, zelfs niet bij een differentieelstroom-beschermingsinrichting met een hoge of zeer hoge gevoeligheid.

      Wanneer een beschermingsinrichting tegen foutspanning gebruikt wordt, wordt deze zodanig geïnstalleerd dat de werking bij gevaarlijke foutspanningen verzekerd is. De beschermingsgeleider mag slechts verbonden worden met de massa’s van de elektrische machines en toestellen waarvan de voeding door de beschermingsinrichting dient te worden onderbroken. De hulpaardelektrode is elektrisch onafhankelijk van alle andere geaarde metalen delen, zoals metalen constructies, metalen buizen, metalen kabelmantels. Aan deze laatste voorwaarde wordt voldaan indien de hulpaardelektrode geplaatst wordt op een afstand van ten minste 15 m van andere aardverbindingen en dit bij afwezigheid van ondergrondse metalen structuren die de elektrische weerstand van het terrein over deze afstand zouden kunnen verminderen.

    3. a.4

      Verplichting van een hoofdpotentiaalvereffenningsverbinding

      In elk gebouw (zowel in de huishoudelijke installaties als de niet-huishoudelijke installaties) is de hoofdpotentiaalvereffenningsverbinding verplicht. Ze beantwoordt aan de voorschriften overeenkomstig onderafdeling 5.4.4.1. en houdt rekening met de voorschriften van onderafdeling 4.2.3.2.

  2. b.

    Beschermingsmaatregelen in elektrische installaties volgens een TN-netsysteem

    1. b.1

      Foutlus

      Elke rechtstreekse fout tussen een lijngeleider en de massa van het elektrisch materieel veroorzaakt een kortsluiting tussen deze lijngeleider en de beschermingsgeleider.

      Ten minste een van de volgende beschermingsinrichtingen worden gebruikt, namelijk:

      • beschermingsinrichtingen tegen overstroom;

      • differentieelstroombeschermings-inrichtingen;

      • beschermingsinrichtingen tegen foutspanning.

      Figuren 4.3. Foutlus in een TN-S-netsysteem in wisselstroom en in gelijkstroom

      1. (1)

        Massa

      2. (2)

        Aardverbinding van het net

      3. (3)

        Fout

        • Figuren 4.4. Foutlus in een TN-C-netsysteem in wisselstroom en in gelijkstroom

        Figuren 4.5. Foutlus in een TN-C-S-netsysteem in wisselstroom en in gelijkstroom

      4. (1)

        Massa

      5. (2)

        Aardverbinding van het net

      6. (3)

        Fout

        In het TN-C-netsysteem wordt de bescherming verzekerd door beschermingsinrichtingen tegen overstroom.

    2. b.2

      Toetsen van de veiligheidscurve

      De aanspreektijd van de beschermingsinrichting mag niet hoger zijn dan de tijd bepaald door de veiligheidscurve voor de te verwachten contactspanning.

      De in de eerste alinea bedoelde voorwaarde is vervuld wanneer voldaan is aan de volgende formule:

      Iₐ ≤ U₀ / Zₛ hierin is:

      Iₐ in A: aanspreekstroom van de beschermingsinrichting binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. ;

      U₀ in V: spanning van het net ten opzichte van de aarde;

      Zₛ in Ω: impedantie van de foutlus.

    3. b.3

      TN-C-netsysteem

      De geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL) heeft een doorsnede die ten minste 10 mm² in koper of 16 mm² in aluminium bedraagt, tenzij de nominale spanning van de stroombaan beperkt wordt tot de waarden van de conventionele absolute spanningsgrens UL vermeld in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1.

      Het TN-C netsysteem is verboden:

      1. 1.

        wanneer de geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL) gebruikt wordt in een eindstroombaan voor het overbrengen van elektrische energie naar een verbruiker gevoed door een lijngeleider en een geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL), tenzij de nominale spanning van de elektrische installatie beperkt wordt tot de waarden van de conventionele absolute spanningsgrens UL vermeld in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1. ;

      2. 2.

        in huishoudelijke installaties, gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel en elektrische installaties zonder gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personeel;

      3. 3.

        in ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloeden BE2 en/of BE3 en/of CA2;

      4. 4.

        voor de toegekende stroombaan van een laadinrichting van elektrische voertuigen;

      5. 5.

        in tijdelijke, mobiele of verplaatsbare elektrische installaties.

    4. b.4

      TN-C-S-netsysteem

      Wanneer de geaarde actieve geleider (PEN, PEM of PEL) vanaf een punt in het net wordt gesplitst volgens zijn twee functies van enerzijds N-, M-, L, L+- of L--geleider en anderzijds beschermingsgeleider, is het verboden om deze geleiders stroomafwaarts van dit punt opnieuw met elkaar te verbinden.

      De splitsing wordt zodanig uitgevoerd dat een rechtstreekse en blijvende verbinding van de gemeenschappelijke geleider met de beschermingsgeleider verzekerd is.

    5. b.5

      Gebruik van differentieelstroombeschermingsinrichtingen in een TN-(C)-S-netsysteem

      Indien bij bepaalde elektrische toestellen of delen van elektrische installaties een of meerdere voorheen vermelde voorwaarden niet geëerbiedigd worden, worden deze toestellen of delen van installaties beschermd door een differentieelstroombeschermingsinrichting.

      Bij aanwending van deze inrichting is het toegelaten de massa’s niet te verbinden met de beschermingsgeleider van het net wanneer zij verbonden zijn met een aardverbinding waarvan de weerstand aangepast is aan de differentiële aanspreekstroom van de differentieelstroombeschermingsinrichting.

      De stroombaan die door deze differentieelstroombeschermingsinrichting beschermd wordt, wordt dan beschouwd als het TT-netsysteem en de beschermingsmaatregelen die vermeld zijn in het hierna vermeld punt c., worden toegepast.

  3. c.

    Beschermingsmaatregelen in elektrische installaties volgens een TT-netsysteem

    1. c.1

      Foutlus

      De aarde is meestal een deel van de foutlus, waardoor een feitelijke elektrische verbinding ontstaat tussen de aardverbindingen van de massa’s van de elektrische installatie en deze van het net.

      De foutstromen tussen een lijngeleider en een massa van de elektrische installatie of de aarde, worden beperkt door de impedantie van de foutlus en hebben een lagere waarde dan de kortsluitstromen.

      Figuren 4.6. Foutlus in een TT-netsysteem in wisselstroom en in gelijkstroom

      1. (2)

        Aardverbinding van het net (Rn)

      2. (3)

        Fout

      3. (4)

        Aardverbinding van de massa (RE)

        Ten minste een van de volgende beschermingsinrichtingen worden gebruikt, namelijk:

        • beschermingsinrichtingen tegen overstroom;

        • differentieelstroombeschermings-inrichtingen;

        • beschermingsinrichtingen tegen foutspanning.

    2. c.2

      Toetsen van de veiligheidscurve

      De aanspreektijd van de beschermingsinrichting mag niet hoger zijn dan de tijd bepaald door de veiligheidscurve voor de te verwachten contactspanning.

      De in de eerste alinea bedoelde voorwaarde is vervuld wanneer voldaan is aan de volgende formule:

      Iₐ ≤ U₀ / Zₛ hierin is:

      Iₐ in A: aanspreekstroom van de beschermingsinrichting binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. ;

      U₀ in V: spanning van het net ten opzichte van de aarde;

      Zₛ in Ω: impedantie van de foutlus.

      Bij gebruik van een differentieelstroombeschermingsinrichting als automatische onderbreking van de voeding, is de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde vervuld wanneer voldaan is aan de volgende formule:

      I∆n × RE ≤ UL hierin is:

      RE in Ω: spreidingsweerstand van de aardverbinding van de massa’s van de elektrische installatie; UL in V: conventionele absolute spanningsgrens bepaald in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1. ;

      I∆n in A: toegekende differentiële aanspreekstroom van de beschermingsinrichting.

      De toegekende differentiële aanspreekstroom I∆n en de spreidingsweerstand van de aardverbinding RE worden vastgelegd:

      • voor huishoudelijke installaties en gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel in de onderafdelingen 4.2.3.2. , 4.2.4.3.b. en 4.2.4.4.e. ;

      • voor niet-huishoudelijke installaties in onderafdeling 4.2.4.4.d. ;

      • voor bijzondere installaties en ruimten in deel 7 .

      Bij gebruik van een beschermingsinrichting tegen overstroom als automatische onderbreking van de voeding, is de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde vervuld wanneer voldaan is aan de volgende formule:

      Iₐ ≤ U₀ / Zₛ hierin is:

      Iₐ in A: aanspreekstroom van de beschermingsinrichting binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. ;

      U₀ in V: spanning van het net ten opzichte van de aarde;

      Zₛ in Ω: impedantie van de foutlus.

    3. c.3

      Installatie van de differentieelstroombeschermingsinrichting

      Alle massa’s beschermd door eenzelfde differentieelstroombeschermingsinrichting worden met dezelfde aardverbinding verbonden.

      De geaarde actieve geleider mag stroomafwaarts van de differentieelstroombeschermingsinrichting niet geaard worden.

    4. c.4

      Bescherming van de nulgeleider

      Indien in de beschouwde stroombaan geen differentieelstroombeschermingsinrichting aanwezig is, wordt een overstroomdetectie voorzien in de nulgeleider behalve in de bijzondere gevallen vermeld in onderafdeling 4.4.4.4.

      Deze overstroomdetectie veroorzaakt de onderbreking van de voeding, de nulgeleider inbegrepen.

  4. d.

    Beschermingsmaatregelen in elektrische installaties volgens een IT-netsysteem

    1. d.1

      IT-netsysteem

      Ten minste een van de volgende inrichtingen of toestellen worden gebruikt, namelijk:

      • beschermingsinrichtingen tegen overstroom;

      • differentieelstroombeschermings-inrichtingen;

      • beschermingsinrichtingen tegen foutspanning;

      • toestellen voor permanente isolatiebewaking, die kunnen worden gecombineerd met een isolatiefoutzoeksysteem;

      • differentieelstroomisolatiebewakings-toestellen;

      • bewakingstoestellen uitgerust met een technologie die ten minste een gelijkwaardig bewakingsniveau verzekert als dit van de in het vierde en vijfde streepje bedoelde toestellen.

      De eventuele nulgeleider wordt op dezelfde wijze geïsoleerd en geplaatst als een lijngeleider.

      Het elektrische materieel, gevoed tussen lijn- en nulgeleider, zodanig gekozen dat zijn isolatie ten minste overeenstemt met de spanning tussen de lijngeleiders.

    2. d.2

      Te nemen maatregelen in geval van een eerste massa- of aardfout

      De automatische onderbreking van de voeding is niet verplicht bij een eerste rechtstreekse fout tussen een lijngeleider en een massa of de aarde, mits voldaan wordt aan de volgende formule:

      Id × RE ≤ UL hierin is:

      RE in Ω: spreidingsweerstand van de aardverbinding van de massa’s van de elektrische installatie; UL in V: conventionele absolute spanningsgrens bepaald in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1. ; Id in A: foutstroom bij een eerste rechtstreekse fout tussen een lijngeleider en een massa of de aarde en houdt rekening met de lekstroom en de globale aardingsimpedantie van de elektrische installatie.

      Indien voldaan wordt aan de in de eerste alinea bedoelde voorwaarde, wordt een permanente bewaking voorzien om het bestaan van de eerste massa- of aardfout te melden. Deze bewaking wordt verzekerd door:

      • hetzij een toestel voor permanente isolatiebewaking;

      • hetzij een differentieelstroomisolatiebewakingstoestel;

      • hetzij een bewakingstoestel uitgerust met een technologie die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau verzekert als dit van voormelde toestellen.

      Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen.

      De tweede alinea is niet van toepassing op de elektrische installaties waarvan de nominale spanning lager is dan of gelijk aan de in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1. bedoelde conventionele absolute spanningsgrens.

      Indien een stroombaan wordt toegevoegd op een elektrische installatie volgens een IT-netsysteem en deze door eenzelfde energiebron wordt gevoed, zijn de voorschriften van punt d.2. van toepassing op het geheel van deze elektrische installatie.

      1. (2)

        Aardverbinding van het net (Rn)

      2. (3)

        Impedantie

      3. (4)

        Aardverbinding van de massa (RE)

      4. (5)

        Eerste massa- of aardfout

      5. (6)

        Lekcapaciteit

      6. (7)

        Toestel voor permanente isolatiebewaking

    3. d.3

      Te nemen maatregelen in geval van twee massa- of aardfouten

      Nadat een eerste massa- of aardfout is opgetreden, zijn de voorwaarden voor automatische onderbreking van de voeding bij een tweede massa- of aardfout die optreedt bij een andere actieve geleider, als volgt:

      1. a)

        Indien de massa's gezamenlijk worden verbonden met eenzelfde aardverbinding (zie figuren 4.8. ), zijn de voorwaarden van het TN-netsysteem van toepassing. Indien de nulgeleider niet is verdeeld in het ITnetsysteem en bij aanname dat de impedanties van de stroombanen met elk één massa- of aardfout gelijk zijn, wordt voldaan aan de volgende formule:

        Iₐ ≤ U/(2 x Zₛ)

        Indien de nulgeleider is verdeeld in het IT-netsysteem en bij aanname dat de impedanties van de stroombanen met elk één massa- of aardfout gelijk zijn, wordt voldaan aan de volgende formule:

        hierin is:

        Iₐ in A: aanspreekstroom van de beschermingsinrichting binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. ;

        U in V: spanning tussen de lijngeleiders;

        • U₀ in V: spanning tussen de lijngeleider en de nulgeleider;

        • Zₛ in Ω: impedantie van de stroombaan met één isolatiefout (lijngeleider en beschermingsgeleider van de stroombaan);

        • Z′ₛ in Ω: impedantie van de stroombaan met één isolatiefout (nulgeleider en beschermingsgeleider van de stroombaan).

      2. b)

        Indien de massa's worden geaard, hetzij individueel, hetzij in groepen, hetzij gezamenlijk (zie figuren 4.9. ), zijn de voorwaarden van het TT-netsysteem van toepassing.

        Bij gebruik van een differentieelstroom-beschermingsinrichting als automatische onderbreking van de voeding, wordt voldaan aan de volgende formule:

        I∆n × RE ≤ UL hierin is:

        RE in Ω: spreidingsweerstand van de aardverbinding van de massa’s van de elektrische installatie;

        UL in V: conventionele absolute spanningsgrens bepaald in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1. ;

        I∆n in A: toegekende differentiële aanspreekstroom van de beschermingsinrichting.

        De toegekende differentiële aanspreekstroom I∆n en de spreidingsweerstand van de aardverbinding RE worden vastgelegd:

        • voor huishoudelijke installaties en gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel in de onderafdelingen 4.2.3.2. , 4.2.4.3.b. en 4.2.4.4.e. ;

        • voor niet-huishoudelijke installaties in onderafdeling 4.2.4.4.d. ;

        • voor bijzondere installaties en ruimten in deel 7.

        Bij gebruik van een beschermingsinrichting tegen overstroom als automatische onderbreking van de voeding, wordt voldaan aan de volgende formule:

Iₐ ≤ U₀ / Zₛ
hierin is:

Iₐ in A: aanspreekstroom van de beschermingsinrichting binnen de tijd bepaald door de veiligheidscurve vermeld in tabel 2.4. van afdeling 2.4.1. ;

U₀ in V: spanning van het net ten opzichte van de aarde;

Zₛ in Ω: impedantie van de foutlus.

Figuren 4.8. IT-netsysteem (twee massa- of aardfouten met verbonden massa’s) in wisselstroom en in gelijkstroom

  1. (1)

    Massa

  2. (2)

    Aardverbinding van het net (Rn)

  3. (3)

    Impedantie (al dan niet geïnstalleerd)

  4. (4)

    Aardverbinding van de massa (RE)

  5. (5)

    Eerste massa- of aardfout

  6. (6)

    Tweede massa- of aardfout

  7. (7)

    Toestel voor permanente isolatiebewaking

  8. (2)

    Aardverbinding van het net (Rn)

  9. (3)

    Impedantie (al dan niet geïnstalleerd)

  10. (4)

    Aardverbinding van de massa (RE)

  11. (5)

    Eerste massa- of aardfout

  12. (6)

    Tweede massa- of aardfout

  13. (7)

    Toestel voor permanente isolatiebewaking

    De figuren 4.8. en 4.9. zijn van toepassing zowel voor het IT-netsysteem dat geïsoleerd is van de aarde of verbonden is met de aarde via een impedantie.

    1. e.

      Overgangsbepalingen

      In afwijking van de punten b.3. en d.2. kan onderafdeling 6.5.8.2. , 5. toegepast worden op de projecten of de werkzaamheden waarvan de uitvoering ter plaatse werd aangevangen vóór 01/04/2026, op voorwaarde dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname plaatsvindt vanaf 01/04/2026 . Het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname wordt door de aanvrager van de controle op de hoogte gesteld van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.2. , 5. Het erkend organisme maakt melding van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.2. , 5. In het controleverslag.

4.2.4Aanwending van beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

4.2.4.1Toepassingsgebied

  1. a.

    Algemeenheden

    Met uitzondering van gevallen, vermeld in het hiernavolgende punt b. , worden de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking steeds vereist wanneer een persoon gelijktijdig kan aanraken:

    • hetzij een massa en een vreemd geleidend deel;

    • hetzij een massa en een niet-isolerende wand of vloer;

    • hetzij een massa en de aardpotentiaal;

    • hetzij twee massa’s.

    De toe te passen regels voor huishoudelijke installaties worden vermeld in onderafdeling 4.2.4.3.

    In niet-huishoudelijke installaties zijn de na te volgen regels bepaald in onderafdeling 4.2.4.4.

    Voor bijzondere gevallen, zoals zwembaden, toestellen voor onderwaterverlichting, therapeutische badinrichtingen, sauna’s, collectieve stortbadzalen, enge geleidende ruimten, buiten- of werfinstallaties, voeding van auto’s of aanhangwagens voor wegvervoer, kampeerwagens, kampeerauto’s..., tijdens het stationeren, foorinstallaties, worden de na te volgen regels gegeven in deel 7.

  2. b.

    Uitzonderingen

    Geen enkele bijzondere beschermingsmaatregel moet genomen worden in volgende gevallen:

    1. 1.

      bij installaties waarvan de actieve delen van het elektrisch materieel, blank mogen blijven in het kader van de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking;

    2. 2.

      voor zichtbare metalen buizen, voor zover de er in getrokken geleiders een bijkomende isolatie hebben en ze geklasseerd zijn hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een veiligheid gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ).

    3. 3.

      bij draagijzers, steunen en ermede verbonden metalen delen, wanneer de spanning 500 V wisselspanning of 750 V gelijkspanning niet overschrijdt en ze zich niet binnen het genaakbaarheidsgabarit bevinden;

    4. 4.

      voor elektromagneten van contactoren of relais, transformatorkernen en voor magnetische onderdelen van uitschakelaars voor zover deze delen massa’s zijn;

4.2.4.2Uitwendige invloeden

Drie soorten uitwendige invloeden moeten in acht genomen worden om de keuze van elektrisch materieel en de te treffen beschermingsmaatregelen te rechtvaardigen in functie van de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking, te weten:

  • de uitwendige invloed van de huidvochtigheid op de elektrische weerstand van het menselijk lichaam (BB: zie tabel 2.3. );

  • de aanraking van personen met de aardpotentiaal (BC: zie afdeling 2.10.13.);

  • de aanwezigheid van water (AD: zie afdeling 2.10.3. ).

4.2.4.3Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking in huishoudelijke installaties

Gewijzigd sinds 01/11/2026 (K.B. 13.08.2026, versie 07). Versie 07 lezen

  1. a.

    Elektrisch materieel

    Het gebruik van elektrische machines of toestellen van de klasse 0 en 0I is verboden. De massa’s van elektrisch laagspanningsmaterieel van de klasse I worden verbonden met de beschermingsgeleider van de elektrische voedingsleiding.

    Het gebruik van fittingen, die voldoen aan de voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of die beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als die bepaald in deze normen, is toegelaten om een verlichtingspunt te voeden, in afwachting van het definitieve verlichtingstoestel om de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname uit te voeren.

  2. b.

    Bescherming van stroombanen in het algemeen

    Ten minste een differentieelstroombeschermingsinrichting met een differentiële aanspreekstroom van ten hoogste 300 mA wordt aan het begin van de elektrische installatie aangebracht. Deze differentieelstroombescherming(en) garandeert (garanderen) de scheidingsfunctie overeenkomstig punt a.3. van onderafdeling 5.3.3.1.

    In afwijking van de 1ste alinea, mag (mogen) de differentieelstroombeschermingsinrichting(en) in het algemene schakel- en verdeelbord worden geplaatst, op voorwaarde dat de elektrische voedingsleiding van het algemene schakel- en verdeelbord geklasseerd is hetzij als elektrische leiding van de klasse II hetzij als elektrische leiding met een voldoende isolatie gelijk aan deze van de klasse II (zie afdeling 2.7.1. ).

    Gepaste maatregelen verzekeren de ongenaakbaarheid van de ingangsklemmen van de in de 1ste alinea bedoelde differentieelstroombeschermingsinrichting(en). Het blijvend karakter van deze ongenaakbaarheid wordt verwezenlijkt door verzegeling uitgevoerd door de persoon die volgens afdeling 6.4.1. belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname.

    In het geval van een belangrijke wijziging of belangrijke uitbreiding in een oude huishoudelijke elektrische installatie bedoeld in deel 8 , wordt het geheel van de elektrische installatie door ten minste een in de 1ste alinea vereiste differentieelstroombeschermingsinrichting beschermd.

    Onmiddellijk stroomafwaarts van de beschermingsinrichting aangebracht aan het begin van de elektrische installatie, wordt ten minste een differentieelstroombeschermingsinrichting met een grote of zeer grote gevoeligheid geplaatst waarop ten minste de volgende stroombanen worden aangesloten:

    1. 1.

      de contactdozen die niet bestemd zijn voor de voeding van de vaste of vast opgestelde toestellen en machines;

    2. 2.

      de verlichting;

    3. 3.

      de ruimten die een bad en/of een douche bevatten zoals bedoeld in hoofdstuk 7.1. ;

    4. 4.

      de wasmachines, de droogkasten en de afwasmachines.

      Het is toegelaten om maximaal 8 eindstroombanen per voormelde differentieelstroombeschermingsinrichting te plaatsen.

      De stroombanen, die in de volgende alinea worden bedoeld, mogen onmiddellijk stroomafwaarts van de differentieelstroombeschermingsinrichting die aan het begin van de elektrische installatie wordt aangebracht, worden aangesloten.

      De voorschriften van de 5de alinea zijn niet van toepassing op de eventuele bijkomende differentieelstroombeschermingsinrichtingen aangebracht in het begin van de elektrische installatie waarop er per stroombaan of groep van stroombanen mogen worden aangesloten:

    5. 1.

      de vaste of vast opgestelde toestellen en machines zoals de koeltoestellen, de elektrische fornuizen, de elektrische verwarmingsinstallaties;

    6. 2.

      de contactdozen gevoed via een individuele beschermingstransformator;

    7. 3.

      elke andere stroombaan die niet in de 5de alinea wordt bedoeld.

      Indien de elektrische verwarming uitgevoerd wordt door middel van weerstanden, verzonken in wanden gevoed op een spanning hoger dan 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel of 60 V gelijkspanning zonder rimpel, wordt de elektrische verwarmingsinstallatie uitgerust met een afzonderlijke differentieelstroombeschermingsinrichting met een differentiële aanspreekstroom van ten hoogste 100 mA.

      Indien de spreidingsweerstand van de aardverbinding hoger is dan 30 ohm, worden er ten minste twee in de 5de alinea bedoelde differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een grote of zeer grote gevoeligheid voorzien. Elke differentieelstroombeschermingsinrichting bevat ten hoogste zestien enkelvoudige of meervoudige contactdozen. Een vast toestel of een geheel van vaste toestellen bediend door een gemeenschappelijk bedieningstoestel wordt gelijkgesteld met een contactdoos. Om de stroombanen te beschermen die in de 8ste alinea worden bedoeld, worden de differentieelstroombeschermingsinrichtingen, die aan het begin van de elektrische installatie worden aangebracht, aangevuld met ten minste eenn differentieelstroombeschermingsinrichting met een differentiële aanspreekstroom van ten hoogste 100mA per stroombaan of groep van stroombanen.

      De bescherming door middel van een veiligheidsscheiding van de stroombanen, overeenkomstig de voorschriften van punt c. van onderafdeling 4.2.3.3. , is niet voor de voeding van meer dan één elektrisch toestel per eindstroombaan toegelaten.

      Het is toegelaten dat de stroombanen van de ruimten die een bad en/of een douche bevatten, ook elektrisch materieel van andere ruimten van de huishoudelijke installatie voeden.

      De toepassing van punt 1 van onderafdeling 6.5.8.1. is toegelaten op de elektrische installaties en de belangrijke wijzigingen of uitbreidingen waarvan de uitvoering van het project of de werkzaamheden is aangevangen vóór 01/06/2023, op voorwaarde dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname zal plaatsvinden vanaf 01/06/2023. Het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname wordt op de hoogte van de toepassing van punt 1 van onderafdeling 6.5.8.1. gesteld. Het erkend organisme maakt melding van de toepassing van punt 1 van onderafdeling 6.5.8.1. in het controleverslag.

      De figuren 4.10. en 4.11. geven ter verduidelijking twee toegelaten configuraties weer. Deze zijn niet limitatief:

      Figuur 4.10Voorbeeld van configuratie met een spreidingsweerstand van de aardverbinding lager dan of gelijk aan 30 ohm
      Figuur 4.11Voorbeeld van configuratie met een spreidingsweerstand van de aardverbinding hoger dan 30 ohm

4.2.4.4Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking in niethuishoudelijke installaties

De volgende voorschriften zijn van toepassing in de niet-huishoudelijke installaties.

  1. a.

    Droge ruimten met niet-geleidende vloeren en wanden

    In de droge ruimten (AD1) met niet-geleidende vloeren en wanden (BC1) mogen de bijzondere voorschriften van 4.2.3.3.d. toegepast worden.

  2. b.

    Andere ruimten

    In ruimten, andere dan droge ruimten met niet-geleidende vloeren en wanden, zijn de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking:

    • hetzij actieve maatregelen overeenkomstig onderafdeling 4.2.3.4. naargelang het geaarde netsysteem;

    • hetzij, voor bepaalde plaatsen of materieel, andere beschermingsmaatregelen zoals:

      • gebruik van materieel van de klasse II ( afdeling 2.4.3. ) of met een veiligheid gelijkwaardig met deze van toestellen van de klasse II;

      • veiligheidsscheiding van de stroombanen ( 4.2.3.3.c.);

      • zeer lage veiligheidsspanning ( 4.2.3.3.a en onderafdelingen 4.2.5.3. en 4.2.5.5. ) ;

      • de bijzondere schikkingen van 4.2.3.3.d.

  3. c.

    Vochtige ruimten waar de elektrische weerstand van het menselijk lichaam vermindert of zeer klein is (BB3)

    De vochtige ruimten waar de elektrische weerstand van het menselijk lichaam vermindert of zeer klein is (BB3) zijn gekenmerkt door de gelijktijdige aanwezigheid van volgende uitwendige invloeden:

    • de aanwezigheid van water is gekenmerkt door de uitwendige invloeden AD6 (inwerking van watermassa’s), AD7 (overstroming) of AD8 (onderdompeling);

    • de contacten met de aardpotentiaal zijn frequent (BC3) of blijvend (BC4).

    In al deze gevallen is enkel het gebruik van de zeer lage veiligheidsspanning toegelaten. De spanning moet begrensd zijn tot 12 V wisselspanning, 18 V gelijkspanning met rimpel of 30 V gelijkspanning zonder rimpel. Nochtans worden grotere spanningen toegelaten in geleidende ruimten voor zekere bijzondere toepassingen, overeenkomstig de voorschriften van hoofdstuk 7.6 .

  4. d.

    Gebruik van een differentieelstroombeschermingsinrichting

    Bij gebruik van een differentieelstroombeschermingsinrichting, is de spreidingsweerstand van de aardverbinding niet hoger dan 500 Ω voor droge en niet-geleidende ruimten (AD1, BB1 en BC1) en 250 Ω voor andere ruimten (AD2 tot AD5, BC2 en BB2).

    De gevoeligheid van de differentieelstroombeschermingsinrichting wordt berekend volgens de volgende formule:

    I∆n × RE ≤ UL hierin is:

    I∆n in A: toegekende differentiële aanspreekstroom van de beschermingsinrichting; RE in Ω: spreidingsweerstand van de aardverbinding van de massa’s van de elektrische installatie; UL in V: conventionele absolute spanningsgrens vermeld in tabel 2.3. van afdeling 2.4.1.

  5. e.

    Gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel

    De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking van onderafdeling 4.2.4.3. in huishoudelijke installaties is van toepassing.

    Het is toegelaten in afwijking van de 1ste alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. , om de differentieelstroombeschermingsinrichting niet aan het begin van de elektrische installatie voor de veiligheidsstroombanen (zie hoofdstuk 5.5. ) en de kritische stroombanen (zie hoofdstuk 5.6. ) van de gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel te plaatsen.

    De toepassing van punt 2 van onderafdeling 6.5.8.2. is toegelaten op de elektrische installaties en de belangrijke wijzigingen of uitbreidingen waarvan de uitvoering van het project of de werkzaamheden is aangevangen vóór 01/06/2023, op voorwaarde dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname zal plaatsvinden vanaf 01/06/2023. Het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname wordt op de hoogte van de toepassing van punt 2 van onderafdeling 6.5.8.2. gesteld. Het erkend organisme maakt melding van de toepassing van punt 2 van onderafdeling 6.5.8.2. in het controleverslag.

4.2.4.5Potentiaalverspreiding ten gevolge van een isolatiefout in een elektrische hoogspanningsinstallatie

Maatregelen worden genomen om te vermijden dat, ten gevolge van een isolatiefout in een elektrische hoogspanningsinstallatie, de potentiaalverspreiding via actieve geleiders, via de aardingsinstallatie of via aan de elektrische installatie verbonden vreemde geleidende delen, aanleiding zou kunnen geven tot gevaarlijke contactspanningen in de elektrische installatie op LS en op ZLS.

De voorschriften van afdeling 4.2.4. van Boek 2 zijn van toepassing.

4.2.5Beschermingsmaatregelen op zeer lage spanning

4.2.5.1Voeding op zeer lage spanning (ZLS)

De zeer lage spanning wordt geleverd:

  1. 1.

    hetzij door autonome energiebronnen, zoals:

    • elektrochemische energiebronnen (vb. accumulatorbatterijen); ofwel

    • andere autonome energiebronnen waarvan de voeding niet van elektrische aard is;

  2. 2.

    ## hetzij vanaf een elektrische installatie door middel van toestellen met elektrisch gescheiden wikkelingen, op voorwaarde dat deze toestellen:

    • scheidingstransformatoren zijn;

      • inrichtingen zijn die een veiligheidsniveau hebben dat gelijkwaardig is aan dit van scheidingstransformatoren;

    • zodanig ontworpen zijn dat bij een fout tussen de primaire en de secundaire wikkeling vermeden wordt:

      • dat hetzij de massa’s van elektrisch materieel op zeer lage spanning onder een niet-veilige contactspanning komen door bij dit materieel de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking toe te passen overeenkomstig 4.2.3.3.b., 4.2.3.3.c. en 4.2.3.3.d .;

      • dat hetzij een niet-veilige contactspanning behouden blijft op de massa’s van elektrisch materieel op zeer lage spanning gedurende een tijd die de maximale duur, aangehaald in tabel 2.4. overtreft door deze massa’s te verbinden met de beschermingsgeleider van de primaire stroombaan en door, voor dit materiaal, de beschermingsmaatregelen overeenkomstig de onderafdeling 4.2.3.4. toe te passen;

  3. 3.

    hetzij door elektronische inrichtingen, waarbij constructieve maatregelen genomen zijn om te voorkomen dat, zelfs in geval van een inwendig defect van deze inrichtingen, de spanning aan de uitgangsklemmen niet hoger kan worden dan de conventionele absolute spanningsgrens bepaald in tabel 2.3. Hogere spanningswaarden zijn nochtans toegelaten wanneer, bij rechtstreekse of onrechtstreekse aanraking, deze spanning wordt herleid tot de conventionele absolute spanningsgrenzen binnen een tijd bepaald door de conventionele relatieve spanningsgrenzen bepaald in tabel 2.4.

    De nominale spanning van deze energiebronnen op zeer lage spanning, met uitzondering van de bronnen vermeld in het punt 3. hiervoor, mag niet groter zijn dan de waarden bepaald in afdelingen 2.3.2. en 2.3.3.

4.2.5.2Elektrische installaties op zeer lage functionele spanning (ZLFS)

  1. a.

    Algemeenheden

    1. a.1

      Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

      De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking dient te worden verzekerd:

      • hetzij door omhulsels of schermen met een minimum beschermingsgraad van IPXX-B;

      • hetzij door isolatie, ontworpen voor een testspanning van 1500 V op industriële frequentie gedurende 1 minuut;

      • hetzij door verwijdering.

    2. a.2

      Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

      Bij een isolatiefout tussen het voedend net en het ZLFS-net en bij een fout in het ZLFS-net moet vermeden worden dat de massa’s van het elektrisch materieel op zeer lage spanning onder een niet-veilige contactspanning komen:

      • hetzij gedurende een tijd die de maximale duur bepaald door de conventionele relatieve spanningsgrenzen overtreft door toepassing van de beschermingsmaatregelen vermeld in onderafdeling 4.2.3.4. ;

      • hetzij door toepassing van de beschermingsmaatregelen vermeld in 4.2.3.3.b., 4.2.3.3.c. en 4.2.3.3.d .

    3. a.3

      Bescherming tegen thermische invloeden en tegen overstroom

      De voorschriften van hoofdstuk 4.3. «Bescherming tegen thermische invloeden» en van hoofdstuk 4.4. « Elektrische bescherming tegen overstroom» blijven onverminderd van toepassing. Meer bepaald moeten maatregelen worden genomen om te verhinderen dat bij normaal bedrijf of wegens een fout een gevaarlijke lek- of foutstroom blijft bestaan, in het bijzonder bij het gebruik van toestellen van klasse I.

  2. b.

    Stopcontacten

    De stopcontacten op ZLFS moeten voldoen aan volgende voorschriften:

    • de contactstoppen mogen niet in contactdozen kunnen gestoken worden die gevoed worden op een andere spanning;

    • de contactdozen beletten het inbrengen van contactstoppen voor andere voedingen dan de ZLFS.

4.2.5.3Elektrische installaties op zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) en op zeer lage beschermingsspanning (ZLBS)

  1. a.

    Energiebronnen

    De ZLVS en de ZLBS mogen enkel geleverd worden door één van de energiebronnen op zeer lage spanning aangehaald:

    • hetzij in punt 1. van onderafdeling 4.2.5.1. ;

    • hetzij in de eerste twee streepjes van punt 2. van onderafdeling 4.2.5.1 ., waarbij deze toestellen een scheidingsniveau hebben gelijkwaardig aan dit van een veiligheidstransformator;

    • hetzij in punt 3. van onderafdeling 4.2.5.1. , waarbij de hogere spanningswaarde bedoeld in het tweede lid slechts toegelaten is voor ZLBS.

    Indien de elektrische installatie op zeer lage veiligheidsspanning gevoed wordt door gelijkspanning, bekomen door één of meer gelijkrichters, is de conventionele absolute spanningsgrens toepasselijk op de uitgang van de transformator en dit zonder afbreuk te doen aan de voorschriften van de afdelingen 2.3.2. en 2.3.3. met betrekking tot gelijkspanning.

    De verplaatsbare energiebronnen zoals de veiligheidstransformatoren of de elektromotor-generatorgroepen zijn gekozen of geïnstalleerd overeenkomstig de voorschriften betreffende de beschermingsmaatregelen inzake het gebruik van materieel van de klasse II of daaraan gelijkwaardig.

  2. b.

    Actieve delen

    De actieve delen van de stroombanen op ZLVS en ZLBS zijn fysisch gescheiden t.o.v. elkaar en t.o.v. andere stroombanen.

    Maatregelen zijn genomen om een beschermingsscheiding te verwezenlijken; deze regel is niet van toepassing op de verbinding van de ZLBS t.o.v. de aarde.

  3. c.

    Elektrische leidingen

    Teneinde de beschermingsscheiding vermeld in b. te verwezenlijken, moet één van de hierna vermelde schikkingen zijn getroffen:

    • een fysische scheiding van minimum 10 mm tussen de geleiders van stroombanen op ZLVS en op ZLBS en de geleiders van andere stroombanen;

    • de geleiders van de stroombanen op ZLVS en op ZLBS moeten, naast hun basisisolatie, voorzien zijn van een bijkomende isolatie (mantel, buis...);

    • een meeraderige kabel of een groepering van geleiders mogen stroombanen op verschillende spanningen bevatten op voorwaarde dat de geleiders van de stroombanen op ZLVS en op ZLBS geïsoleerd zijn, hetzij individueel, hetzij collectief, voor de hoogst voorkomende spanning.

  4. d.

    Stopcontacten

    De stopcontacten op ZLVS en ZLBS moeten voldoen aan volgende voorschriften:

    • de contactstoppen mogen niet in contactdozen kunnen gestoken worden die gevoed worden op een andere dan de ZLVS of de ZLBS;

    • de contactdozen beletten het inbrengen van contactstoppen voor andere voedingen dan de ZLVS of de ZLBS;

    • de contactstoppen op ZLVS mogen niet in contactdozen kunnen gestoken worden die gevoed worden op ZLBS en de contactstoppen op ZLBS mogen niet in contactdozen kunnen gestoken worden die gevoed worden op ZLVS;

    • de contactdozen op ZLVS omvatten noch een beschermings- noch een aardcontact. De contactdozen op ZLBS mogen daarentegen wel een beschermings- of een aardcontact omvatten.

  5. e.

    Bescherming tegen thermische invloeden en tegen overstroom

    De voorschriften van hoofdstuk 4.3. «Bescherming tegen thermische invloeden» en van hoofdstuk 4.4. «Elektrische bescherming tegen overstroom» blijven onverminderd van toepassing.

    Meer bepaald moeten maatregelen worden genomen om te verhinderen dat bij normaal bedrijf of wegens een fout een gevaarlijke lek- of foutstroom blijft bestaan, in het bijzonder bij het gebruik van toestellen van klasse I.

4.2.5.4Bijkomende voorschriften met betrekking tot stroombanen op ZLBS

  1. a.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

    De bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking dient te worden verzekerd:

    • hetzij door omhulsels of schermen met een minimum beschermingsgraad van IPXX-B;

    • hetzij door isolatie, ontworpen voor een testspanning van 500 V op industriële frequentie gedurende 1 minuut;

    • hetzij door verwijdering.

  2. b.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

    Geen enkele beschermingsmaatregel tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking is noodzakelijk.

  3. c.

    Afwijkingen

    Ongeacht de hoger vermelde bepalingen is een bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking niet noodzakelijk voor elektrisch materieel op ZLBS gelegen in een geaarde equipotentiale zone en voor zover de waarde van de nominale spanning niet hoger is dan de waarden vermeld in de tabel 4.1. van onderafdeling 4.2.2.2.

4.2.5.5Bijkomende voorschriften met betrekking tot stroombanen op ZLVS

  1. a.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

    Wanneer de nominale spanning van de stroombaan hoger is dan de waarden opgenomen in de tabel 4.1. van onderafdeling 4.2.2.2. dient de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking te worden verzekerd overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 4.2.5.4.a..

    Wanneer de nominale spanning van de stroombaan gelijk is aan of lager is dan de waarden opgenomen in de tabel 4.1. van onderafdeling 4.2.2.2. is geen bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking noodzakelijk.

  2. b.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

    Geen enkele beschermingsmaatregel tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking is noodzakelijk.

  3. c.

    Verboden verbindingen

    De actieve delen van elektrisch materieel op ZLVS mogen niet galvanisch verbonden worden met:

    • de aardverbinding;

    • actieve delen behorende tot andere stroombanen;

    • beschermingsgeleiders behorende tot andere stroombanen.

    De massa’s van het elektrisch materieel op ZLVS mogen niet galvanisch verbonden worden met:

    • de aardverbinding;

    • de beschermingsgeleiders of massa’s van andere installaties;

    • geleidende delen, tenzij deze onmogelijk op een potentiaal kunnen worden gebracht hoger dan de conventionele absolute spanningsgrens.

4.3Bescherming tegen thermische invloeden

4.3.1Algemeenheden

4.3.1.1Principe

De personen en de goederen die zich in de nabijheid van elektrisch materieel bevinden, moeten beschermd worden tegen thermische invloeden voortkomend uit de werking van dit materieel en in het bijzonder tegen de volgende uitwerkingen:

  • gevaar voor brandwonden;

  • brandgevaar:

    • verbranding of ontaarding van het materiaal;

    • aantasting van de veilige werking van het geïnstalleerde elektrisch materieel;

    • uitbreiding van brand door de elektrische installatie;

  • ontploffingsgevaar.

4.3.1.2Specifieke bepalingen

Materiaal: stof die gebruikt wordt in bouwelementen en in de fabricatie van elektrisch materieel.

Onbrandbaar materiaal: materiaal dat niet kan branden. In de praktijk wordt een materiaal als onbrandbaar beschouwd wanneer, tijdens een genormaliseerde test gedurende dewelke het materiaal aan een voorgeschreven verwarming wordt blootgesteld, geen enkel uitwendig verschijnsel vastgesteld wordt dat wijst op een aanzienlijke warmteontwikkeling.

Brandbaar materiaal: materiaal dat kan branden, met andere woorden dat kan reageren met zuurstof onder afgifte van warmte. Het verschijnsel gaat in het algemeen gepaard met vlamontwikkeling en/of gloeiing. In dit opzicht overtreffen de te beschouwen zuurstofconcentraties deze van de omgevingslucht niet, tenzij in uitzonderlijke gevallen.

Ontvlambaar materiaal (vlamverspreidend materiaal): materiaal dat begint te branden en blijft branden in gasvormige toestand, meestal gepaard met uitstraling van licht, terwijl het onder invloed staat of heeft gestaan van een warmtebron.

Vlamvertragend materiaal: materiaal dat eventueel na behandeling de eigenschap heeft de verspreiding van de vlam te vertragen.

Zelfdovend materiaal (niet-vlamverspreidend materiaal): materiaal dat de eigenschap heeft de verbranding uit zichzelf te beëindigen nadat de warmtebron, die zijn verbranding heeft doen ontstaan, weggenomen werd.

Onbrandbaar gemaakt materiaal: materiaal dat door behandeling de eigenschap heeft verkregen zijn geschiktheid tot verbranding te verliezen of gevoelig te verminderen.

Verwarmingstoestel: toestel dat hoofdzakelijk bestemd is om te verwarmen of te koken maar dat een motor en gelijkaardige inrichtingen kan bevatten waarvan het vermogen niet groter is dan 25 % van het totale vermogen.

Vlampunt: laagste temperatuur, gecorrigeerd tot een druk van 101,325 kPa, waarbij een vloeistof onder de beschreven omstandigheden zodanig verdampt, dat in het testvat een brandbaar mengsel van lucht en damp wordt gevormd.

4.3.1.3Uitwendige invloeden

Volgende uitwendige invloeden moeten in acht genomen worden bij het kiezen van elektrisch materieel en van de te nemen voorzorgsmaatregelen voor de bescherming tegen thermische effecten:

  • de aard van de behandelde of opgeslagen goederen (BE; zie afdeling 2.10.15 .);

  • bouwmaterialen (CA; zie afdeling 2.10.16. );

  • structuren van de gebouwen (CB; zie afdeling 2.10.17. ).

4.3.2Bescherming tegen brandwonden

4.3.2.1Temperatuurbegrenzing van genaakbaar elektrisch materieel

Met uitzondering van elektrisch materieel, zoals kooktoestellen, ovens, lastoestellen, strijkijzers..., waarvoor de regels van goed vakmanschap de temperatuursgrenzen voor de genaakbare oppervlakken vastleggen, mogen de uitwendige oppervlakken van de omhulsels van elektrische machines, toestellen en leidingen, aangebracht binnen het genaakbaarheidsgabarit, geen temperaturen kunnen bereiken die bij personen brandwonden kunnen veroorzaken. Zij voldoen aan de grenswaarden die in tabel 4.5. zijn aangeduid.

Tabel 4.5 Maximumtemperaturen van de uitwendige oppervlakken van elektrisch materieel aangebracht binnen het genaakbaarheidsgabarit

Uitwendige oppervlakken
Maximumtemperaturen (°C)
vanbedieningsorganen

metalen
55

niet-metalen
65
bestemd om onder normale gebruiksomstandigheden aangeraakt te
worden maar niet omvoortdurendindehand te wordengehouden

metalen
70

niet-metalen
80

die genaakbaar zijn maar niet bestemd om onder normale gebruiks-
omstandigheden aangeraakt te worden

metalen
80

niet-metalen
90

Het onderscheid tussen metalen en niet-metalen oppervlakken hangt af van de thermische geleidbaarheid van het gebruikte materiaal.

Verf- en vernislagen wijzigen de thermische geleidbaarheid van het oppervlak niet.

Daarentegen kunnen bepaalde kunststofbekledingen de thermische geleidbaarheid van een metalen oppervlak wel gevoelig verminderen en zo toelaten het te beschouwen als een niet-metalen oppervlak.

Alle delen van de elektrische installatie welke, zelfs gedurende korte tijd, hogere temperaturen kunnen bereiken dan deze aangeduid in deze tabel, moeten beschermd worden tegen elke toevallige aanraking.

4.3.2.2Bijkomende regels voor de uitwendige invloed BA2

In de lokalen, speciaal bestemd voor kleine kinderen, moeten de verwarmingstoestellen derwijze gekozen worden dat de temperatuur van de genaakbare oppervlakken 60 °C niet overtreft.

4.3.2.3Installatie van het elektrisch materieel

Elektrisch materieel dat niet beantwoordt aan de voorschriften van onderafdeling 4.3.2.1. , evenals alle delen van de elektrische installatie die, zelfs gedurende korte tijd, hogere temperaturen kunnen bereiken dan deze aangeduid in de tabel 4.5. van onderafdeling 4.3.2.1. , moeten beschermd worden tegen toevallige aanraking met personen, hetzij door verwijdering, hetzij door een afscheiding door middel van een niet-brandbaar en thermisch isolerend scherm.

Elektrische machines en toestellen waarbij bundeling of concentratie van warmte kan optreden moeten:

  • hetzij voldoende ver van personen verwijderd worden opdat ze niet zouden kunnen blootgesteld worden aan gevaarlijke warmteconcentraties;

  • hetzij van deze personen gescheiden worden door een scherm uit niet-brandbaar en thermisch isolerend materiaal.

4.3.3Bescherming tegen brand

4.3.3.1Algemeenheden

De voorschriften bedoeld in afdeling 4.3.3. zijn van toepassing voor elke ruimte (lokaal of plaats) en voor elke elektrische installatie zoals bijvoorbeeld vaste, tijdelijke, binnen-, buiten-, mobiele of verplaatsbare installaties.

Bij de keuze en de installatie van het elektrisch materieel, uitrustingen, … in een ruimte moet men rekening houden met het te verwachten brandgevaar om:

  • geen brand in normaal bedrijf te veroorzaken;

  • de gevolgen van alle fouten, die tot een brand kunnen leiden, te beperken;

  • de verspreiding van brand en het ontstaan van rook te beperken.

Voor de veiligheidsinstallaties worden de bijkomende beschermingsmaatregelen tegen brand in hoofdstuk 3.4. vermeld. Voor de kritische installaties worden de eventuele bijkomende beschermingsmaatregelen tegen brand in hoofdstuk 3.5. vermeld.

De eigenaar, beheerder of uitbater moet de correcte keuze en installatie van het elektrisch materieel en de uitrustingen bewijzen voor wat de bescherming tegen brand betreft. De documenten die dit bewijzen maken deel uit van het elektrisch dossier (zie afdelingen 9.1.1. en 9.1.2. ) of ze worden ter beschikking van iedere betrokken persoon voor raadpleging gehouden. Deze documenten zijn onder andere de technische fiches en de gebruiksaanwijzingen van het elektrisch materieel, de risicoanalyses, het document met de uitwendige invloeden, …

4.3.3.2Specifieke definities

Bouwwerk: constructie die met de grond is verbonden en die is gemaakt van bouwmaterialen en elementen en/of waarvoor bouwwerkzaamheden zijn uitgevoerd. Het geschikt maken van grond voor landbouw, planten, zaaien,… wordt niet als bouwwerk aangemerkt.

Gebouw: elk bouwwerk dat een voor personen toegankelijke overdekte ruimte vormt, geheel of gedeeltelijk met wanden omsloten.

Civieltechnisch werk : elk bouwwerk dat niet als gebouw is geclassificeerd zoals bijvoorbeeld een brug, een tunnel, …

Compartiment: d eel van een gebouw, al dan niet onderverdeeld in lokalen, of deel van een civieltechnisch werk, begrensd door wanden die de brandvoortplanting naar het aangrenzende compartiment of compartimenten gedurende een bepaalde tijd dienen te beletten.

Evacuatieweg: doorlopende en onbelemmerde weg die toelaat een veilige plaats te bereiken door gebruik te maken van de normale circulatiewegen. Men verstaat onder veilige plaats: plaats buiten het bouwwerk of, in voorkomend geval, het gedeelte van het bouwwerk dat gelegen is buiten het compartiment waar er brand is en vanwaar het mogelijk is om het bouwwerk te verlaten zonder door dat compartiment te moeten gaan.

4.3.3.3Indeling van het brandgevaar in een ruimte

  1. a.

    Algemeenheden

    Het brandgevaar in een ruimte wordt op basis van de drie volgende uitwendige invloeden bepaald:

    • de aard en de hoeveelheid van de behandelde of opgeslagen goederen (BE);

    • de brandbaarheid van de bouwmaterialen (CA);

    • de structuur (CB).

    Men onderscheidt twee mogelijke niveaus van brandgevaar in een ruimte:

    • normaal brandgevaar;

    • verhoogd brandgevaar.

    De ruimten met een normaal brandgevaar zijn door het geheel van de drie volgende uitwendige invloeden gekenmerkt: BE1, CA1 en CB1.

    De ruimten met verhoogd brandgevaar zijn door tenminste een van de volgende uitwendige invloeden gekenmerkt: BE2 of BE3 of CA2 of CB2.

  2. b.

    Bijzondere ruimten

    De elektrische installaties in een ruimte met onvervangbare goederen (musea, verzameling van kunstvoorwerpen, …) en deze in een ruimte gekenmerkt door de uitwendige invloed CB3 of CB4 kunnen uitgevoerd worden op basis van een risicoanalyse zoals deze in een ruimte met verhoogd brandgevaar.

    De ruimten met vermogentransformatoren of stroomgroepen worden niet noodzakelijk beschouwd als ruimten met verhoogd brandgevaar; dit maakt deel uit van het bepalen van de uitwendige invloeden ( afdeling 9.1.6. ).

4.3.3.4Indeling van de geïsoleerde geleiders en kabels

  1. a.

    Toepassingsgebied

    De indeling is van toepassing op de geïsoleerde geleiders en de energiekabels.

    De indeling is ook van toepassing op de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening.

  2. b.

    Brandreactie van de geïsoleerde geleiders en kabels.

    De geïsoleerde geleiders en kabels hebben een brandreactie die wordt aangeduid en beoordeeld overeenkomstig de klassen weergegeven in tabel 4.6. overeenkomstig de gedelegeerde verordening (EU) 2016/364. De klassen C, CL, E, EL bedoeld in afdeling 5.2.7. zijn ook te beschouwen overeenkomstig de gedelegeerde verordening (EU) 2016/364. Deze klassen betreffen:

    • de bouwproducten met uitzondering van vloerbekledingen, lineaire isolatieproducten voor leidingen en elektrische kabels (klassen C en E);

    • de lineaire isolatieproducten voor leidingen (klassen CL en EL).

    _Tabel 4.6. Klassen van _
    de geïsole
    erde geleiders en kabels met betrekking tot hun brandreactie

    Type van geïsoleerde
    geleider en kabel
    Klasse Bijdrage tot de brand
    Supplementaire classificatie
    Onbrandbaar Aca Geen
    Geïsoleerde geleiders
    en kabels met hoge
    brandprestatie
    B1ca Minimaal
    Vorming van rook
    s1 aangeduid door s1 of s1a of s1b
    s2
    Geïsoleerde geleiders
    en kabels met verbe-
    B2ca s3
    Aciditeit van de rook
    Zeer beperkt
    terde brandprestatie Cca a1
    a2
    a3
    Beperkt
    Standaard geïsoleer-
    de geleiders en stan-
    Dca Gemiddeld
    daardkabels Eca Hoog
    Geïsoleerde geleiders
    en kabels zonder
    brandprestatie
    De beproevingsvoorwaarden zijn w
    Fca
    eergege
    Zeer hoog
    ven in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het

    De beproevingsvoorwaarden zijn weergegeven in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    De geïsoleerde geleiders en kabels met de kenmerken aangegeven in tabel 4.7. mogen enkel geplaatst worden in de volgende situaties:

    1. 1.

      elektrische installaties die zich niet bevinden in de gebouwen;

    2. 2.

      elektrische installaties die zich niet bevinden in de civieltechnische werken;

    3. 3.

      e lektrische installaties van een industrieel proces dat bestemd is om mechanisch of chemisch materialen, goederen of producten in grote hoeveelheid te produceren of om te vormen. Voorbeelden hiervan zijn: productielijn van een product, walserij, installatie van aardolieraffinage en bijhorend tankpark, …

      Een elektrische installatie die de algemene werking van een gebouw of een civieltechnisch werk verzekert, wordt niet als een elektrische installatie van een industrieel proces beschouwd. Zoals bijvoorbeeld:

      • verlichtingsinstallaties en contactdozen;

      • HVAC-installaties;

      • informatica-installaties;

      • installaties van een autonome energiebron (stroomgenerator, fotovoltaïsche installatie, …);

      • elektrische installaties of gedeelten van elektrische installaties in een hoogspanningscabine die de installaties van een gebouw of een civieltechnisch werk voeden;

      • voeding van een beschermingsinstallatie tegen brand (detectie, alarm, …);

        • voeding van een bewakingsinstallatie (camera, inbraakdetectie, …);

          • voeding van heftoestellen (lift, goederenlift, …).

    4. 4.

      geïsoleerde geleiders of kabels, die in een gebouw of een civieltechnisch werk binnenkomen, mits voldaan is aan de volgende voorwaarden:

      • hun lengte, in het gebouw of in het civieltechnisch werk, 10 m niet overschrijdt;

      • hun installatie zich beperkt tot het eerste compartiment.

      Tabel 4.7 Kenmerken van de geïsoleerde geleiders en kabels met betrekking tot hun brandreactie

      Kenmerken
      Primai
      den en
      re brandreactie: kwalificeert de geschiktheid van de geïsoleerde geleider of kabel om de vuurhaard te versprei-
      onderscheidt zich in twee subcategorieën met stijgendestrengheid,als volgtgekenmerkt:
      F F1 betreft de geïsoleerde geleiders of kabels die, enkelvoudig gelegd en in de proefvoorwaarden, de vlam niet
      voortplanten en uit zichzelf doven op weinig afstand van de vuurhaard die hen doen ontvlammen heeft.
      F2 betreft de geïsoleerde geleiders of kabels F1 in bundel en in verticale positie die in de proefvoorwaarden de
      vlam niet voortplanten.
      S Secun
      geïsol
      zuurte
      daire brandreactie: kenmerkt de secundaire brandeffecten en kwalificeert de niet-metalen componenten van de
      eerde geleiders of kabels met betrekking tot de lichtondoorlatendheid van de rookgassen (subcategorie SD) en de
      graad vande verbrandingsgassen(subcategorie SA).
      SD Geïsoleerde geleiderof kabel waarvande verbrandingsgassendoorschijnendzijn
      SA Geïsoleerdegeleider of kabel waarvan de verbrandingsgassen niet corrosief zijn

      De beproevingsvoorwaarden zijn weergegeven in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

  3. c.

    Brandweerstand van de geïsoleerde geleiders en kabels

    De geïsoleerde geleiders en kabels hebben een brandweerstand die wordt aangeduid en beoordeeld overeenkomstig de kenmerken weergegeven in tabel 4.8. en ze mogen geplaatst worden in alle soorten ruimten. Voor de classificatie m.b.t. de brandreactie is de tabel 4.7. van toepassing.

    Moeten niet aan de eisen beantwoorden inzake de kenmerken van tabel 4.8. :

    • de samenstellende geïsoleerde geleiders van een kabel;

    • de interne bekabeling van de schakel- en verdeelborden.

    Tabel 4.8 Kenmerken van de geïsoleerde geleiders en kabels met betrekking tot hun brandweerstand

Kenmerken
Brand
een br
weerstand: kenmerkt de geschiktheid van een geïsoleerde geleider of kabel om in dienst te blijven in weerwil van
andhaard. Deze categorie onderscheidt zich in twee subcategorieën:
FR FR1 heeft betrekking op proeven die toelaten het behoud van de elektrische functie te beoordelen bij laboratorium-
omstandigheden(geïsoleerdegeleider of kabel individueelgetest)
FR2 heeft betrekking op een proef die toelaat de tijdsduur te beoordelen gedurende dewelke het behoud van de
elektrische functie verzekerd is(geïsoleerdegeleider of kabelgetest met draagstel en bevestiging)

De beproevingsvoorwaarden zijn weergegeven in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Indien alle samenstellende delen van het geheel (draagstel, geïsoleerde geleider, kabel en bevestiging) de vereiste brandweerstand voor het functiebehoud hebben en indien de samenstellende delen overeenkomstig de voorschriften van de fabrikanten geïnstalleerd zijn, dan wordt het geheel met een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 beschouwd.

Elke geïsoleerde geleider of kabel die aan het draagstel van een geheel met het kenmerk FR2 of met een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 wordt toegevoegd, dient het kenmerk FR2 of FR1 te bezitten.

4.3.3.5Beschermingsmaatregelen tegen brand

  1. a.

    Het elektrisch materieel

    De keuze en de installatie van het elektrisch materieel moeten beantwoorden aan de voorschriften van onderafdeling 5.1.1.2. en afdeling 5.2.7.

    Het elektrisch materieel geïnstalleerd op brandbare materialen is:

    • hetzij voorzien van een omhulsel uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal;

    • hetzij volledig gescheiden van deze brandbare materialen door elementen uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt of zelfdovend materiaal.

    Elektrisch materieel waarbij gevaar bestaat voor concentratie of bundeling van warmte moet:

    • hetzij geïnstalleerd worden op of binnen materiaal dat dergelijke concentratie of bundeling van warmte verdraagt en dat een lage thermische warmtegeleiding bezit;

    • hetzij voldoende ver van alle voorwerpen of delen van het bouwwerk worden verwijderd zodat deze geen gevolgen van een gevaarlijke warmteconcentratie of –bundeling ondervinden;

    • hetzij worden gescheiden van deze voorwerpen of delen van het bouwwerk door materiaal dat dergelijke concentratie of bundeling van warmte verdraagt en een lage thermische warmtegeleiding bezit.

    Indien elektrisch materieel, hetzij bij normale werking, hetzij bij beschadiging of verkeerd gebruik, gensters of vlammen kan voortbrengen, moet het:

    • hetzij worden geïnstalleerd op voldoende afstand van alle voorwerpen of alle delen van het bouwwerk die het zou kunnen beschadigen;

    • hetzij worden gescheiden van deze voorwerpen of delen van het bouwwerk door een thermisch isolerend scherm dat vervaardigd is uit onbrandbaar, onbrandbaar gemaakt, zelfdovend materiaal of materiaal dat weerstaat aan vlambogen;

    • hetzij volledig worden omsloten door materialen die weerstaan aan vlambogen.

  2. b.

    Geïsoleerde geleiders en kabels

    De geïsoleerde geleiders en energiekabels beantwoorden ten minste aan de bepalingen van afdeling 5.2.7.

    De kabels van de stekerbare installaties (systemen van toestelverbindingsstopcontacten voor vaste aansluitingen) en de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening moeten aan de bepalingen van afdeling 5.2.7. voldoen.

    De geïsoleerde geleiders en kabels bedoeld in de 1ste en de 2de alinea beantwoorden aan het kenmerk of de klasse van onderafdeling 5.2.7.3. :

    • voor de ruimten BE3, en

    • voor de volgende plaatsingswijzen: constructieruimte en sierlijsten, plinten of lijsten gemaakt uit brandbaar materiaal.

  3. c.

    Gevaarlijke lek- of foutstromen

    Maatregelen moeten worden genomen om te verhinderen dat in normaal bedrijf of wegens een fout, een gevaarlijke lek- of foutstroom blijft bestaan. Deze maatregelen worden gecoördineerd met deze die worden genomen in het kader van de bescherming tegen elektrische schokken en de bescherming tegen overstroom.

    In huishoudelijke installaties, in gemeenschappelijke delen van een residentieel geheel en in niethuishoudelijke installaties zonder gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen is het TN-C net verboden.

4.3.3.6Bijkomende beschermingsmaatregelen tegen brand in de ruimten met verhoogd brandgevaar

  1. a.

    Algemeenheden

    De elektrische installaties in de ruimten BE2 en BE3 worden beperkt tot deze die noodzakelijk zijn voor de uitbating van de ruimten.

    In ruimten gekenmerkt door BE2 mogen ook de geïsoleerde geleiders en kabels bedoeld in de 1ste alinea van punt c. van onderafdeling 4.3.3.6. geïnstalleerd worden.

    In de ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloed BE3, zijn de voorschriften van hoofdstuk 7.102. van toepassing.

  2. b.

    Het elektrisch materieel

    De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, het gebruik van bepaald elektrisch materieel verbieden in ruimten waar verhoogd brandgevaar aanwezig is.

    In plaatsen voor opslag en verwerking van brandbare stoffen en ontvlambare vloeistoffen met een vlampunt dat hoger is dan 55 °C (BE2):

    • is het elektrisch materieel gebouwd opdat de temperatuur van zijn toegankelijke delen niet de ontsteking van de brandbare stoffen en de ontvlambare vloeistoffen in de nabijheid kan veroorzaken;

    • is het elektrisch materieel in deze ruimten aangepast, in het bijzonder hun omhulsels. In geval van

    • aanwezigheid van stof (AE4) moeten de omhulsels een beschermingsgraad hebben van ten minste IP5X, voor de verlichtingstoestellen wordt dit ten minste IP6X;

    • worden de motoren die automatisch of vanop afstand bediend of die niet voortdurend worden bewaakt, moeten tegen hoge temperaturen door beschermingsinrichtingen tegen overbelastingen met manuele reset of door analoge inrichtingen worden beschermd. De automatische reset is toegelaten volgens de voorschriften van onderafdeling 5.3.3.5. (toestellen voor automatische wederinschakeling voor beschermingsinrichtingen). De motoren met een ster-driehoek aanloop, zonder automatische omschakeling van ster naar driehoek, moeten ook tegen de hoge temperaturen in de sterschakeling worden beschermd;

    • moeten, bij gebruik van elektrische verwarming of ventilatie, de aanwezigheid van stof en de luchttemperatuur zodanig zijn dat brandgevaar zich niet kan voordoen. De temperatuurbegrenzers moeten een manuele reset hebben. De elektrische verwarmingstoestellen moeten geplaatst worden op niet-brandbare materialen en deze in de nabijheid van brandbare stoffen en ontvlambare vloeistoffen moeten met aangepaste hindernissen worden uitgerust die de ontsteking van deze stoffen en vloeistoffen vermijden. De accumulatieverwarmingstoestellen moeten geïnstalleerd worden zodanig dat het transport van stoffen en/of vezels naar de verwarmingselementen vermeden wordt.

  3. c.

    De geleiders en kabels in de ruimten BE2

    De geïsoleerde geleiders en kabels die doorheen dergelijke ruimten lopen, maar die niet bestemd zijn voor de voeding van deze ruimten, mogen geen aftakkingen of verbindingen bevatten, tenzij deze aftakkingen of verbindingen zich in een omhulsel met een brandweerstand van ten minste ½ uur bevinden. Deze geïsoleerde geleiders en kabels moeten worden beschermd tegen overbelastingen en kortsluitingen door beschermingsinrichtingen die zich stroomopwaarts en buiten de betrokken ruimte bevinden.

    De blanke geleiders mogen enkel geïnstalleerd worden in schakel- en verdeelborden.

  4. d.

    Gevaarlijke lek- of foutstromen

    Het gebruik van het TN-C-netsysteem is verboden in de ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloeden BE2 en/of BE3 en/of CA2.

    In de ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloeden BE2 en/of CA2 is het toegelaten dat het hoofdschakelen verdeelbord in deze ruimten via een TN-C-netsysteem wordt gevoed.

    In de ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloeden BE2 en/of BE3 en/of CA2, moeten de laagspanningsstroombanen beschermd worden door een differentieelstroombeschermingsinrichting met een differentiële aanspreekstroom lager dan of gelijk aan 300 mA. De maximale toegelaten vertragingstijd van de differentieelstroombeschermingsinrichting wordt in tabel 4.9. aangeduid.

    Tabel 4.9 Maximale toegelaten vertragingstijd van de differentieelstroombeschermingsinrichting

    Uitwendige invloed van de
    ruimte
    Maximale toegelaten vertragingstijd van de diffe-
    rentieelstroombeschermingsinrichting
    BE2 en/of CA2 Vertragingstijd berekend alsof de differentieel-
    stroombeschermingsinrichting als enige actieve
    beschermingtegen elektrische schokken bij on-
    rechtstreekse aanraking wordt gebruikt
    BE3 niet-vertraagd

    In een IT-netsysteem, worden de stroombanen permanent bewaakt door een toestel overeenkomstig de voorschriften van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen. In ruimten gekenmerkt door de uitwendige invloed BE3 zijn de voorschriften van punt d ) van onderafdeling 7.102.9.2. van toepassing.

    In een TN-S-netsysteem is het toegelaten geen differentieelstroombeschermingsinrichting te plaatsen voor de laagspanningsstroombanen voor zover:

    • een bijkomende equipotentiale verbinding wordt geïnstalleerd met in dit geval een minimale doorsnede van 10 mm²; en

    • de verbindingspunten van de bijkomende equipotentiale verbinding en een massa van buitenuit zichtbaar zijn.

4.3.3.7Bijzondere beschermingsmaatregelen tegen brand

  1. a.

    Vorming van rook bij brand

    Het gebruik van geïsoleerde geleiders en energiekabels met de kenmerken SA en SD of met de aanvullende verklaringen a1 en s1 is verplicht voor de ruimten bedoeld in tabel 4.10.

    De kabels van de stekerbare installaties (systemen van toestelverbindingsstopcontacten voor vaste aansluitingen) en de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening moe- ten aan deze bepaling voldoen.

    Deze eis is niet van toepassing:

    1. 1.

      voor de geïsoleerde geleiders en kabels die zijn geïnstalleerd met de volgende plaatsingswijzen:

      • de geïsoleerde geleiders in buizen die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3 cm zijn verzonken;

      • de kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3 cm zijn verzonken;

      • de luchtlijnen met geïsoleerde geleiders;

      • de ondergrondse kabels;

      • de kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen;

      • de uiteinden van:

      • ondergrondse kabels, of

      • kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen, of

      • kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale inbouwdiepte van 3 cm zijn verzonken, of

      • geïsoleerde geleiders in een buis die in een onbrandbare bekleding met een minimale inbouwdiepte van 3 cm zijn verzonken, aangebracht in openlucht of in opbouw, voor zover de lengte van deze uiteinden 3 m niet overschrijdt. Deze uitzondering van de uiteinden is nochtans niet toegelaten:

      • voor de geïsoleerde geleiders en de kabels in openlucht of in opbouw voor een

      • aansluiting op een laagspanningsverdeelnet;

      • voor de aftakkingskabels, al dan niet in buis, in openlucht of in opbouw;

      • voor de geïsoleerde aftakkingsgeleiders in een buis in openlucht of in opbouw.

    2. 2.

      voor de geïsoleerde geleiders die zijn geïnstalleerd gebruik makend van een materiaal (bv. omhuld, bedekt, …) dat voor het geheel (geïsoleerde geleiders en materiaal) een gelijkwaardig kenmerk (SA en SD) of klasse (a1 en s1) verzekert;

    3. 3.

      voor de kabels die zijn geïnstalleerd gebruik makend van een materiaal (bv. omhuld, bedekt, …) dat voor het geheel (kabels en materiaal) een gelijkwaardig kenmerk (SA en SD) of klasse (a1 en s1) verzekert;

    4. 4.

      de interne bekabeling van de schakel- en verdeelborden;

    5. 5.

      de samenstellende geïsoleerde geleiders van een kabel;

    6. 6.

      de geïsoleerde geleiders en de kabels van de stroombanen van een elektrische machine of toestel waarvan het geheel gedekt is door een EU-conformiteitsverklaring.

      De geïsoleerde geleiders en kabels die niet bestaan met de kenmerken SA en SD of met de aanvullende verklaringen a1 en s1 moeten in overeenstemming met de uitzonderingen van punten 1., 2. en 3. vermeld in de vorige alinea, geïnstalleerd worden.

      Tabel 4.10. Ruimten die door de 1stealinea van punt a.
      van onderafdeling 4.3.3.7. bedoeld worden
      Ruimten
      Evacuatiewegen in bouwwerken (bijvoorbeeld
      trappenhallen en gangen). Deze eis is niet van
      toepassingophuishoudelijke installaties.
      Voor het publiek toegankelijke lokalen die mini-
      mum 50 personen kunnen ontvangen (zalen voor
      seminaries,sporthallen,schouwspelzalen…)
      Tunnels beschouwd als bouwkundige kunstwerken

      De uitbater of zijn afgevaardigde kan op basis van een risicoanalyse of wettelijke eisen bepalen dat andere ruimten, die niet door de tabel 4.10. bedoeld worden en waarvan de evacuatie van deze ruimten door de vorming van rook bij brand kan beïnvloed worden, het voorschrift van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7 . moeten respecteren.

      De uitbater of zijn afgevaardigde stelt de lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten bedoeld door het voorschrift van punt a. van onderafdeling 4.3.3.7. op en hij preciseert de referentie (risicoanalyse of wettelijke eis of tabel 4.10. ) voor elke ruimte. De lijst van de evacuatiewegen en de moeilijk evacueerbare ruimten en de risicoanalyse worden ter beschikking gehouden van het erkend organisme en de met toezicht belaste ambtenaar.

      Bij een gelijkvormigheidscontrole voor ingebruikname of een controlebezoek van een installatie wordt het evacuatieplan, dat de evacuatiewegen aanduidt, voorgelegd aan het erkend organisme belast met de controle of het bezoek.

      De buizen, de open en gesloten goten, de kabelrekken en de aftakdozen geïnstalleerd in de ruimten bedoeld in de voormelde lijst die niet verzonken zijn, zijn halogeenvrij of bieden een veiligheidsniveau dat tenminste gelijkwaardig is.

  2. b.

    Ruimten met elektrisch materieel dat een brandbaar vloeibaar diëlektricum bevat

    Wanneer, in eenzelfde lokaal, de totale hoeveelheid aan vloeibare diëlektrica met een vlampunt lager dan 300°C:

    • ofwel meer is dan 25 l in een elektrische machine of toestel,

    • ofwel meer is dan 50 l voor het geheel van alle elektrische machines of toestellen,

    • zijn de volgende voorschriften van toepassing:

    • constructieve maatregelen zijn genomen om bij lekken de verspreiding van brandbare vloeibare diëlektrica te voorkomen. Hiervoor mogen geen brandbare materialen gebruikt worden;

    • de scheidingselementen (wanden, vloeren, zolderingen, deuren, verluchtingsopeningen...) moeten tussen dit lokaal en de belendende lokalen een brandweerstand van minimum 1 uur hebben, overeenkomstig de door de Koning bekrachtigde of door de NBN geregistreerde normen of beantwoordend aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

  3. c.

    Ruimten met batterij die een ontvlambaar elektrolyt bevat

    De bijzondere voorschriften van hoofdstuk 7.103. (industriële accumulatorbatterijen) zijn ook van toepassing.

4.3.4Bescherming tegen explosiegevaar in explosieve atmosferen

Specifieke bepalingen zijn van toepassing op de elektrische installaties in ruimten met explosiegevaar (zie hoofdstuk 7.102 .).

4.4Elektrische bescherming tegen overstroom

4.4.1Algemeenheden

4.4.1.1Principe

De elektrische bescherming tegen overstromen vermijdt de doorstroming van het elektrisch materieel met stromen die schadelijk kunnen zijn zowel voor het elektrisch materieel als voor de omgeving.

Deze bescherming gebeurt door een of meerdere toestellen die de stroom onderbreken vooraleer een opwarming kan ontstaan die gevaarlijk is voor de isolatie, de verbindingen, de geleiders en hun omgeving.

4.4.1.2Gemeenschappelijke beschermingsinrichting

Een enkele inrichting mag geplaatst worden voor de bescherming tegen overbelasting en kortsluiting voor zover dat haar karakteristieken de functies opgelegd in de onderafdelingen 4.4.2.1. en 4.4.3.2. verenigen.

4.4.1.3In serie geplaatste beschermingsinrichtingen

Indien de bescherming tegen overbelasting en tegen kortsluiting verzekerd wordt door afzonderlijke toestellen, moeten hun karakteristieken zo op elkaar afgestemd zijn dat de energie doorgelaten door de beschermingsinrichting tegen kortsluiting niet groter is dan de energie die de beschermingsinrichting tegen overbelasting en de beschermde elektrische leiding zonder beschadiging kunnen verdragen.

Het is toegelaten een beschermingsinrichting te gebruiken die een onderbrekingsvermogen heeft dat kleiner is dan de aangenomen kortsluitstroom op het punt van haar plaatsing. In dit geval moet echter stroomopwaarts een ander toestel geplaatst worden dat ten minste het nodige onderbrekingsvermogen bezit. Bovendien moeten de karakteristieken van het stroomopwaarts geplaatste toestel zo zijn dat de energie die het doorlaat, niet groter is dan deze die het stroomafwaarts geplaatste toestel en de door dat toestel beschermde elektrische leidingen zonder beschadiging kunnen verdragen.

Wanneer meerdere beschermingsinrichtingen in serie worden geplaatst, kunnen ze op elkaar worden afgestemd zodat in geval van een kortsluiting stroomafwaarts, de beschermingsinrichting stroomopwaarts bijdraagt tot het beperken van de energie die door de stroomafwaarts geplaatste beschermingsinrichtingen vloeit tot een waarde die kleiner is dan deze welke de stroomafwaarts geplaatste inrichtingen en de door deze beschermingsinrichtingen beschermde elektrische leidingen kunnen weerstaan overeenkomstig punt b. van onderafdeling 4.4.2.2.

Wanneer de beschermingsinrichting stroomafwaarts een vermogensschakelaars en de beschermingsinrichting stroomopwaarts een smeltzekering of een vermogensschakelaar is, laat deze techniek toe dat de stroomafwaarts geplaatste vermogensschakelaar een versterkt ultiem onderbrekingsvermogen heeft.

Wanneer de in serie geplaatste beschermingsinrichtingen vermogensschakelaars zijn, wordt de begeleidingsbescherming filiatie genoemd.

Om de karakteristieken van de filiatie te bepalen, is het noodzakelijk de filiatietabellen van de beschermingsinrichtingen, die werden opgesteld overeenkomstig de productnormen van de vermogensschakelaars, op te vragen.

4.4.1.4Toelaatbare stroom in elektrische leidingen

De toelaatbare stroom I Z van een elektrische leiding is functie van:

  • de doorsnede van de geleiders;

  • de isolatie van de geleiders;

  • de samenstelling van de elektrische leiding;

  • de plaatsing en de omgeving van de elektrische leiding;

  • de omgevingstemperatuur.

De toelaatbare stromen hebben een zodanige waarde dat, door de opwarming van de geleiders ten gevolge van het Joule-effect, de temperatuur van de isolatie niet groter wordt dan deze die de isolatie gedurende onbepaalde tijd kan verdragen zonder haar eigenschappen in gevaar te brengen.

Ze moeten volgens de regels van goed vakmanschap berekend worden. De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, nadere regels vaststellen met betrekking tot de berekening van de toelaatbare stroom.

Voor de huishoudelijke installaties wordt de maximale nominale stroom der smeltzekeringen of de maximale nominale stroom van de vermogensschakelaar die een elektrische leiding beschermen, vermeld in tabel 4.11. , in functie van de doorsnede der geleiders:

Tabel 4.11 Kaliber van de beschermingsinrichting in functie van de doorsnede der geleiders

Doorsnede van de geleider
(mm²)
Maximale nominale stroom van
de smeltzekering
Maximale nominale stroom van
de vermogensschakelaar
0,5 2 A 4 A
0,75 4 A 6 A
1 6 A 10 A
1,5 10 A 16 A
2,5 16 A 20 A
4 20 A 25 A
6 32 A 40 A
10 50 A 63 A
16 63 A 80 A
25 80 A 100 A
35 100 A 125 A

4.4.1.5Aansluitingen voor netgebruikers

De aansluitingen voor netgebruikers moeten uitgevoerd worden volgens de regels van goed vakmanschap.

4.4.2Bescherming tegen kortsluiting

4.4.2.1Beschermingsinrichting tegen kortsluiting

Het toestel dat de bescherming tegen kortsluiting verzekert moet voldoen aan volgende twee voorwaarden:

  1. 1.

    zijn onderbrekingsvermogen moet ten minste gelijk zijn aan de te verwachten kortsluitstroom op de plaats waar het toestel aangebracht is, zoals bepaald volgens de regels van goed vakmanschap;

  2. 2.

    de werkingstijd van het toestel, dit wil zeggen de tijd nodig om de stroom te onderbreken die het gevolg is van een zuivere kortsluiting die zich in om het even welk punt van de stroombaan voordoet, mag niet groter zijn dan de tijd die nodig is om de temperatuur van de geleiders op hun toelaatbare waarde te brengen. Voor kortsluitingen met een duur van ten hoogste 5 seconden kan de tijd, die nodig is voor een kortsluitstroom om de temperatuur van de geleiders op de toelaatbare grens te brengen, afgeleid worden uit de volgende formule:

    S t  k  I

    Daarin is:

    • t : de tijd in seconden;

    • S : doorsnede van de geleiders in mm²;

    • I : stroomsterkte van de rechtstreekse kortsluiting, in A;

    • k: constante met een waarde die afhangt van de aard van het metaal van de geleiders en van hun isolatie; de verschillende waarden van k worden bij besluit vastgelegd door de Ministers die, respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft.

4.4.2.2Plaats van de beschermingsinrichting

  1. a.

    Principe

    Een beschermingsinrichting tegen kortsluiting moet geplaatst worden aan het begin van elke stroombaan, samengesteld uit elektrische leidingen met dezelfde karakteristieken.

    Er wordt echter toegestaan geen beschermingsinrichting tegen kortsluiting te voorzien bij het begin van een stroombaan op voorwaarde dat de stroomopwaarts geplaatste beschermingsinrichting ook de bescherming van deze stroombaan kan verzekeren.

  2. b.

    Vrijstelling

    In afwijking van punt a . hiervoor, mag de beschermingsinrichting geplaatst worden op de elektrische leiding tot op een afstand van maximum 3 m van het begin van de stroombaan, op voorwaarde dat:

    • in het gedeelte van de elektrische leiding tussen het begin en de beschermingsinrichting geen enkel andere inrichting geschakeld is die oorzaak kan zijn van bijzondere verwarming zoals bijvoorbeeld verbindingen, aftakkingen, vermindering van doorsnede, apparatuur.

    • het betrokken deel van de elektrische leiding niet geplaatst wordt in de nabijheid van brandbare materialen.

    Naast de in onderafdeling 5.2.4.2. vermelde gevallen is het toegelaten elke kortsluitbeveiliging weg te laten als de elektrische leiding kort is en zodanig uitgevoerd dat:

    • elk risico voor kortsluiting tot het minimum herleid is;

    • de elektrische leiding verwijderd is van alle brandbaar materiaal.

    Deze vrijstelling beoogt de hiernavolgende gevallen:

    • de elektrische leidingen die generatoren, transformatoren, gelijkrichters, accumulatorbatterijen met hun respectievelijke bedieningsborden verbinden indien de beschermingsinrichtingen op deze borden geplaatst zijn;

    • meetstroombanen, behalve voltmeterstroombanen van een bord dat zelf railstellen bevat.

  3. c.

    Beschermde lengte van de elektrische leidingen

    De maximumlengte van de beschermde elektrische leidingen moet bepaald worden volgens de regels van goed vakmanschap. De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, nadere regels vaststellen met betrekking tot de maximumlengte van de beschermde elektrische leidingen.

4.4.3Bescherming tegen overbelasting

4.4.3.1Principe

Een beschermingsinrichting tegen overbelastingen moet in principe geplaatst worden waar een verandering van doorsnede, van aard, van plaatsingswijze of van samenstelling een vermindering van de waarde van de toegelaten stroom in de geleiders voor gevolg heeft.

4.4.3.2Beschermingsinrichting tegen overbelasting

Het toestel dat de bescherming tegen overbelasting verzekert moet voldoen aan volgende twee voorwaarden:

  1. 1.

    zijn nominale stroom I n moet groter zijn dan of gelijk aan de bedrijfsstroom I B van de stroombaan en kleiner dan de toelaatbare stroom I Z in de elektrische leiding die het beschermt;

    • 2.a. de conventionele aanspreekstroom I f, dit is de stroom die door de inrichting vloeit en haar uitschakeling tot gevolg heeft, moet kleiner zijn dan of gelijk aan 1,45 maal de toelaatbare stroom I Z.

    • 2.b. de conventionele niet-aanspreekstroom I nf, dit is de stroom die door de inrichting vloeit zonder haar uitschakeling tot gevolg te hebben, moet kleiner zijn dan of gelijk aan 1,15 maal de toelaatbare stroom I Z.

    In de praktijk is I f gelijk aan de aanspreekstroom in de overeengekomen tijd voor de vermogensschakelaars en aan de smeltstroom in de overeengekomen tijd voor de smeltzekeringen van het type gL.

4.4.3.3Vrijstellingen

De inrichting die een elektrische leiding tegen overbelastingen beschermt mag evenwel geplaatst worden op het traject van deze elektrische leiding indien het deel van de elektrische leiding, gelegen tussen de verandering van doorsnede, aard, plaatsingswijze of samenstelling enerzijds en de beschermingsinrichting anderzijds, voldoet aan volgende voorwaarden:

  • het gedeelte van de elektrische leiding mag noch aftakkingen noch contactdozen bevatten;

  • de lengte van de elektrische leiding mag maximaal 3 meter bedragen, ze moet uitgevoerd zijn om kortsluitrisico’s tot een minimum te beperken en ze mag niet worden geplaatst in de nabijheid van brandbare materialen; indien haar lengte 3 meter overtreft, moet ze beschermd worden tegen kortsluiting.

Uitgezonderd bij installaties in lokalen of plaatsen met uitwendige invloeden BE2 of BE3 of CA2, is het toegelaten naast de in onderafdeling 5.2.4.2. aangegeven gevallen, in volgende gevallen van elektrische leidingen gevoed door een elektrische installatie volgens een TT- of TN-netsysteem elke overbelastingsbeveiliging weg te laten:

  • de elektrische leiding is stroomafwaarts gelegen van een verandering van doorsnede, van aard, van plaatsingswijze of van samenstelling en is doeltreffend beschermd tegen overbelasting door een stroomopwaarts geplaatste inrichting;

  • de elektrische leiding kan niet doorlopen worden door een overbelastingsstroom, zij bevat noch aftakking, noch contactdoos en zij is beschermd tegen de kortsluiting.

Elke bescherming tegen overbelasting mag eveneens worden weggelaten in volgende gevallen:

  • de elektrische leiding voedt een machine of gebruikstoestel met ingebouwde bescherming tegen overbelasting op voorwaarde dat zij aangepast is aan de elektrische leiding;

  • de elektrische leiding voedt een vast aangesloten machine of gebruikstoestel, niet vatbaar voor overbelastingen en niet beveiligd tegen overbelastingen, waarvan de bedrijfsstroom niet groter is dan de toelaatbare stroom in de elektrische leiding zoals dit het geval is bij bepaalde verwarmingstoestellen of motoren waarvan de stroom bij geblokkeerde rotor niet groter is dan de toelaatbare stroom in de elektrische leiding;

  • de elektrische leiding voedt meerdere individueel beveiligde aftakkingen, op voorwaarde dat de som van de nominale of ingestelde stromen van de beschermingsinrichtingen van de aftakkingen kleiner is dan de nominale of ingestelde stroom van de inrichting die de beschouwde elektrische leiding zou beschermen tegen overbelastingen;

  • de elektrische leiding wordt gevoed door een bron waarvan de maximumstroom niet groter kan zijn dan de toelaatbare stroom in de elektrische leiding;

  • de elektrische leiding voedt verlichtingstoestellen, indien het geheel uitgebaat is door een elektrische onderhoudsdienst en indien de doorsnede van de elektrische leiding bepaald is in functie van het totale maximumvermogen van de lampen en van de hulpmiddelen die de verlichtingstoestellen kunnen bevatten.

Als de elektrische leidingen gevoed worden door een elektrische installatie volgens een IT-netsysteem dan is deze vrijstelling ondergeschikt aan de voorwaarde dat, hetzij in de bedoelde stroombaan geen fout kan ontstaan door het gebruik van materieel van de klasse II of materieel met een veiligheid gelijkwaardig met dit van de klasse II of door de uitvoering van de installatie volgens de beschermingsmaatregel «bijkomende isolatie bij het installeren» (zie afdeling 2.4.2 .), hetzij de stroombaan doelmatig beschermd is door een differentieelstroombeschermingsinrichting.

4.4.3.4Parallel verbonden elektrische leidingen

Indien meerdere elektrische leidingen parallel verbonden worden om een elementaire stroombaan te vormen mag een enkel beschermingstoestel gebruikt worden op voorwaarde dat alle elektrische leidingen dezelfde karakteristieken (aard, plaatsingswijze, lengte, doorsnede) hebben en ze geen aftakkingen hebben op hun traject. De waarde van de toelaatbare stroom die in aanmerking komt bij de keuze van het beschermingstoestel is de som van de toelaatbare stromen van elke elektrische leiding.

4.4.4Bescherming tegen overstroom

4.4.4.1Onderbreking van de getroffen geleider

Een overstroomdetectie wordt voorzien op alle lijngeleiders. Deze detectie veroorzaakt de onderbreking van de geleider waarin de overstroom wordt waargenomen maar veroorzaakt niet noodzakelijk de onderbreking van de andere actieve geleiders.

Indien de onderbreking van één enkele lijngeleider gevaar kan opleveren, bijvoorbeeld in geval van driefasige motoren, worden gepaste maatregelen genomen.

4.4.4.2Bescherming van éénfasige of tweefasige stroombanen in wisselstroom

In éénfasige of tweefasige stroombanen van huishoudelijke installaties, wordt een overstroomdetectie voorzien op de twee actieve geleiders behalve indien op dit niveau een differentieelstroombeschermingsinrichting aanwezig is die tevens een overstroomdetectie in één van de lijngeleiders bevat en de onderbreking verzekert van de twee actieve geleiders. Deze inrichting heeft het vereiste onderbrekingsvermogen.

4.4.4.3Driefasige stroombanen in TT- en TN-netsystemen met niet-verdeelde N-geleider in wisselstroom – Beveiliging van lijngeleiders

In elektrische installaties, volgens een TT- of TN-netsysteem waarin de N-geleider niet verdeeld is, hoeft de bescherming tegen overstroom niet voorzien te zijn op één van de lijngeleiders onder voorbehoud dat de volgende voorwaarden gelijktijdig vervuld worden:

  • op hetzelfde niveau is een differentieelstroombeschermingsinrichting aanwezig die de onderbreking veroorzaakt van alle lijngeleiders;

  • N-geleiders mogen niet verdeeld worden vanaf een kunstmatig nulpunt in de stroomafwaarts gelegen stroombaan van het onder hogervermeld streepje aangegeven beschermingstoestel.

4.4.4.4Driefasige stroombanen in TT- en TN-netsystemen met verdeelde N-geleider in wisselstroom – Beveiliging van de N-geleider

In elektrische installaties, volgens een TT- of TN-netsysteem waarin de N-geleider verdeeld is, geschiedt de bescherming van de N-geleider als volgt:

  • wanneer de doorsnede van de N-geleider ten minste gelijkwaardig is aan deze van de lijngeleiders, is het niet noodzakelijk een overstroomdetectie noch een onderbrekingstoestel te voorzien op de N-geleider, onder voorbehoud van de naleving van het voorschrift van onderafdeling 4.4.4.8. ;

  • wanneer de doorsnede van de N-geleider niet ten minste gelijkwaardig is aan deze van de lijngeleiders, wordt een overstroomdetectie op de N-geleider voorzien die aangepast is aan de doorsnede van deze geleider. Deze detectie veroorzaakt de onderbreking van de lijngeleiders, maar niet noodzakelijk van de N- geleider. In dat geval is het echter toegelaten de overstroomdetectie niet te voorzien op de N-geleider als aan de volgende voorwaarden gelijktijdig voldaan wordt:

    • de N-geleider wordt beschermd tegen kortsluiting door de beschermingsinrichting op de lijngeleiders;

    • de maximumstroom die door de N-geleider kan vloeien bij normaal bedrijf is lager dan de waarde van de toelaatbare stroom in deze geleider.

4.4.4.5IT-netsystemen met verdeelde N-geleider in wisselstroom – Beveiliging van de N- geleider

In elektrische installaties volgens een IT-netsysteem is de N-geleider in principe niet verdeeld. Indien het echter om functionele redenen noodzakelijk is de N-geleider te verdelen, wordt een overstroomdetectie voorzien op de N-geleider van elke stroombaan. Deze detectie heeft de onderbreking van al de actieve geleiders van de overeenstemmende stroombaan, de N-geleider inbegrepen, tot gevolg.

Deze maatregel is niet noodzakelijk wanneer:

  • hetzij de beschouwde stroombaan beschermd is door een differentieelstroombeschermings-inrichting waarvan de differentiële a anspreekstroom lager is dan of gelijk is aan 0,15 maal de toegelaten stroom in de overeenstemmende N-geleider en deze inrichting alle actieve geleiders van de overeenkomende stroombaan, de N-geleider inbegrepen, onderbreekt;

  • hetzij de N-geleider stroomopwaarts beschermd is door een beschermingsinrichting tegen overstroom.

4.4.4.6Geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL)

Indien de geaarde actieve geleider tegelijkertijd de functie van beschermingsgeleider vervult, is het verboden deze te onderbreken.

4.4.4.7Onderbrekingsvolgorde van de lijngeleiders en de nulgeleider

Wanneer de onderbreking van de nulgeleider voorgeschreven is, zijn de onderbreking en sluiting van de geleiders zo dat de nulgeleider gelijktijdig met of na de lijngeleiders onderbroken wordt en dat hij gesloten wordt gelijktijdig met of eerder dan de lijngeleiders.

4.4.4.8Aanwezigheid van harmonische stromen in de N-geleider

Indien harmonische stromen in de N-geleider een overschrijding van zijn maximaal toegelaten temperatuur veroorzaken, wordt een overstroomdetectie voorzien op de N-geleider. Deze detectie heeft de onderbreking van al de actieve geleiders van de overeenstemmende stroombaan, de N-geleider inbegrepen, tot gevolg.

4.4.4.9M-geleider

De overstroomdetectie van de M-geleider en de onderbreking ervan worden uitgevoerd in overeenstemming met de bepalingen voor de N-geleider in afdeling 4.4.4.

4.5Bescherming tegen overspanning

4.5.1Principe

Personen en goederen moeten volgens de desbetreffende regels van goed vakmanschap beschermd worden tegen de schadelijke gevolgen van:

  • een fout die kan voorkomen tussen de onder spanning staande delen van stroombanen op verschillende spanningen;

  • overspanningen te wijten aan andere oorzaken, bijvoorbeeld atmosferische verschijnselen of eventuele overspanningen bij het schakelen.

De toestellen moeten derwijze uitgevoerd en geplaatst worden dat personen en goederen door hun werking niet in gevaar worden gebracht.

4.5.2Voorzorgsmaatregelen bij het installeren

De elektrische installatie op laagspanning en op zeer lage spanning moet zodanig uitgevoerd worden dat de diëlektrische belasting, waaraan ze onderworpen kan worden, beperkt wordt teneinde een overslag naar de aarde te vermijden.

4.5.3Overspanningsbegrenzer in IT-netsysteem

In IT-netsystemen wordt, indien nodig, een overspanningsbegrenzer aangesloten op het beginpunt van de elektrische installatie tussen de aardverbinding van de elektrische installatie en hetzij de nulgeleider, hetzij een lijngeleider.

4.5.4Gemeenschappelijke buizen voor energiegeleiders en telecommunicatiegeleiders

Het is verboden energiegeleiders en telecommunicatiegeleiders naast elkaar aan te brengen zonder er een scherm tussen te plaatsen, behalve wanneer het allebei kabels zijn. Deze vereiste is niet van toepassing voor telecommunicatiegeleiders als zij elektrische machines, toestellen of leidingen verbinden gelegen in ruimten van de elektrische dienst of in gewone ruimten die niet worden beschouwd als voor het publiek toegankelijke ruimten.

4.6Bescherming tegen bepaalde andere uitwerkingen

4.6.1Bescherming tegen de effecten van spanningsdalingen

Er moeten schikkingen getroffen worden opdat een belangrijke spanningsdaling of het verdwijnen van de spanning en haar terugkeer geen gevaar voor personen of goederen kan opleveren.

Beschermingsinrichtingen tegen de uitwerkingen van spanningsdaling of wegvallen van de spanning zijn noodzakelijk in installaties van gebouwen waarin veiligheidsverbruikers zijn voorzien en ze zijn eventueel noodzakelijk (bij het gebruik van een eventuele vervangingsbron in geval van het uitvallen van de normale bron) in installaties van gebouwen waarin kritische verbruikers zijn voorzien. Deze inrichtingen verzekeren zo nodig het inschakelen van veiligheidsbronnen of vervangingsbronnen en de voeding van de overeenstemmende elektrische machines en toestellen als de spanningsdaling de drempelwaarde van hun correcte werking overschreden heeft.

4.6.2Bescherming tegen biologische effecten van elektrische en magnetische velden

Indien blijkt dat schadelijke biologische uitwerkingen worden veroorzaakt door elektrische en magnetische velden op het menselijk organisme, zullen de Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, bij besluit, de te nemen veiligheidsmaatregelen vastleggen en dit ieder voor wat hem betreft.

De Minister die de Energie onder zijn bevoegdheid heeft kan bij besluit vastleggen:

  • de te nemen maatregelen om de rechtstreekse of onrechtstreekse uitwerking van elektrische en magnetische velden die worden voortgebracht door lijnen voor transmissie en distributie van elektrische energie op mens en huisdier, evenals op elektrische en/of elektronische toestellen of uitrustingen te beperken;

  • de methodes om elektrische en magnetische velden te meten;

  • de voorwaarden waaraan de toestellen voor meting van elektrische en magnetische velden moeten voldoen, evenals hun ijkprocedure;

  • de voorwaarden waaraan de computerprogramma’s moeten beantwoorden die worden gebruikt bij het voorafgaandelijk berekenen van de waarden van de elektrische en magnetische velden, evenals hun te volgen erkenningsprocedure.

Worden geaard de metalen onderdelen die, door hun aanwezigheid in het elektrisch veld opgewekt door een installatie van transmissie of distributie van elektrische energie, op een potentiaal worden gebracht die in een bestendig regime een contactstroom geeft van ten minste 1 mA.

4.6.3Bescherming tegen besmettingsrisico's

De vereiste voorzorgen moeten, indien nodig, genomen worden om te vermijden dat bij een fout de behandelde producten door het elektrisch materieel, bijvoorbeeld bij het stukgaan van lampen, zouden besmet worden.

4.6.4Bescherming tegen risico's te wijten aan bewegingen

Wanneer het gaat om broze constructies of om constructies die onderhevig kunnen zijn aan beschadigingen die aan bewegingen te wijten zijn, moeten de elektrische installaties of delen ervan van die aard zijn dat ze de vervormingen kunnen opvangen zonder te worden beschadigd.

Bewerkte weergave van de officiële bron; dit vervangt geen professionele controle of keuring.

Bronstatus
Extractiestatus: bewerkt uit de officiële bron
Inhoud-SHA-256:
1a0459571f87bf4e31931bd698e5e6605e4fe7f8c6cde86865c18b5a2b14336a
PDF-SHA-256:
d22895299e20a525673e1814b8694c4bfca2d6d33951c430ed97ff48873a47b5