Regelwerk · Deel 5

AREI Boek 1 · Deel 5

Keuze en gebruik van het materieel

Versie 06 · K.B. 06.10.2025 · van toepassing van 01/04/2026 tot 31/10/2026 · Officiële brontaal: Nederlands · Officiële PDF-bron openen

Versie 06 gold tot 31/10/2026. Sindsdien geldt versie 07. Geldende versie openen (versie 07)

5.1Gemeenschappelijke regels voor al het materieel

5.1.1Algemeenheden

5.1.1.1Veiligheidsdoelstellingen

Het elektrisch materieel moet gekozen en geïnstalleerd worden om te voldoen aan:

  • de voorschriften van dit Boek;

  • de voorwaarden van de te verwachten uitwendige invloeden;

zodat personen en goederen geen gevaar zouden lopen.

5.1.1.2Algemeenheden met betrekking tot de voorzorgsmaatregelen tegen brand

Het elektrisch materieel moet zodanig gekozen en geïnstalleerd worden dat er geen gevaar bestaat enerzijds voor personen anderzijds voor voorwerpen en materiaal in de nabijheid. Bijzondere aandacht dient te worden besteed aan de aansluitingen en verbindingen van het elektrisch materieel.

Het elektrisch materieel moet zo opgevat en geïnstalleerd worden dat de warmteafgifte, voortgebracht in normaal bedrijf door dit elektrisch materieel, niet wordt gehinderd.

Indien natuurlijke verluchting niet volstaat om een overmatige warmteconcentratie te vermijden moet een gepast warmteafvoersysteem worden voorzien.

In het kader van de beveiliging tegen brand zijn bijkomende regels gedefinieerd in de afdeling 4.3.3.

5.1.2Toepassingsgebied

Deze voorschriften zijn van toepassing op:

  • elektrisch materieel voor zeer lage spanning;

  • elektrisch materieel voor laagspanning;

  • hoogspaningstoestellen met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning (zie afdeling 1.2.1. ).

5.1.3Conformiteit met de normen

5.1.3.1Algemeenheden

Elektrisch materieel wordt verondersteld de vereiste veiligheid te bieden:

  • hetzij wanneer het overeenkomstig is met de criteria bedoeld in het Wetboek van economisch recht, Boek IX, Veiligheid van producten en diensten, wat betreft het op de markt brengen van niet-gereglementeerd elektrisch materieel en in zijn uitvoeringshandelingen;

  • hetzij voor hoogspanningstoestel met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning dat deel uitmaakt van een geheel dat met goed resultaat de proeven van het isoleringsniveau heeft doorstaan en voorzien is van een kenplaat waarop de spanningen, tijdens deze proeven aangewend, zijn aangeduid. De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben, stellen ieder voor wat hem betreft, eventueel per geval, bij besluit, de voorwaarden van deze proeven vast.

5.1.3.2Uitzondering

Indien hoogspaningstoestellen met een begrensd vermogen gevoed op laagspanning, niet voldoen aan de voorschriften van onderafdeling 5.1.3.1. , moeten ze zodanig ontworpen, vervaardigd en geplaatst zijn dat de luchtafstand tussen de blanke delen onder spanning, tussen deze delen en de massa of tussen blanke onder spanning staande delen van eenzelfde lijngeleider wanneer ze in geopende stand gescheiden zijn, ten minste gelijk is aan:

  • d = 50 + 6,75 ( U N – 1)

Daarin is:

  • d : de voorgenoemde afstand in mm; U N: de nominale spanning tussen lijngeleiders van het toestel uitgedrukt in kV en afgerond naar de hogere eenheid.

Wanneer de blanke oppervlakken door een of meerdere isolerende stoffen andere dan de lucht geïsoleerd zijn, het luchtledige inbegrepen, moet het isolatiepeil dat voortvloeit uit de kleinere afstanden die bestaan tussen de in het voorgaande lid vermelde delen ten minste gelijk zijn aan dit tot stand gebracht door de luchtafstanden die voortvloeien uit de toepassing van de formule van het voorgaande lid.

5.1.3.3Differentieelstroombeschermingsinrichtingen

De differentieelstroombeschermingsinrichtingen moeten voldoen hetzij aan de schikkingen van de desbetreffende normen, door de Koning bekrachtigd of door het NBN geregistreerd, hetzij aan de schikkingen vastgelegd, bij besluit, door de Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor zijn domein, hetzij aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

5.1.4Keuze en gebruik in functie van de uitwendige invloeden

De keuze en het gebruik van elektrisch materieel geschieden in functie van de aanwezige uitwendige invloeden. De Ministers, die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder wat hem betreft, kunnen bijkomende voorwaarden vaststellen met betrekking tot de keuze en het gebruik van elektrisch materieel. Bij ontstentenis daarvan, worden de keuze en het gebruik van elektrisch materieel gemaakt in akkoord met de vertegenwoordiger van het in hoofdstuk 6.3. bedoeld erkend keuringsorganisme.

Wanneer verschillende uitwendige invloeden zich gelijktijdig kunnen voordoen, kunnen hun gevolgen onafhankelijk zijn of elkaar onderling beïnvloeden en, in dit geval, de keuze van de beschermingsgraad wijzigen.

Wanneer nochtans het elektrisch materieel door constructie de vereiste eigenschappen niet bezit, mag het toch gebruikt worden op voorwaarde dat het bij het installeren wordt voorzien van een bijkomende bescherming waardoor gelijkwaardige eigenschappen verzekerd worden. Deze bijkomende bescherming mag de werking van het aldus beschermd elektrisch materieel niet schaden.

5.1.5Toegankelijkheid van het elektrisch materieel

5.1.5.1Elektrische machines en toestellen

De elektrische machines en toestellen moeten zo ontworpen en geïnstalleerd zijn dat een gemakkelijke bediening, toezicht en onderhoud evenals de bereikbaarheid van de verbindingen verzekerd is. Deze vereiste geldt eveneens wanneer elektrische machines en toestellen geïnstalleerd zijn in omhulsels of vakken van omhulsels.

5.1.5.2Elektrische leidingen

Elektrische leidingen moeten derwijze geplaatst worden dat steeds hun isolatie kan gemeten worden, na zo nodig buitenspanningstelling, en dat de plaats van eventuele fouten alsook de juiste aard van de toevallige fouten kan bepaald worden.

5.1.6Markering

5.1.6.1Identificatie van elektrisch materieel

De laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen en de vaste machines en toestellen moeten op een duidelijke, goed zichtbare en onuitwisbare wijze worden gemarkeerd door middel van individuele markeringen, tenzij iedere mogelijkheid tot vergissen uitgesloten is.

5.1.6.2Kleurcode van geïsoleerde geleiders

In leidingplaatsingssystemen (buizen, kokers, goten, lijsten, kabelbanen, kabelkanalen…) en elektrische leidingen worden de met vaste isolatiematerialen geïsoleerde geleiders, gemerkt door een groen/gele kleurcombinatie gebruikt hetzij als beschermingsgeleider (PE) hetzij als potentiaalvereffeningsgeleider hetzij als geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL).

De voormelde kleurcombinatie is aanwezig over de gehele lengte van de geïsoleerde geleiders.

Het gebruik van de groene en/of gele kleur, alsmede het gebruik van één van deze kleuren in een veelkleurige combinatie is verboden in de isolatiematerialen van actieve geleiders met uitzondering van de geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL).

In afwijking van de voorschriften van de vorige alinea, zijn de met groene of gele kleur gemerkte isolatiematerialen toegelaten in elektrische leidingen die deel uitmaken van bedienings-, controle-, signalisatie- of meetstroombanen voor zover hun doorsnede kleiner is dan 1,5 mm².

De met blauwe kleur gemerkte isolatiematerialen worden voorbehouden aan de nulgeleider in de stroombanen die dergelijke geleider bezitten.

Wanneer de stroombaan geen nulgeleider bevat, mag de geleider van een meerpolige kabel, waarvan het isolatiemateriaal met de blauwe kleur is gemerkt, voor een ander doel gebruikt worden, behalve als beschermingsof potentiaalvereffeningsgeleider.

5.2Aanvullende regels voor de leidingen

5.2.1Algemeenheden

5.2.1.1Identificatiecode van elektrische leidingen

De identificatiecode van de elektrische leidingen wordt bepaald door de desbetreffende norm, door de Koning bekrachtigd of door het NBN geregistreerd of beantwoordt aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

5.2.1.2Keuze van elektrische leidingen

De elektrische leidingen die geen integrerend deel uitmaken van een elektrische machine of toestel, en in het bijzonder hun doorsneden, worden derwijze gekozen dat:

  1. a)

    tenzij tegenstrijdige omschrijving bepaald in dit Boek, hun toegelaten stroom I z, zoals bepaald in onderafdeling 4.4.1.4. , ten minste gelijk is aan de bedrijfsstroom I B van de beschouwde stroombaan;

  2. b)

    de spanningsval onder de normale bedrijfsvoorwaarden verenigbaar is met de bedrijfszekere werking van de gevoede elektrische machines en toestellen;

  3. c)

    de elektrodynamische invloeden die kunnen voorkomen in geval van kortsluiting de veiligheid niet in gevaar brengen;

  4. d)

    de andere mechanische invloeden, voorzien in de regels van goed vakmanschap, ze niet beschadigen;

  5. e)

    de waarde van de impedantie van de stroombaan verenigbaar is met de werking van de beveiliging opgelegd door dit Boek.

    De Ministers die bevoegdheid hebben respectievelijk over Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk mogen, bij besluit, nadere regels vaststellen met betrekking tot de berekening van de doorsnede van de elektrische leidingen.

    Het is verboden voor de normale transmissie van elektrische energie als geleider te gebruiken:

    • water- of gasleidingen;

    • metalen delen van een constructie;

    • de metalen omhulsels van geïsoleerde elektrische geleiders;

    • verwarmingsbanen;

    • de grond.

    De elektrische leidingen worden gekozen in functie van de aanwezige uitwendige invloeden en de karakteristieken van de installatie (spanning, stroom, vermogen, compatibiliteit…).

    Voor de elektrische leidingen die geen integrerend deel uitmaken van een elektrische machine of toestel, wordt het gebruik van geïsoleerde geleiders met een doorsnede kleiner dan 2,5 mm² verboden.

    Nochtans worden uitzonderingen toegestaan voor de geleiders van de elektrische leidingen, opgenomen in tabel 5.1 .

    Tabel 5.1 Elektrische leidingen waarvan de geleiders een doorsnede kleiner dan 2,5 mm² mogen hebben

    Minimale doorsnede (mm²) Elektrische leidingen
    1,5 Elektrische leidingen die deel uitmaken van stroombanen
    zonder contactdoos, met uitzondering van één enkele
    contactdoos met een nominale stroomsterkte van 2,5 A
    ingebouwd in verlichtingsarmaturen.
    0,75 Elektrische leidingen die deel uitmaken van stroombanen
    ingebouwd in schakel- en verdeelborden en die een enkel-
    voudige contactdoos voeden. De beschermingsinrichtingen
    van deze elektrische leidingen zijn aangepast voor de door-
    snede van deze elektrische leidingen.
    0,5 Elektrische leidingen die deel uitmaken van bedienings-,
    controle-,signalisatie- of meetstroombanen.

    In de huishoudelijke installaties, wordt elk (verplaatsbaar) toestel met vaste standplaats of elke (verplaatsbare) machine met vaste standplaats met een nominaal vermogen groter of gelijk aan 2600 W afzonderlijk gevoed door een toegekende stroombaan. De wasmachine, de afwasmachine, de droogkast, het elektrisch fornuis, de elektrische kookplaat en de elektrische oven worden ook afzonderlijk gevoed door een toegekende stroombaan. De toestellen van een elektrische verwarming met vaste standplaats worden gevoed door een of meerdere toegekende stroombanen. De doorsnede van de elektrische leidingen bestemd voor de voeding van deze elektrische toestellen of machines wordt in functie van het vermogen van deze elektrische toestellen of machines gekozen.

5.2.1.3Plaatsing van de geleiders

Een meeraderige kabel of een groepering van geleiders mogen stroombanen op verschillende spanningen bevatten op voorwaarde dat de geleiders geïsoleerd zijn, hetzij individueel, hetzij collectief, voor de hoogst voorkomende spanning.

In dat geval moeten maatregelen genomen worden overeenkomstig de regels van goed vakmanschap om te vermijden dat bij een eventueel galvanisch contact tussen geleiders van verschillende stroombanen de veiligheid van personen evenals het behoud van de goederen in gevaar wordt gebracht.

De éénaderige kabels en de geïsoleerde geleiders behorend tot eenzelfde stroombaan moeten in de onmiddellijke nabijheid van elkaar geplaatst worden. Deze regel is eveneens van toepassing op de bijhorende beschermingsgeleider.

5.2.1.4Isolatie van de geleiders

  1. a.

    Algemeenheden

    In gewone ruimten moeten alle actieve geleiders van elektrische leidingen in principe samengesteld zijn uit geleiders die op een zekere en duurzame wijze met behulp van een continue bekleding geïsoleerd zijn.

    Anderzijds moeten de geprefabriceerde leidingen conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen zijn of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    Het is evenwel toegelaten blanke actieve geleiders te gebruiken:

    • mits eerbiediging van de voorschriften met betrekking tot de gedeeltelijke bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking hetzij door het buiten bereik stellen door middel van verwijdering volgens de voorschriften van 4.2.2.1.d., hetzij door middel van hindernissen volgens de voorschriften van 4.2.2.1.e. ;

    • in de industriële ruimten, mits eerbiediging der voorschriften van 4.2.2.5.f., met betrekking tot contactlijnen voor rol- of glijcontacten.

  2. b.

    Specifieke voorschriften voor installatie op ZLVS en op ZLBS

    In de binneninstallaties moeten alle actieve geleiders samengesteld zijn uit geleiders die op een zekere en duurzame wijze geïsoleerd zijn. Het is evenwel toegelaten blanke geleiders te gebruiken:

    • wanneer de voorschriften van onderafdeling 4.2.2.2. de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking geëerbiedigd worden;

    • in de gewone ruimten die niet worden beschouwd als voor het publiek toegankelijke ruimten waar werknemers, bedoeld bij artikel 2 van de wet van 4 augustus 1996 betreffende het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk, zijn tewerkgesteld, wanneer de voorschriften van 4.2.2.5.f. met betrekking tot de contactlijnen voor rol- of glijcontacten geëerbiedigd worden;

    • voor het gebruik van geprefabriceerde leidingen, indien ze conform de desbetreffende, door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen zijn of indien ze beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

5.2.1.5Mechanische weerstand - doorvoeren

De plaatsing de van de elektrische leidingen moet zodanig uitgevoerd worden dat ze een voldoende mechanische weerstand behouden, rekening houdend met de belastingsomstandigheden waaraan ze blootgesteld worden.

Elektrische leidingen die bijzonder aan mechanische beschadigingen blootgesteld zijn, moeten van het gepantserd type zijn of voorzien worden van een speciale bescherming die hen hiertegen vrijwaart.

Voor de doorvoeren tussen lokalen welke belangrijke verschillen in hygrometrische toestand vertonen, moeten speciale voorzorgsmaatregelen genomen worden om het indringen en de condensatie van water in de doorvoeren te vermijden. Indien de doorvoeren uitgevoerd worden door middel van niet-afgedichte buizen moeten deze afhellen naar het vochtigste lokaal en worden ze derwijze geplaatst dat de geleiders vrij geventileerd worden.

Dezelfde voorzorgsmaatregelen moeten genomen worden voor de doorvoeren naar buiten.

De doorvoeren die uitmonden in een lokaal met de uitwendige invloeden BE2 en/of AF4 moeten langs de zijde van dit lokaal afgedicht worden.

Bij doorvoeren van vloeren moet ter hoogte van de afgewerkte vloer de bescherming van de elektrische leiding verzekerd worden tegen mechanische beschadiging en vloeistoffen die op de afgewerkte vloer kunnen uitgegoten worden. Indien de doorvoer wordt uitgevoerd als in buizen geplaatste geleiders zijn deze waterdicht en hun bovenkant steekt boven de vloer uit op een hoogte ten minste gelijk aan deze der plinten indien aanwezig en met een minimum van 10 cm.

5.2.2Plaatsingswijzen

5.2.2.1Laagspanning

De elektrische leidingen mogen, onder voorbehoud van hun aard, op volgende wijzen aangebracht worden:

  1. a.

    als luchtlijnen;

    Figuur 5.1Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Luchtlijnen
  2. b.

    als ondergrondse elektrische leidingen;

    1. b.1

      rechtstreeks ingegraven

      Figuur 5.2Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Rechtstreeks ingegraven ondergrondse elektrische leidingen
    2. b.2

      ingegraven met mechanische bescherming

      Figuur 5.3Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Ondergrondse elektrische leidingen ingegraven met mechanische bescherming
    3. b.3

      ingegraven in een huls

      Figuur 5.4Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Ondergrondse elektrische leidingen, ingegraven in een huls
  3. c.

    als contactlijn voor rol- of glijcontacten;

  4. d.

    in opbouw:

    de elektrische leiding wordt aangebracht tegen het oppervlak van een wand van een ruimte of in zijn onmiddellijke nabijheid op zulke wijze dat de afstand tussen de elektrische leiding en de wand niet groter is dan 0,3 maal de buitendiameter van de bedoelde elektrische leiding.

    Figuur 5.5Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Opbouw
  5. e.

    in verzonken buizen;

    Figuur 5.6Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Inbouw
  6. f.

    in daartoe bestemde sierlijsten, plinten en lijsten;

    1. f.1

      plint

      Figuur 5.7Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Plinten
    2. f.2

      lijst

      Figuur 5.8Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Lijsten
  7. g.

    in de vrije lucht, hetzij met klemmen, beugels of andere bevestigingsmiddelen, hetzij op kabelrekken, kabelladders, kraagstukken, haken of gelijkaardige steunen; de elektrische leiding is van alle wanden verwijderd op een afstand groter dan of gelijk aan 0,3 maal haar buitendiameter;

    1. g.1

      kabelrekken

      Figuur 5.9Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Kabelrekken
    2. g.2

      haken

      Figuur 5.10Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Haken
  8. h.

    in kabelbanen of goten;

    1. h.1

      kabelbaan

      Figuur 5.11Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Kabelbaan
    2. h.2

      goot

      Figuur 5.12Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Goot
  9. i.

    in kokers;

    Figuur 5.13Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Kokers
  10. j.

    in open, gesloten of met zand gevuld kabelkanaal;

    1. j.1

      buizen in open of verluchte kabelkanalen

      Figuur 5.14Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Buizen in open of verluchte kabelkanalen
    2. j.2

      buizen in gesloten kabelkanalen

      Figuur 5.15Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Buizen in gesloten kabelkanalen
    3. j.3

      rechtstreekse plaatsing in open of verluchte kabelkanalen

      Figuur 5.16Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Rechtstreekse plaatsing in open of verluchte kabelkanalen
    4. j.4

      rechtstreekse plaatsing in gesloten kabelkanalen

      Figuur 5.17Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Rechtstreekse plaatsing in gesloten kabelkanalen
    5. j.5

      rechtstreekse plaatsing in met zand gevulde kabelkanalen

      Figuur 5.18Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Rechtstreekse plaatsing in met zand gevulde kabelkanalen
  11. k.

    in holle constructieruimten, holten en in geprefabriceerde uitgeholde blokken;

    1. k.1

      holten

      Figuur 5.19Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Holten
    2. k.2

      geprefabriceerde blokken

      Figuur 5.20Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Geprefabriceerde blokken
  12. l.

    achter wandpanelen;

    Figuur 5.21Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Achter wandpanelen
  13. m.

    rechtstreeks verzonken, zonder buizen;

    Figuur 5.22Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Rechtstreeks verzonken, zonder buizen
  14. n.

    in geprefabriceerde leidingen;

    Figuur 5.23Plaatsingswijzen van elektrische leidingen In geprefabriceerde leidingen
  15. o.

    op isolatoren;

    Figuur 5.24Plaatsingswijzen van elektrische leidingen Op isolatoren
  16. p.

    onder water;

    Figuur 5.25Plaatsingswijzen van elektrische leidingen  Onder water
  17. q.

    in zolderingen, vloeren en muren voor de verwarmingsleidingen en verwarmingspanelen.

5.2.2.2Zeer lage spanning

Alle plaatsingswijzen voor de elektrische leidingen op laagspanning zijn toepasselijk voor elektrische leidingen op zeer lage spanning. De elektrische en/of mechanische karakteristieken mogen echter versoepeld worden behalve bij uitwendige invloeden BE2 of BE3 of CA2.

Bovendien mogen de geleiders en kabels rechtstreeks in de vloer geplaatst worden. Er moet echter rekening gehouden worden met de mechanische krachten waar ze aan blootgesteld kunnen worden daar deze krachten, gezien de kleine mechanische weerstand van de elektrische leidingen, gemakkelijk tot de breuk ervan kunnen leiden. Als blanke geleiders rechtstreeks in de vloer aangebracht worden, moeten ze op zeer lage spanning gevoed worden door middel van een beschermingstransformator.

5.2.2.3Zeer lage veiligheidsspanning

De plaatsingswijzen voor elektrische leidingen op zeer lage spanning zijn van toepassing op elektrische leidingen op zeer lage veiligheidsspanning met uitzondering van de rechtstreekse plaatsing van de blanke geleiders in de grond.

5.2.2.4Bijkomende plaatsingswijze

Andere plaatsingswijzen voor elektrische geleiders en leidingen moeten beantwoorden aan de desbetreffende regels van goed vakmanschap.

5.2.3Keuze en gebruik van leidingen in functie van de uitwendige invloeden

5.2.3.1In functie van de omgevingstemperatuur (AA)

Elektrische leidingen moeten zo worden gekozen en geïnstalleerd dat zij geschikt zijn voor de laagste en de hoogste plaatselijke omgevingstemperatuur.

De elementen van de elektrische leidingen, met inbegrip van kabels en toebehoren, moeten worden geïnstalleerd of verwerkt bij temperaturen binnen de grenzen zoals aangegeven in de desbetreffende productnormering of zoals opgegeven door de fabrikant.

Bovendien moeten bijkomende maatregelen (thermische isolatie, mechanische bescherming, starre bevestiging...) genomen worden in die gevallen waar de temperatuur lager kan worden dan −25 °C.

5.2.3.2In functie van de aanwezigheid van water (AD)

Elektrische leidingen moeten zo worden gekozen en geïnstalleerd dat geen schade veroorzaakt wordt door condensatie of binnendringend water. De beschermingsgraad IP van elektrische leidingen moeten na voltooiing voldoen aan de ter plaatse van toepassing zijnde uitwendige invloeden.

Wanneer zich in de elektrische leidingen water kan verzamelen (ook door condensatie), moeten voorzieningen worden getroffen om dit te laten afvloeien.

5.2.3.3In functie van de aanwezigheid van corrosieve en milieuverontreinigende stoffen (AF)

Indien de hoeveelheid corrosieve of vervuilende stoffen verwaarloosbaar is (AF1) zijn alle elektrische leidingen conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen toegelaten of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Indien elektrische leidingen geplaatst zijn in een ruimte waar corrosieve of vervuilende stoffen van atmosferische oorsprong (AF2) aanwezig zijn, moeten ze van een type zijn dat met succes de proef met zoutnevel kan ondergaan, zoals vastgesteld hetzij in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregi- streerde norm hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Indien de elektrische leidingen geplaatst zijn in een ruimte waar ze onderworpen zijn aan een onderbroken of een toevallige inwerking van scheikundige of corrosieve producten voor normaal gebruik (AF3), moeten ze van een type zijn dat met goed gevolg de proef van corrosiebestendigheid kan ondergaan zoals voorgeschreven hetzij door de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij door bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Indien de elektrische leidingen onderworpen zijn aan een bestendige inwerking (AF4) van scheikundige, corrosieve of vervuilende producten moeten ze speciaal bestudeerd zijn in functie van de aard van de betrokken producten.

5.2.3.4In functie van mechanische belasting veroorzaakt door schokken (AG)

Indien de te verwachten schokken van de klasse AG1 zijn, mogen de elektrische leidingen van het huishoudelijk type zijn conform de desbetreffende, door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of mogen beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Indien de te verwachten schokken van de klasse AG2 of AG3 zijn moeten de elektrische leidingen een mechanische bescherming hebben die weerstaat aan de te verwachten schokken.

5.2.3.5In functie van mechanische belasting veroorzaakt door trillingen (AH)

Indien de elektrische leidingen blootgesteld zijn aan middelmatige (AH2) of belangrijke (AH3) trillingen, moeten ze speciaal bestudeerd worden of moeten hiervoor bijzondere schikkingen getroffen worden.

5.2.3.6In functie van de aanwezigheid van flora en/of schimmelvorming (AK) en fauna (AL)

De tegen flora te treffen maatregelen hangen af van de aard van de flora en van de plaatselijke omstandigheden. Het risico is te wijten hetzij aan een schadelijke ontwikkeling, hetzij aan een overvloedige groei van planten.

De tegen fauna te nemen beschermingsmaatregelen zijn, naargelang van het geval:

  • een gepaste beschermingsgraad tegen de indringing van vaste lichamen;

  • een voldoende mechanische weerstand, een metalen wapening;

  • voorzorgsmaatregelen om de aanwezigheid van deze fauna tegen te gaan, zoals reiniging, gebruik van scheikundige bestrijdingsmiddelen...

5.2.3.7In functie van elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden (AM) en zonnestraling (AN)

Indien van toepassing, moeten de maatregelen van onderafdeling 5.3.2.8. in acht genomen worden.

5.2.3.8In functie van de bescherming tegen elektrische schokken (BB en BC)

De in aanmerking te nemen uitwendige invloeden voor de bescherming tegen elektrische schokken zijn deze die de weerstand van het menselijk lichaam beïnvloeden en die bepaald werden in tabel 2.3. in afdeling 2.4.1. alsook het contact van personen met het aardpotentiaal zoals bepaald in afdeling 2.10.13.

5.2.3.9In functie van de aard van de behandelde of opgeslagen goederen (BE), bouwmaterialen (CA) en de structuur van gebouwen (CB)

De in aanmerking te nemen uitwendige invloeden worden bepaald in:

  • afdeling 2.10.15. voor de aard der behandelde of opgeslagen goederen;

  • afdeling 2.10.16. voor de bouwmaterialen;

  • afdeling 2.10.17 . voor de structuur van gebouwen.

De na te volgen voorschriften voor de keuze van elektrische leidingen worden gegeven in:

  • afdeling 4.3.3. en 5.2.7. betreffende de bijzondere voorzorgsmaatregelen tegen brandgevaar;

  • onderafdeling 7.102.8.4. betreffende de voorzorgsmaatregelen tegen ontploffingsgevaar.

5.2.4Toegelaten stromen Bescherming tegen overstroom Doorsnede van de geleiders

5.2.4.1Algemeenheden

De toe te passen regels voor de bescherming tegen overstroom worden behandeld in hoofdstuk 4.4. Elektrische bescherming tegen overstroom .

5.2.4.2Toepassingsgebied

De elektrische bescherming tegen overstroom voor de bedrading in elektrische machines of toestellen moet verzekerd worden volgens de desbetreffende regels van goed vakmanschap.

Actieve geleiders van elektrische leidingen moeten beschermd worden tegen overstroom tenzij ze aangesloten zijn op een bron met een impedantie die haar maximumstroom beperkt tot een waarde die kleiner dan of gelijk is aan de toelaatbare stroom in deze elektrische leidingen.

Soepele elektrische leidingen en die elektrische machines en toestellen rechtstreeks voeden en die aangesloten worden op een contactdoos hoeven niet beschermd te worden tegen overstroom indien hun lengte en de doorsnede van de geleiders conform de desbetreffende, door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen is of beantwoordt aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Soepele elektrische leidingen en van verlengsnoeren met koppelcontactstop of tafelcontactdoos, met of zonder oprolmechanisme, hoeven niet beschermd te worden tegen overstroom indien:

  1. 1.

    voor een nominale stroom kleiner dan of gelijk aan 2,5 A, de minimumdoorsnede van de geleiders ten minste 0,75 mm² is;

  2. 2.

    voor een nominale stroom groter dan 2,5 A en kleiner dan of gelijk aan 16 A de minimumdoorsnede van de geleiders ten minste 1,5 mm² is;

  3. 3.

    voor een nominale stroom groter dan 16 A, de minimumdoorsnede van de geleiders overeenstemt met deze, gegeven door de regels van goed vakmanschap.

    Het is toegelaten geen bescherming tegen overstromen als gevolg van kortsluiting te installeren en het is verboden een beschermingsinrichting tegen overbelasting te plaatsen op elektrische leidingen die een elektrische machine of toestel voeden waarvan het onvoorzien afschakelen gevaren of zware gevolgen met zich kan meebrengen. Dit is bijvoorbeeld het geval in de opwekkingsstroombaan van motoren, de geïnduceerde stroombaan van wisselstroommachines, de secundaire stroombaan van stroomtransformatoren, de voedingsstroombaan van elektromagneten voor laad- en hijstoestellen, ... De doorsnede van de geleiders van deze stroombanen moet gekozen worden overeenkomstig de regels van goed vakmanschap.

5.2.4.3Bescherming van blanke geleiders verschillend van deze van luchtlijnen

Geen enkele bijzondere beschermingsmaatregel tegen overstroom wordt voorzien tot het voorkomen van temperatuursverhoging van het railstel en zijn blanke aftakkingen in onderstations, verdeelposten of verdeelkasten in zoverre zij voldoende afmetingen hebben om te weerstaan aan thermische en mechanische belastingen, veroorzaakt door mogelijke kortsluitstromen die er doorheen kunnen vloeien. Met dit doel moeten hun afmetingen voldoen aan de volgende voorschriften:

  1. 1.

    Uit thermisch oogpunt gezien moet hun doorsnede volgens de regels van goed vakmanschap berekend worden. Ze is functie van:

    • de aard en de kenmerken van het metaal van de geleider (volumetrische massa, massawarmte en weerstand);

    • de maximale bedrijfstemperatuur van de geleider;

    • de maximale opwarming van de geleider die wordt vastgesteld op 250°C.

    De Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben kunnen ieder voor wat hem betreft, bij besluit, nadere regels vaststellen met betrekking tot de berekening van de doorsnede van de blanke geleiders verschillend van deze van luchtlijnen.

  2. 2.

    Uit mechanisch oogpunt gezien moet de totale structuur, dit wil zeggen het profiel, de schikking en vasthechting, bestand zijn tegen de aantrekkings-, afstotings- en resonantiekrachten, veroorzaakt door de maximumkortsluitstroom (piekwaarde):

    I c  2,5  I eff

    > Daarin is Ic de piekwaarde.

5.2.5Spanningsval

De spanningsval in elektrische leidingen moet beperkt worden tot de waarden beschreven in de regels van goed vakmanschap.

5.2.6Verbindingen

5.2.6.1Algemeenheden

De verbindingen voor koppelingen, aansluitingen of aftakkingen worden volgens de regels van goed vakmanschap uitgevoerd in schakel- en verdeelborden, verbindings- of aftakdozen, aan de klemmen van schakelaars of contactdozen, of in de plafonddozen met voldoende volume voor het ophangen van verlichtingstoestellen.

De behuizing van verzonken schakelaars en contactdozen moet voldoende ruim zijn om er de verbindingen gemakkelijk in onder te brengen.

Verbindings-, aftak- en inbouwdozen voor plaatsing in buizen moeten uit metaal, onbrandbaar gemaakt hout of een niet-vlamverspreidende isolerende materiaal zijn. Zij moeten conform de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen zijn of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Aan de uiteinden van elektrische leidingen, en vooral op de plaatsen waar zij elektrische machines en toestellen binnenkomen, moet een continue bescherming verzekerd worden.

De aansluiting moet, indien noodzakelijk, de afdichting verzekeren met behulp van wartelinvoer, deksels...

Wanneer de elektrische leidingen een mantel of een omhulsel bevatten met een bepaalde beschermingsgraad, dan moet de wartelinvoer aangedrukt worden op deze mantel en niet op de isolatie der geleiders. Wanneer de afdichtingsmantel zich onder een metalen wapening bevindt, moet de wapening voor de wartelinvoer zorgvuldig afgesneden worden en vastgehouden door een aangepaste inrichting welke weerstaat aan de inwendige en uitwendige invloeden.

De wartelinvoeren van de omhulsels met dubbele isolatie moeten uit isolerend materiaal vervaardigd zijn.

Voor wat de ondergrondse kabels betreft moeten de isolatieweerstand en de luchtdichtheid van verbindingen tussen verschillende stukken van een kabel of tussen een kabel en een elektrische lijn ten minste gelijk zijn aan deze van de kabel zelf, en dit overeenkomstig de regels van goed vakmanschap.

5.2.6.2Aansluiten van toestellen op installaties

  1. a.

    Algemeenheden

    De toestellen kunnen op de installaties worden aangesloten, hetzij rechtstreeks via een vaste elektrische leiding, hetzij via een soepele elektrische leiding.

    Onder toestellen gevoed via een soepele elektrische leiding verstaat men de verplaatsbare en draagbare toestellen alsook deze voor dewelke deze wijze van aansluiting erkend is door de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoordt aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    In leidingplaatsingssystemen (buizen, kokers, goten, lijsten, kabelbanen, kabelkanalen…) en elektrische leidingen worden de met vaste isolatiematerialen geïsoleerde geleiders, gemerkt door een groen/gele kleurcombinatie gebruikt hetzij als beschermingsgeleider (PE) hetzij als potentiaalvereffeningsgeleider hetzij als geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL).

    De voormelde kleurcombinatie is aanwezig over de gehele lengte van de geïsoleerde geleiders.

    Het gebruik van de groene en/of gele kleur, alsmede het gebruik van één van deze kleuren in een veelkleurige combinatie is verboden in de isolatiematerialen van actieve geleiders met uitzondering van de geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL).

    In afwijking van de voorschriften van het voorgaande lid, is het gebruik van de groene of gele kleur toegelaten in elektrische leidingen die deel uitmaken van bedienings-, controle-, signalisatie- of meetstroombanen voor zover hun geleiderdoorsnede kleiner is dan 1,5 mm².

  2. b.

    Rechtstreekse aansluiting van toestellen op een vaste elektrische leiding

    De elektrische leidingen moeten beschermd worden tegen mogelijke beschadigingen waaraan ze zijn blootgesteld. Bovendien mogen de aansluitingen van geleiders met de toestellen niet onderworpen worden aan trek- of wringingskrachten.

    Aan de ingang van de toestellen moeten de elektrische leidingen eveneens beschermd worden tegen mechanische beschadiging.

    De aansluiting van de geleiders met de toestellen moet verwezenlijkt worden volgens de regels van goed vakmanschap.

  3. c.

    Aansluiting via een soepele elektrische leiding

    De soepele elektrische leidingen moeten een voldoende aantal geleiders bevatten die elektrisch gescheiden zijn en mechanisch een geheel vormen met inbegrip van de beschermingsgeleider wanneer deze noodzakelijk is.

    De soepele elektrische leidingen moeten gekozen worden rekening houdend met:

    • de gebruiksvoorwaarden;

    • de uitwendige invloeden;

    • de beschermingsvoorschriften tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking.

    De aansluiting van soepele elektrische leidingen op vaste elektrische leidingen moet geschieden:

    • hetzij via contactdozen;

    • hetzij via verbindingsdozen;

    • hetzij via glijcontacten op een trolley wanneer het gaat om de voeding van verplaatsbaar elektrisch materieel.

    • De aansluitingen van soepele elektrische leidingen op de toestellen moet verwezenlijkt worden:

    • hetzij door middel van soepele elektrische leidingen die blijvend aan de toestellen verbonden zijn;

    • hetzij via een connector die zodanig wordt aangebracht dat de actieve delen van de toestelcontactdoos en het stopcontact niet genaakbaar zijn wanneer ze onder spanning staan.

    De connectoren moeten voldoen aan de volgende voorschriften:

    • de connectoren die niet geplaatst zijn in gesloten ruimten van de elektrische dienst zijn voorzien van hetzij een vergrendelingsinrichting die de doorgang van de stroom onderbreekt vóór de ontkoppeling, hetzij van een inrichting die een werktuig of ieder ander middel met een gelijkwaardige veiligheidsgraad nodig heeft voor de ontkoppeling;

    • de connectoren hebben een beschermingsgraad van minstens IPXX-B (aan bronzijde) in open stand;

    • de delen «bron» en «aftakking» van de connector zijn voorzien van een specifieke markering van de delen van de connector en van een mechanisch systeem dat de omwisseling verhindert tussen de lijn-, nul- en beschermingsgeleiders.

    De afneembare aftakelementen van geprefabriceerde leidingen waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 16 A bij een nominale spanning groter dan 500 V wisselspanning en 50 V gelijkspanning of waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 32 A:

    • moeten een beschermingsgraad hebben die ten minste gelijk is aan IPXX-B;

    • zijn voorzien van een lastscheidingsschakelaar van de gebruikscategorie AC22A of DC22A beantwoordend hetzij aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm;

    • laten de toegang tot de inwendige uitrusting alsmede het aanbrengen op of wegnemen van de geprefabriceerde leidingen slechts toe wanneer de lastscheidingsschakelaar is geopend.

5.2.7Keuze en gebruik ter beperking van de brandverspreiding

5.2.7.1Algemeenheden

Moeten niet aan de eisen van de onderafdelingen 5.2.7.2. en 5.2.7.3. beantwoorden:

  1. 1.

    de samenstellende geïsoleerde geleiders van een kabel;

  2. 2.

    de geïsoleerde geleiders en de kabels van de stroombanen van een elektrische machine of toestel waarvan het geheel gedekt is door een EU-conformiteitsverklaring;

  3. 3.

    voor de geïsoleerde geleiders en kabels die zijn geïnstalleerd (afzonderlijk of in bundel/laag) met de volgende plaatsingswijzen:

    • de geïsoleerde geleiders in buizen die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3 cm zijn verzonken;

    • de kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale diepte van 3 cm zijn verzonken;

    • de luchtlijnen met geïsoleerde geleiders;

    • de ondergrondse kabels;

    • de kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen;

    • de uiteinden van:

    • ondergrondse kabels, of

    • kabels geplaatst in met zand gevulde kanalen, of

    • kabels, al dan niet in buis, die in een onbrandbare bekleding met een minimale inbouwdiepte van 3 cm zijn verzonken, of

    • geïsoleerde geleiders in een buis die in een onbrandbare bekleding met een minimale inbouwdiepte van 3 cm zijn verzonken, aangebracht in openlucht of in opbouw, voor zover de lengte van deze uiteinden 3 m niet overschrijdt en zij geplaatst zijn in een omgeving met normaal brandgevaar. Deze uitzondering van de uiteinden is nochtans niet toegelaten:

    • voor de geïsoleerde geleiders en de kabels in openlucht of in opbouw voor een aansluiting op een

    • laagspanningsverdeelnet;

    • voor de aftakkingskabels, al dan niet in buis, in openlucht of in opbouw;

    • voor de geïsoleerde aftakkingsgeleiders in een buis in openlucht of in opbouw.

5.2.7.2Afzonderlijk geïnstalleerde geïsoleerde geleiders en kabels

De afzonderlijk geïnstalleerde geïsoleerde geleiders en kabels hebben ten minste het kenmerk F1 of ten minste de klasse Eca (zie karakteristieken en klassen in onderafdeling 4.3.3.4 .).

Dit voorschrift is niet van toepassing op de geïsoleerde geleiders en kabels die zijn geïnstalleerd gebruik makend van een materiaal (bv. omhuld, bedekt, …) dat aan deze geïsoleerde geleiders en kabels ten minste een kenmerk gelijkwaardig aan F1 of ten minste de klasse E of E L (zie karakteristieken en klassen in onderafdeling 4.3.3.4 .) verleent.

De geïsoleerde geleiders en kabels die niet bestaan met het kenmerk F1 of ten minste de klasse E ca moeten hetzij in overeenstemming met de punt 3. van de uitzonderingen vermeld in onderafdeling 5.2.7.1. hetzij in overeenstemming met de uitzondering vermeld in de vorige alinea, geïnstalleerd worden.

De geïsoleerde geleiders en kabels, die op een bestaand draagstel worden toegevoegd, worden gekozen en geplaatst (afzonderlijk of in bundel/in laag) rekening houdend met de wijze waarop de bestaande geïsoleerde geleiders en kabels zijn geplaatst en hebben de geschikte kenmerken of klassen van onderafdeling 5.2.7.2. of onderafdeling 5.2.7.3.

5.2.7.3In bundel of in laag geïnstalleerde geïsoleerde geleiders en kabels

De in bundel of in laag geïnstalleerde geïsoleerde geleiders en kabels hebben ten minste het kenmerk F2 of ten minste de klasse Cca (zie karakteristieken en klassen in onderafdeling 4.3.3.4 .). Dit voorschrift is onafhankelijk van de afstand waarover de geïsoleerde geleiders en kabels effectief in bundel of in laag geïnstalleerd zijn.

Dit voorschrift is niet van toepassing op:

  1. 1.

    de geïsoleerde geleiders en kabels die zijn geïnstalleerd gebruik makend van een materiaal (bv. omhuld, bedekt, …) dat aan deze geïsoleerde geleiders en kabels ten minste een kenmerk gelijkwaardig aan F2 of de klasse C of C L (zie karakteristieken en klassen in onderafdeling 4.3.3.4 .) verleent;

  2. 2.

    de interne bekabeling in een schakel- en verdeelbord, voor zover deze ten minste het kenmerk F1 of ten minste de klasse E ca heeft;

  3. 3.

    de kabels tussen de laagspanningsklemmen van een transformator hoogspanning/laagspanning en de algemene beschermingsinrichting voor zover deze kabels, waarvan de lengte niet langer dan 10 meter is, in dezelfde exclusieve ruimte van de elektrische dienst als de transformator zijn geïnstalleerd en voor zover deze ten minste het kenmerk F1 of ten minste de klasse Eca hebben.

    De geïsoleerde geleiders en kabels die niet bestaan met het kenmerk F2 of ten minste de klasse C ca moeten hetzij in overeenstemming met de punt 3. van de uitzonderingen vermeld in onderafdeling 5.2.7.1. hetzij in overeenstemming met de punt 1. van de uitzonderingen vermeld in de vorige alinea, geïnstalleerd worden.

5.2.7.4Buizen, kabelbanen, kabelgoten, kabelrekken en gelijksoortig materieel

De buizen, de kabelbanen, de kabelgoten, de kabelrekken en gelijksoortig materieel zijn van het nietvlamverspreidend type. Ze moeten voldoen aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

De thermoplastische vlamverspreidende buizen mogen slechts worden gebruikt wanneer ze verzonken zijn in niet-brandbare materialen met een minimum bedekking van 3 cm.

5.2.8Nabijheid van andere leidingen

Ingeval elektrische leidingen in de nabijheid liggen van niet-elektrische leidingen, moeten de elektrische leidingen derwijze geplaatst worden dat tussen de uitwendige oppervlakken ervan een afstand behouden wordt, zodat elke tussenkomst op één van de leidingen geen risico van beschadiging van de andere meebrengt.

In de nabijheid van verwarmings- of warmeluchtleidingen en schoorstenen, mogen de elektrische leidingen hierdoor het risico niet lopen op een voor hen schadelijke temperatuur gebracht te worden en als zodanig moeten ze op een voldoende afstand gehouden worden of door een warmtewerend scherm gescheiden worden van deze leidingen.

Elektrische leidingen mogen evenmin in schoorstenen, ventilatie- of ontrokingskanalen geplaatst worden.

De elektrische leidingen mogen niet in parallel onder leidingen geplaatst worden die condensatie kunnen veroorzaken (zoals water-, stoom-, of gasleidingen...) tenzij maatregelen genomen worden om de elektrische leidingen te beschermen tegen de gevolgen van deze condensatie.

Elektrische en niet-elektrische leidingen mogen enkel gegroepeerd worden binnen eenzelfde aanlegsysteem (kabelkanaal, koker, goot...) indien de volgende voorwaarden gelijktijdig worden vervuld:

  1. 1.

    de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd waarbij de nietelektrische metalen leidingen als geleidende delen beschouwd worden;

  2. 2.

    de elektrische leidingen moeten degelijk beschermd worden tegen gevaren voorkomend uit de aanwezigheid van de andere leidingen.

    Wanneer de elektrische leidingen een uitwendige isolerende bekleding bevatten, gelijkwaardig met een bijkomende isolatie en ontworpen om hun eigenschappen te behouden in de kokers of kabelkanalen, dienen geen verdere beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking genomen te worden, zelfs in het geval dat later andere metalen leidingen bijgevoegd worden.

    De gevaren die kunnen voortvloeien uit de aanwezigheid van andere leidingen zijn ondermeer:

    • een temperatuursverhoging, te wijten aan de nabijheid van stoom- of verwarmingsleidingen of meer in het algemeen van een leiding met een warm fluïdum;

    • het condensatiegevaar;

    • het overstromingsgevaar, ingeval van beschadiging van een vloeistofleiding moeten dan alle schikkingen getroffen worden teneinde de afvoer van de vloeistof te verzekeren.

    Voor de ondergrondse kabels in de nabijheid van gasleidingen moeten de nodige voorzorgsmaatregelen genomen worden om ophoping van gas te vermijden in de kijk- of mangaten. In die nabijheid moet het gebruik van buizen voor het beschermen van ondergrondse gewapende kabels vermeden worden. De nodige voorzorgsmaatregelen moeten echter genomen worden om ophoping van gas te voorkomen wanneer de omstandigheden er toe verplichten dergelijke bescherming te gebruiken.

5.2.9Bijzondere regels voor de verschillende plaatsingswijzen

5.2.9.1Luchtlijnen

Voor de installatieregels specifiek voor luchtlijnen op lage en zeer lage spanning zijn de voorschriften van het hoofdstuk 7.1. van het Boek 3 van toepassing.

5.2.9.2Ondergrondse elektrische leidingen

  1. a.

    Algemeenheden

    Enkel kabels, conform hetzij de desbetreffende door de Koning gehomologeerde of door het NBN geregistreerde normen hetzij de bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen, mogen in de grond en in ontoegankelijke ondergrondse kokers geplaatst worden, met uitzondering van de onafhankelijke beschermingsgeleiders (PE).

    Behalve indien het technisch onmogelijk is, moet de kabel ten minste 0,60 m diep onder het grondvlak (maaiveld, bovenvlak van tegels of van het wegdek...) ingegraven worden.

    Indien deze ingravingsdiepte van 0,60 m niet kan verwezenlijkt worden, moet de bescherming gevormd worden door een doorlopend omhulsel of door een omhulsel met ineenschuifbare of overlappende voegen, in duurzaam en weerstandbiedend materiaal overeenkomstig de desbetreffende regels van goed vakmanschap, of door een evenwaardig systeem, dat een voldoende bescherming biedt tegen de oorzaken van mechanische beschadigingen.

    De ondergrondse aanleg van kabels is alleen toegelaten als ze aan één van de volgende voorwaarden beantwoorden:

    • ze zijn voorzien van een geaarde beschermingsmantel en wanneer ze, hetzij samengesteld zijn met een wapening hetzij beschermd zijn door een versterkte mantel die weerstand biedt tegen aanraking met harde lichamen of tegen schokken door metalen handwerktuigen; de coördinatie tussen de beschermingsinrichtingen en de doorsneden van de beschermingsmantel is zodanig dat de elektrische leidingen voldoende beschermd zijn tegen de beschadigingen die door kortsluiting of een aardingsfout zouden kunnen veroorzaakt worden;

    • ze zijn voorzien van een uitwendige mantel die in normale omstandigheden een voldoende weerstand blijft behouden tegen aanrakingen door harde lichamen en tegen schokken veroorzaakt door metalen handwerktuigen; in dat geval moet de elektrische leiding bovendien over haar hele lengte beschermd worden door een afdekking uit duurzaam en weerstandbiedend materiaal, dit om ze te vrijwaren tegen aanraking van werktuigen bij opgravingen; deze bedekking steekt aan beide zijden van de kabel uit en is verwezenlijkt zonder doorlopende langsvoegen boven de kabel;

    • ze worden geplaatst in een buis of een evenwaardig systeem, dat een voldoende bescherming biedt tegen de oorzaken van mechanische beschadigingen.

    Voor wat betreft de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking wordt geen enkele bijkomende beschermingsmaatregel vereist buiten de hierboven beschreven voorwaarden.

  2. b.

    Doorgang van muren en wanden

    Wanneer voor plaatsing van ondergrondse kabels de doorgang van muren of wanden noodzakelijk is, moet de doorgang na plaatsing zorgvuldig gedicht worden.

  3. c.

    Nabijheid van en kruising met ondergrondse telecommunicatiekabels

    1. c.1

      Algemene voorschriften

      In de nabijheid van en bij de kruising met ondergrondse telecommunicatiekabels moet elke energiekabel derwijze geplaatst worden dat hij zich overal op ten minste 0,50 m van de reeds aanwezige telecommunicatiekabels bevindt.

      Indien een dergelijke schikking niet uitvoerbaar is, kan een afwijking toegestaan worden door de belanghebbende Ministers of de door hen aangeduide ambtenaren. In dergelijk geval neemt diegene die de elektrische leiding plaatst, na overleg met de eigenaar van de telecommunicatiekabel, de geschikte maatregelen om latere vergissingen bij de identificatie van de kabels uit te sluiten, om alle schade te voorkomen alsook om de storingen in het telecommunicatieverkeer te vermijden en om het gevaar dat uit de toegestane afwijking kan voortvloeien uit te sluiten.

    2. c.2

      Verplaatsing van energie- en telecommunicatiekabels

      Indien telecommunicatiekabels en energiekabels op aanvraag van derden worden geplaatst zijn de hierboven onder punt c.1. aangehaalde afwijkingsmaatregelen van toepassing.

  4. d.

    Plaatsaanduiding

    1. d.1

      Principe

      De aanwezigheid van een kabel moet op zichtbare en duurzame wijze aangeduid worden. Daartoe moet een merkteken aan ieder uiteinde van de rechte stukken geplaatst worden. Indien het rechte stuk langer is dan 200 m moeten ten minste om de 200 m tussenliggende merktekens geplaatst worden. Merktekens moeten eveneens geplaatst worden aan de uiteinden van de bochten.

      In bochten van meer dan 20 m lengte moet een bijkomend merkteken geplaatst worden in het midden van de beschreven boog. Indien een afstand van 50 m dit merkteken scheidt van deze die het begin van de boog aanduiden moeten bijkomende merktekens geplaatst worden, zodat de afstand tussen de merktekens ten hoogste 50 m bedraagt.

    2. d.2

      Kabelbundels

      In het geval van een bundel kabels mag gebruik gemaakt worden van gemeenschappelijke merktekens voor alle kabels samen.

    3. d.3

      Uitzonderingen

      Indien het onmogelijk is een merkteken aan te brengen boven één of meer kabels, moet het geplaatst worden op een zo klein mogelijke afstand van de ligging van deze kabel of kabels.

      In geval van private eigendommen moeten de merktekens bij voorkeur geplaatst worden aan de grenzen van de percelen ofwel op andere plaatsen waar de uitbating – en in het bijzonder de uitbating van landbouwgronden – niet belemmerd wordt door hun aanwezigheid.

      Er is geen verplichting voor het aanduiden van de aanwezigheid van:

      • de laagspanningsaansluitingen van netgebruikers;

      • de kabels door de Belgische Spoorwegen op eigen terrein geplaatst;

      • de kabels die de verschillende palen van een openbare verlichtingsinstallatie of van een lichtsignalisatie onderling verbinden alsook de kabels die deze palen verbinden met hun voedingsposten.

      Evenmin moet de aanwezigheid van kabels, geplaatst in een openbare weg, aangeduid worden, wanneer de overheid die deze openbare weg beheert zich uitdrukkelijk tegen het plaatsen van merktekens verzet gezien de bijzondere aard van de wegbedekking.

    4. d.4

      Merktekens

      De gebruikte merktekens moeten uit duurzaam materiaal zijn vervaardigd. Hun oppervlakte mag niet kleiner zijn dan 0,01 m² en hun kleinste afmeting niet kleiner zijn dan 0,08 m. Zij dragen, in reliëf op hun zichtbaar vlak, ten minste de volgende aanduidingen:

      • één bliksemschicht voor de aanduiding van één enkele kabel;

      • twee bliksemschichten voor de aanduiding van een bundel boven of naast elkaar liggende kabels.

    5. d.5

      Plannen van de ondergrondse leidingen

      Voor wat betreft de verplichtingen van de eigenaar, zie afdeling 9.1.5.

    6. d.6

      Militair domein

      Om redenen van militaire veiligheid mag de militaire overheid zich verzetten tegen de gehele of gedeeltelijke toepassing van dit punt d. op de installaties die zij gebruikt of die op haar domein liggen.

5.2.9.3Plaatsing in buizen

  1. a.

    De buizen

    De buizen mogen bestaan uit een thermoplastisch materiaal of uit staal.

    Zij moeten, met uitzondering van de vlamverspreidende thermoplastische buizen, conform de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen zijn, of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    De buizen uit thermoplastisch materiaal kunnen van het stijve, het soepel-gladde of het geringde type zijn.

    De stalen buizen moeten bestaan uit een staalplaat met gelaste naad en uit hetzij gladde verbindingsstukken (TAL) hetzij draadgetrokken verbindingsstukken, indien de buizen voorzien zijn van uitwendige schroefdraad aan beide uiteinden (TAF).

    Soepele buizen bestaan uit een spiraalvormig metalen omhulsel aan de buitenzijde, met al dan niet inwendige of uitwendige isolatiekoker.

    De bochten of ellebogen der buizen moeten uitgevoerd worden:

    • hetzij in volle buis met behulp van aangepaste tangen of toestellen;

    • hetzij door middel van werkwijzen aangepast aan de buizen, zoals het opwarmen voor de buizen uit thermoplastische stof;

    • hetzij in voorgevormde stukken zoals bochten of T-vormige stukken onder rechte hoek.

    De kniestukken en T-vormige stukken moeten uit twee delen bestaan; hun voegen moeten zodanig uitgevoerd zijn dat een voldoende afdichting verzekerd wordt.

  2. b.

    Materieelkeuze

    In buizen mogen geïsoleerde geleiders of kabels geplaatst worden.

  3. c.

    Gebruiksvoorwaarden

    Onder voorbehoud van de uitzonderingen, aangehaald in dit Boek, is de plaatsing in buizen in alle ruimten toegestaan.

  4. d.

    Afmetingen der buizen en aansluitingsbenodigdheden

    De inwendige afmetingen van de buizen en aansluitingsbenodigdheden moeten zodanig zijn, dat het mogelijk is de geleiders of kabels gemakkelijk te trekken of te verwijderen na plaatsing van de buizen en hun onderdelen.

  5. e.

    Plaatsing van de buizenalgemene regels

    Het plaatsen van de buizen moet als volgt gebeuren:

    • ze moeten voldoende vastgehecht worden en hun eventuele verbindingsmoffen mogen niet kunnen verschuiven;

    • het moet steeds mogelijk zijn er de geleiders of kabels in te trekken of er uit te verwijderen;

    • ze mogen de isolatie der geleiders en de kabels niet kunnen beschadigen en dit vooral aan de uiteinden;

    • voor de ter plaatse gemaakte bochten in de buizen mag de kromtestraal niet kleiner zijn dan:

      • tienmaal de uitwendige diameter, bij metalen buizen;

      • achtmaal de uitwendige diameter, bij soepele thermoplastische buizen;

      • vijfmaal de uitwendige diameter, bij stijve thermoplastische buizen;

    • voor het buigen van de buizen moet gebruik gemaakt worden van methoden conform de regels van goed vakmanschap;

    • aangepaste maatregelen moeten worden genomen om te vermijden dat water zich kan ophouden in buizen en toestellen waarin deze uitmonden.

  6. f.

    Verboden werkwijzen Het is verboden:

    • buizen in brandbaar materiaal te gebruiken tenzij ze verzonken zijn in niet-brandbare materialen met een minimum bedekking van 3 cm;

    • verbindingen, aansluitingen of draadlassen tussen geleiders of kabels te verwezenlijken in de buizen;

    • buizen uit thermoplastisch materiaal aan te wenden op plaatsen waar de temperatuur onder normale omstandigheden 60°C kan overschrijden;

    • in buizen leidraden, koperbanddraad of soepele CSuB-soepele elektrische leidingen en of gelijkaardige te trekken.

    De eventuele aansluitingen in trek- en doorvoerkasten mogen slechts uitgevoerd worden op een passende klemmenblok.

  7. g.

    Buizen in magnetisch metaal

    De elektrische leidingen behorende tot eenzelfde wisselstroombaan moeten samengevoegd worden in eenzelfde buis wanneer deze vervaardigd is uit een niet in de langsrichting gespleten magnetisch metaal, en wanneer deze elektrische leidingen beschermd worden door beschermingsinrichtingen met een nominale stroomsterkte groter dan 25 A.

  8. h.

    Bijzondere regels van toepassing voor de montage van buizen in opbouw

    1. h.1

      Mechanische bescherming

      De mechanische bescherming van de buizen moet aangepast zijn aan de uitwendige invloeden waaraan ze blootgesteld worden.

    2. h.2

      Vasthechting der buizen

      De bevestiging van buizen moet uitgevoerd worden conform de desbetreffende regels van goed vakmanschap.

  9. i.

    Bijzondere regels van toepassing voor de in metselwerk, bepleistering of elke andere bekleding verzonken buizen

    1. i.1

      Bescherming tegen corrosie

      Er moeten voorzorgsmaatregelen overeenkomstig de regels van goed vakmanschap worden getroffen om te vermijden dat buizen, geplaatst in een omgeving met scheikundig corrosief karakter, zouden aangetast worden.

    2. i.2

      Verbindingen en aansluitingen

      In de verbindings-, aftak- en trekdozen moeten de geleiders of kabels toegankelijk blijven en knie- en T- vormige stukken zijn verboden.

5.2.9.4Plaatsing onder sierlijsten, holle plinten en lijsten

  1. a.

    Materialen

    De sierlijsten, plinten en lijsten mogen uit hout of thermoplastisch materiaal bestaan. Zij moeten een voldoende mechanische weerstand bezitten.

  2. b.

    Keuze van de elektrische leidingen

    Geïsoleerde geleiders of eenaderige kabels mogen geplaatst worden onder sierlijsten, holle plinten en lijsten.

    Indien de sierlijsten, plinten of lijsten gemaakt zijn uit brandbaar materiaal, moeten de geleiders of eenaderige kabels beantwoorden aan de bepalingen van onderafdeling 5.2.7.3.

    De gleuven van sierlijsten, holle plinten en lijsten moeten dusdanige afmetingen hebben dat de geleiders of eenaderige kabels er gemakkelijk kunnen in ondergebracht worden.

    In de houten sierlijsten mag slechts één geleider of eenaderige kabel per gleuf geplaatst worden, tenzij deze geleiders of eenaderige kabels tot één en dezelfde stroombaan behoren.

    Het gebruik van holle plinten zonder afdekking en met slechts één enkele gleuf is niet toegestaan voor de doorgang van geleiders of eenaderige kabels.

5.2.9.5Plaatsing in de vrije lucht en plaatsing in opbouw

In de vrije lucht en in opbouw mogen enkel kabels geplaatst worden, met uitzondering van de onafhankelijke beschermings- of potentiaalvereffeningsgeleiders en de onafhankelijke geaarde actieve geleiders (PEN, PEM en PEL).

De bevestigingsmiddelen, kabelrekken, kraagstukken... moeten zodanig gekozen en geplaatst worden dat geen schade aan de elektrische elektrische leidingen wordt berokkend. Ze moeten geschikt zijn om zonder beschadiging te kunnen weerstaan aan de uitwendige invloeden waaraan ze blootgesteld worden.

In verticale gedeelten moet men zich ervan vergewissen dat de trekkrachten, uitgeoefend door het gewicht van de elektrische leidingen, niet kunnen leiden tot breuk of vervorming van de geleiders. Deze trekkrachten mogen niet uitgeoefend worden op de aansluitklemmen.

De bevestigingsmiddelen moeten zodanig ontworpen en gedimensioneerd zijn dat ze de elektrische leidingen niet beschadigen.

5.2.9.6Open en gesloten goten

In open goten mogen enkel kabels geplaatst worden met uitzondering van de onafhankelijke beschermings- of potentiaalvereffeningsgeleiders en de onafhankelijke geaarde actieve geleiders (PEN, PEM en PEL).

De geïsoleerde geleiders mogen geplaatst worden in gesloten goten.

Indien geïsoleerde geleiders geplaatst zijn in gesloten goten die zich buiten de lokalen van de elektrische dienst bevinden, zijn deze goten volwandig en voorzien van een deksel dat slechts met behulp van gereedschap kan worden geopend.

De verbindingen voor koppelingen, aansluitingen of aftakkingen worden volgens de regels van goed vakmanschap uitgevoerd in verbindings- of aftakdozen of aan de klemmen van schakelaars of contactdozen.

Wanneer in een goot elektrische leidingen worden aangewend op verschillende spanningen, moeten de verbindingen voor koppelingen, aansluitingen en/of aftakkingen worden uitgevoerd in compartimenten die de elektrische leidingen op verschillende spanningen van elkaar scheiden.

5.2.9.7Kokers

De keuze van de elektrische leidingen in kokers moet gebeuren in functie van de risico’s verbonden met de plaats waar de koker zich bevindt.

Het risico van vochtindringing in de kokers dient zorgvuldig vermeden te worden.

5.2.9.8Open, gesloten of met zand gevulde kabelkanalen en kokers in de grond

De keuze van de elektrische leidingen in de kabelkanalen moet gebeuren in functie van de risico’s verbonden met de plaats waarin het kabelkanaal zich bevindt.

De kabelkanalen moeten zodanig opgevat zijn dat ze gemakkelijk kunnen gereinigd worden, vooral in stoffige lokalen.

5.2.9.9Holle constructieruimten

De geleiders, kabels en buizen, te plaatsen in holle constructieruimten, beantwoorden aan de bepalingen van de onderafdelingen 5.2.7.3. en 5.2.7.4.

Het is verboden geleiders die alleen van basisisolatie voorzien zijn te plaatsen in holle constructieruimten (van plafonds of vloeren…).

Ingeval elektrische leidingen geplaatst worden in buizen die niet de vereiste mechanische weerstand bezitten, dienen deze mechanisch beschermd te worden op alle plaatsen waar beschadigingsrisico’s bestaan, bv. bij plaatsing op vloerbalken.

5.2.9.10Verzonken plaatsing zonder buizen

  1. a.

    Elektrische leidingen verzonken in beton of cement

    Het is verboden geleiders die alleen van basisisolatie voorzien zijn verzonken te plaatsen in wanden, vloeren en plafonds.

    De in wanden, vloeren en plafonds verzonken elektrische leidingen worden bedekt met een laag beton of cement van minstens 3 cm.

    Figuur 5.26Verzonken plaatsing zonder buizen in beton of cement
  2. b.

    Elektrische leidingen verzonken in de muren van lokalen

    Het is verboden geleiders die alleen van basisolatie voorzien zijn verzonken te plaatsen in de muren van lokalen.

    De elektrische leidingen verzonken zonder buis in de muren van lokalen beantwoorden aan volgende voorschriften:

    • hun traject volgt alleen horizontale en verticale wegen, waarbij de horizontale wegen in een plafond haaks op de verticale wanden zijn aangebracht;

    • de horizontale trajecten bevinden zich op 25 à 35 cm van de vloer of van het plafond en eveneens op 25 à 35 cm boven de onderkant van de bovendrempel van het raam, voor zover ze dan ten minste 25 cm onder het plafond liggen;

    • de verticale trajecten bevinden zich zo dicht mogelijk in een hoek van het lokaal, of op 10 à 20 cm van de lijsten of kozijnen van de deuren;

    • de plaatsing buiten dit profiel wordt, zoals hierboven beschreven, verticaal uitgevoerd ten opzichte van een zichtbaar elektrische machine of toestel;

    • zij worden aan geen enkele mechanische invloed onderworpen, noch tijdens de plaatsing, noch later;

    • zij worden zonder beschadiging gehecht aan de wanden;

    • de dikte van de dekkende bepleistering is niet dunner dan 0,4 cm.

    Figuur 5.27Elektrische leidingen verzonken in de muren van lokalen
    Figuur 5.28Schematische doorsnede van een sleuf
    1. (1)

      Dekkende bepleistering

5.2.9.11Geprefabriceerde leidingen

  1. a.

    Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking

    De beschermingsgraad der geprefabriceerde leidingen moet ten minste gelijk zijn aan IPXX-B. Deze elektrische leidingen beantwoorden aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

  2. b.

    Verboden gebruik

    Het gebruik van geprefabriceerde leidingen is verboden in wasruimten.

5.2.9.12Installatie van evenwijdige draden op isolatoren

  1. a.

    Gebruiksvoorwaarden

    De plaatsing op isolatoren is verboden in huishoudelijke installaties.

    In de andere installaties is de installatie van evenwijdige draden van een elektrische leiding op isolatoren overal toegestaan waar geen enkele mechanische bescherming noodzakelijk is, voor zover geen enkel voorschrift van dit Boek er zich tegen verzet en:

    • de isolatoren onbrandbaar en niet hygroscopisch zijn;

    • de elektrische leidingen zonder mantel noch de wanden der lokalen noch de voorwerpen die er blijvend aanwezig zijn, raken.

    De hierboven aangehaalde elektrische leidingen moeten uitgevoerd worden:

    • hetzij als rails in kokers, afgesloten ruimten of gesloten kabelkanalen;

    • hetzij als buizen;

    • hetzij als al dan niet geïsoleerde geleiders.

  2. b.

    Plaatsing

    1. b.1

      Blanke geleiders

      De geleiders in de vorm van draden of kabels moeten voldoende aangespannen worden zonder dat hun elasticiteitsgrens bereikt wordt.

      De afstand tussen geleiders van verschillende polariteit moet 10 cm zijn voor een spanwijdte kleiner dan 4 m en moet met 2 cm vermeerderd worden voor elke bijkomende meter spanwijdte.

      De afstand tussen de draden of kabels en de wanden of voorwerpen moet 10 cm bedragen. Indien een kleinere afstand noodzakelijk is, wordt deze toegestaan als het aanrakingsrisico uitgesloten is door het dichter plaatsen van de steunen of door tussenplaatsing van een isolatiestof. De afstand tussen de geleiders en de niet-elektrische leidingen dient nochtans ten minste 5 cm te bedragen.

    2. b.2

      Rail- of buisgeleiders

      De afstand tussen rail- en buisgeleiders en de aangrenzende elektrische leidingen of buizen moet ten minste 5 cm bedragen.

      Indien ze verbonden zijn met geïsoleerde geleiders is het toegelaten dat, in normaal bedrijf, de temperatuur van deze geleiders over een bepaalde lengte de waarde overtreft die door de isolatie kan verdragen worden. Het is trouwens aangeraden de isolatie over deze lengte te verwijderen.

    3. b.3

      Geïsoleerde geleiders

      De afstand tussen opeenvolgende isolerende steunen moet zodanig zijn dat:

      • de geleiders van verschillende polariteit ten minste 1,5 cm van elkaar liggen;

      • de geleider, eens geplaatst, zich bevindt op ten minste 1 cm van wanden en voorwerpen bij de uitwendige invloeden AD1 en AD2 (bepaald in afdeling 2.10.3. ) en AE1 tot AE3 (bepaald in afdeling 2.10.4. ) of 2 cm bij de uitwendige invloeden AD3 tot AD6 en AE4.

      De horizontale spanwijdten moeten:

      • kleiner zijn dan 1,20 m voor koperen geleiders met een doorsnee kleiner dan of gelijk aan 10 mm²;

      • kleiner zijn dan 1,50 m voor koperen geleiders met een doorsnede groter dan 10 mm²;

      • groter zijn wanneer men zonder hinder de doorbuiging van de spanwijdten kan verhogen.

5.2.9.13Verwarmingspanelen en -leidingen

  1. a.

    Algemeenheden

    In huishoudelijke installaties en niet-huishoudelijke installaties zonder gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel mogen de verwarmingspanelen en leidingen geplaatst worden in de muren, plafonds en vloeren voor zover de dikte en de aard van de bedekking een mechanische bescherming verzekeren rekening houdend met de belastingsvoorwaarden waaraan ze blootgesteld worden.

  2. b.

    Elektrische verwarmingspanelen

    1. b.1

      Definities

      Een installatie voor verwarming door in de wanden verzonken panelen, hierna « verwarmingsinstallatie » genoemd, is een elektrische installatie waarin het verwarmend element wordt gevormd door een reeks geleiders met twee afmetingen of op een steun geplaatste lineaire geleiders, die dunne bladen op panelen vormen die door hun eigen elektrische weerstand warmte dissiperen en die zich bevinden in een van de constructie deeluitmakende vaste wand. Een verwarmingseenheid omvat één of meer verwarmingselementen, met name een verwarmend paneel uitgerust met zijn elektrischevoedingsverbindingen (koude bindingen). Een verwarmingsuitrusting omvat een verwarmingseenheid, de voedingsstroombaan en de regeling ervan.

    2. b.2

      Toepassingsgebied

      Het punt b. is van toepassing op de verwarmingsinstallaties binnenshuis geplaatst in het plafond en de vloer, voor huishoudelijke installaties en niet-huishoudelijke installaties zonder gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel. Deze verwarmingsinstallaties zijn niet toegelaten in de valse plafonds van vochtige plaatsen en deze panelen mogen in geen geval deel uitmaken van vaste vloerbedekking, tapijten, verf, papier of andere oppervlaktebekleding, waarvan de onder spanning staande delen niet op passende wijze, mechanisch, beschermd zijn.

    3. b.3

      Eisen aan het gebruikte materieel in verwarmingsinstallaties

      Het in de verwarmingsinstallaties gebruikte materieel moet aan de bepalingen van onderafdelingen 1.4.2.1. , 1.4.2.2., 5.1.1.1. en 5.1.3.1. beantwoorden . De verwarmingspanelen moeten conform zijn aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    4. b.4

      Elektrische isolatie van de verwarmingspanelen

      De elektrische isolatie van de verwarmingspanelen moet zodanig zijn dat de bescherming tegen rechtstreekse aanraking onder de normale bedrijfsomstandigheden gewaarborgd is. Voor deze bescherming mogen de actieve geleiders blank blijven op voorwaarde dat de energiebron op zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) en dat de spanning tussen actieve of andere delen en de aarde niet groter is dan lager dan of gelijk aan 25V wisselstroom of 36V gelijkstroom met rimpel of 60V gelijkstroom zonder rimpel.

    5. b.5

      Onbrandbaarheid van het thermische isolatiematerieel

      Het materieel, dat voor thermische isolatie wordt gebruikt en dat in contact met de verwarmingsinstallatie is, moet onbrandbaar zijn.

    6. b.6

      Bepalingen van toepassing op elektrische verwarmingsinstallaties

      De elektrische verwarminsinstallatie moet beantwoorden aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit Boek, met name onderafdeling 6.4.5.1. en de bepalingen betreffende de zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) indien deze wordt gebruikt. De verwarmingspanelen mogen niet in contact worden gebracht met oppervlakten voorzien van scherpe, metalen uitsteeksels.

    7. b.7

      Vermijden van verhitting van materieel in de nabijheid van verwarmingspanelen

      Het vermogen per vierkante meter van de panelen, de thermische isolatie, de bekleding evenals de voorzienbare hinderpalen van de normale warmteoverdracht, zoals verlichtingstoestellen, tapijten, ..., mogen geen gevaarlijke verhitting met zich brengen van de stoffen die in de nabijheid van de panelen geplaatst zijn, zoals de geleiders van andere elektrische stroombanen. Ze mogen in het verwarmend element geen temperatuur van meer dan 85°C of elke andere temperatuur van minder dan 85°C, eventueel aanbevolen door de fabrikant van het element, kunnen doen ontstaan.

    8. b.8

      Nominale spanning

      De nominale voedingsspanning van de verwarmingsinstallaties mag de 400V niet overschrijden.

    9. b.9

      Mechanische bescherming van de bekleding van verwarmingspanelen

      De aard van de bekleding der verwarmingspanelen moet zodanig zijn dat hij de mechanische bescherming ervan waarborgt, rekening houdend met het paneeltype en de sollicitaties waaraan de panelen zijn onderworpen. Voor de installaties in vloeren andere dan deze die gevoed zijn met een ZLVS, moet de bekleding worden gevormd door beton van minimum 30 mm dik.

    10. b.10

      Voorwaarden voor het snijden, afwerken en installeren van verwarmingspanelen

      Het snijden van de verwarmingspanelen en het afwerken ervan mogen niet op de werf gebeuren. Ze moeten evenals het installeren, worden verricht door een ploeg die van de passende uitrusting en instructies voorzien is en die onder de verantwoordelijkheid van de fabrikant of invoerder van het verwarmend materieel staat. De uiteinden van de panelen die niet toegesmolten zijn, moeten zorgvuldig en duurzaam worden geïsoleerd. Het materieel voor elektrische isolatie dat daartoe wordt gebruikt of dat direct in contact met het verwarmend element is, moet in bestendige belastingstoestand en bij de maximumtemperatuur aangehaald in punt b.7. , dezelfde veiligheidskenmerken vertonen als deze van de rest van het verwarmend element. De afstand tussen de borden van de verwarmingspanelen en de borden van het plafond of de vloer waarin ze verzonken zijn, moet meer dan 20 cm bedragen.

    11. b.11

      Plaatsing van een uitschakelinggsinrichting

      Er moet voorzien zijn in minstens één uitschakelingsinrichting, geplaatst in alle polen van de voedingskring van de verwarmingseenheid, voor elk lokaal met een oppervlakte van meer dan 4 m², zodat dit gedeelte van de installatie kan worden geïsoleerd met het oog op het nazicht of het onderhoud ervan. Deze inrichting moet beschut zijn tegen het gure weer en het water dat de vloer zou kunnen bedekken. Zij mag niet worden gevormd door een stopcontact of lasdoppen en de verbinding mag het gebruik niet vergen van een speciaal werktuig zoals voor het lassen of het verstellen. De toegang tot deze inrichting moet mogelijk zijn, maar enkel met een werktuig. Deze inrichting mag echter worden gevormd door smeltzekeringen of vermogensschakelaars geplaatst in een schakel- en verdeelbord indien een toegekende stroombaan wordt gebruikt.

    12. b.12

      Verplichting tot het plaatsen van een aandrijvingsmechanisme met alpolige onderbreking op elke elektrische voedingsleiding

      Elke elektrische voedingsleiding moet een aandrijvingsmechanisme met alpolige onderbreking omvatten. Verschillende uitrustingen mogen zulk mechanisme gemeenschappelijk hebben. Dit moet bovendien worden gevormd:

      • ofwel door een schakelaar geplaatst nabij elke uitrusting;

      • ofwel door een schakelaar die de hele installatie aandrijft en die op of nabij het schakel- en verdeelbord is geplaatst;

      • ofwel door een schakelaar die het geheel van de verwarmingsuitrustingen van eenzelfde niveau aandrijft, wanneer de installatie verschillende niveaus omvat.

      Een thermostaat mag slechts het aandrijvingsmechanisme vormen indien hij een alpolige onderbrekingsstand bezit. Wanneer het mechanisme verschillende uitrustingen aandrijft, moet de plaats ervan op passende wijze worden aangegeven.

    13. b.13

      Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

      De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd ofwel door de ZLVS die lager of gelijk is aan 25V wisselstroom of 36V gelijkstroom met rimpel of 60 V gelijkstroom zonder rimpel, ofwel door de plaatsing van één of meerdere differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een toegekende differentiële aanspreekstroom lager dan of gelijk aan 100mA wanneer geen ZLVS wordt toegepast. In de wanden van de vochtige lokalen wordt deze bescherming aangevuld met een geaard metalen scherm dat ofwel deel uitmaakt van het verwarmingspaneel ofwel wordt gevormd door corrosievast metaalgaas.

    14. b.14

      Waarschuwing van de aanwezigheid van een installatie met elektrische verwarmingspanelen

      In de huishoudelijke installaties waar dit verwarmingssysteem geïnstalleerd is, komt de volgende waarschuwing ten minste in het eendraadsschema en het situatieplan van de huishoudelijke installatie voor: “De plafonds (vloeren) zijn uitgerust met een elektrisch verwarmingssysteem. Er mogen geen werken worden uitgevoerd die de elektrische isolatie van dit systeem en het thermisch (85°C) of mechanisch gedrag ervan schaden.

  3. c.

    Elektrische verwarmingsleidingen

    1. c.1

      Definities

      Een installatie voor verwarming door in de wanden verzonken kabels, hierna « verwarmingsinstallatie » genoemd, is een elektrische installatie waarin het verwarmend element wordt gevormd door een net van kabels die door hun eigen elektrische weerstand warmte dissiperen en die zich bevinden in een van de constructie deeluitmakende vaste wand. Een verwarmingseenheid omvat één of meer verwarmingselementen, met name een verwarmende geleider of kabel uitgerust met zijn elektrischevoedingsverbindingen (koude bindingen). Een verwarmingsuitrusting omvat een verwarmingseenheid, de voedingsstroombaan en de regeling ervan.

    2. c.2

      Toepassingsgebied

      Het punt c. is van toepassing op de verwarmingsinstallaties binnenshuis en buitenhuis geplaatst in het plafond en de vloer, voor huishoudelijke installaties en niet-huishoudelijke installaties zonder gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel.

    3. c.3

      Bepalingen van toepassing op het materieel

      Het in de verwarmingsinstallaties gebruikte materieel moet aan de bepalingen van onderafdelingen 1.4.2.1. , 1.4.2.2., 5.1.1.1. en 5.1.3.1. beantwoorden . De verwarmende laagspanningskabels moeten conform zijn aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    4. c.4

      Eisen waaraan de elektrische isolatie van verwarmingsleidingen moet voldoen

      De elektrische isolatie van de verwarmingsleidingen moet zodanig zijn dat de bescherming tegen rechtstreekse aanraking onder de normale bedrijfsomstangigheden gewaarborgd is. Voor deze bescherming mogen de actieve geleiders blank blijven op voorwaarde dat de energiebron op zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) en dat de spanning tussen actieve of andere delen en de aarde niet hoger is dan 25V wisselstroom of 36V gelijkstroom met rimpel of 60V gelijkstroom zonder rimpel.

    5. c.5

      Onbrandbaarheid van het thermische isolatiematerieel

      Het materieel, dat voor thermische isolatie wordt gebruikt en dat in contact met de verwarmingsinstallatie is, moet onbrandbaar zijn.

    6. c.6

      Bepalingen van toepassing op de elektrische verwarmingsinstallaties

      De elektrische verwarminsinstallatie moet beantwoorden aan de van toepassing zijnde bepalingen van dit Boek, met name onderafdeling 6.4.5.1. en de bepalingen betreffende de zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) indien deze wordt gebruikt.

    7. c.7

      Intensiteit van de toegelaten stroom in de verwarmingsleidingen

      De intensiteit van de toegelaten stroom in de verwarmingsleidingen moet zodanig zijn dat onder de normale bedrijfsomstandigheden zelfs met de uitgeschakelde thermostaten, ze nooit een temperatuur veroorzaakt die gevaarlijk is voor het behoud van de eigenschappen van hun elektrische isolatie, of voor de stoffen of stroombanen die zich in de nabijheid ervan bevinden.

    8. c.8

      Nominale spanning

      De nominale voedingsspanning van de verwarmingsinstallaties mag de 400V niet overschrijden.

    9. c.9

      Aard van de bekleding van de verwarmingsleidingen en mechanische bescherming

      De aard van de bekleding van de verwarmingsleidingen moet zodanig zijn dat hij de mechanische bescherming ervan waarborgt, rekening houdend met het verwarmingsleidingtype en de sollicitaties waar aan de verwarmingsleiding is onderworpen. Voor de installaties in vloeren andere dan deze die gevoed zijn met een ZLVS, moet de bekleding worden gevormd door beton van minimum 30 mm dik. Dit bekledingstype is vereist in alle vloeren van lokalen buitenshuis die met dit verwarmingssysteem uitgerust zijn.

    10. c.10

      Plaatsing van de verbinding van de verwarmingsleiding met zijn voeding

      De verbinding van de verwarmingsleiding met zijn voeding moet in de bekleding verzonken zijn en mag niet op minder dan 20 cm van de boord van het uitgeruste plafond of de uitgeruste vloer gelegen zijn.

    11. c.11

      Uitschakelingsinrichting in alle polen van de voedingskring van de verwarmingseenheid

      Er moet voorzien zijn in minstens één uitschakelingsinrichting, geplaatst in alle polen van de voedingskring van de verwarmingseenheid, voor elk lokaal met een oppervlakte van meer dan 4 m², zodat dit gedeelte van de installatie kan worden geïsoleerd met het oog op het nazicht of het onderhoud ervan. Deze inrichting moet beschut zijn tegen het gure weer en het water dat de vloer zou kunnen bedekken. Zij mag niet worden gevormd door een stopcontact of lasdoppen en de verbinding mag het gebruik niet vergen van een speciaal werktuig zoals voor het lassen of het verstellen. De toegang tot deze inrichting moet mogelijk zijn, maar enkel met een werktuig. Deze inrichting mag echter worden gevormd door smeltzekeringen of vermogensschakelaars geplaatst in een schakel- en verdeelbord indien een toegekende stroombaan wordt gebruikt.

    12. c.12

      Verplichting aandrijvingsmechanisme met alpolige onderbreking op elke elektrische voedingslei- ding

      Elke elektrische voedingsleiding moet een aandrijvingsmechanisme met alpolige onderbreking omvatten. Verschillende uitrustingen mogen zulk mechanisme gemeenschappelijk hebben. Dit moet bovendien worden gevormd:

      • ofwel door een schakelaar geplaatst nabij elke uitrusting;

      • ofwel door een schakelaar die de hele installatie aandrijft en die op of nabij het schakel- en verdeelbord is geplaatst;

      • ofwel door een schakelaar die het geheel van de verwarmingsuitrustingen van eenzelfde niveau aandrijft, wanneer de installatie verschillende niveaus omvat.

      Een thermostaat mag slechts het aandrijvingsmechanisme vormen indien hij een alpolige onderbrekingsstand bezit. Wanneer het mechanisme verschillende uitrustingen aandrijft, moet de plaats ervan op passende wijze worden aangegeven.

    13. c.13

      Bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking

      De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking wordt verzekerd ofwel door de ZLVS die lager of gelijk is aan 25V wisselstroom of 36V gelijkstroom met rimpel of 60 V gelijkstroom zonder rimpel, ofwel door de plaatsing van één of meerdere differentieelstroombeschermingsinrichtingen met een toegekende differentiële aanspreekstroom lager dan of gelijk aan 100mA wanneer geen ZLVS wordt toegepast. In de lokalen buitenshuis en in de vochtige binnenlokalen wordt deze bescherming aangevuld met een geaard metalen scherm dat of wel deel uitmaakt van de verwarmingsleiding ofwel wordt gevormd door corrosievast metaalgaas.

5.2.9.14Specifieke regels voor buiteninstallaties

De plaatsingswijze van de elektrische leidingen buiten de gebouwen moet beantwoorden aan de desbetreffende regels van goed vakmanschap, rekening houdend met de uitwendige invloedsvoorwaarden waaraan ze blootgesteld worden.

5.2.9.15Specifieke regels voor installaties op zeer lage spanning (ZLS)

  1. a.

    Algemeenheden

    De algemeenheden van toepassing op de laagspanningsinstallaties, opgenomen in onderafdeling 5.2.1. , zijn van toepassing.

  2. b.

    Plaatsingswijze

    De plaatsingswijzen van elektrische leidingen, voorgeschreven voor laagspanning (zie afdeling 5.2.2. ), zijn van toepassing. Deze voorschriften zijn, wat de plaatsingswijze betreft, vervat in afdeling 5.2.9. met uitzondering van deze in:

    • de 1ste alinea van de onderafdeling 5.2.9.5 .;

    • de 2e alinea van de onderafdeling 5.2.9.9. ;

    • punt b . van onderafdeling 5.2.9.10.

    • de 1ste alinea van punt a. van onderafdeling 5.2.9.12.

    Anderzijds wordt het gebruik van geprefabriceerde leidingen toegelaten op voorwaarde dat, ten einde de bescherming tegen elektrische schokken door rechtstreekse aanraking te verzekeren, hun beschermingsgraad ten minste gelijk is aan IPXX-B.

  3. c.

    Aanvullende voorschriften

    Andere plaatsingswijzen voor elektrische geleiders en leidingen moeten beantwoorden aan de desbetreffende regels van goed vakmanschap.

5.3Elektrische apparatuur (bescherming, bediening, scheiding en toezicht)

5.3.1Algemeenheden

Dit hoofdstuk behandelt de keuze en ingebruikname van de elektrische apparatuur voor bescherming, bediening, scheiding en toezicht. Hierbij moet onder andere rekening gehouden worden met de uitwendige invloeden, zoals gedefinieerd in hoofdstuk 2.10. :

  • AA  omgevingstemperatuur;

  • AD  aanwezigheid van water;

  • AE  aanwezigheid van vreemde vaste lichamen;

  • AF  aanwezigheid van corrosieve of milieuverontreinigende stoffen;

  • AG  mechanische belasting veroorzaakt door schokken;

  • AH  mechanische belasting veroorzaakt trillingen;

    • AK  aanwezigheid van flora en /of schimmelvorming en AL aanwezigheid van fauna;

    • AM  elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden en AN zonnestraling;

  • BA  bekwaamheid van personen;

  • BB  toestand van het menselijk lichaam;

  • BC  aanraking van het aardpotentiaal door personen;

  • BD  mogelijkheden van ontruiming van personen in noodgevallen;

  • BE  aard van de behandelde of opgeslagen goederen;

  • CA  bouwmaterialen;

  • CB  structuur van gebouwen.

5.3.2Keuze en ingebruikname van machines en elektrische toestellen in functie van de uitwendige invloeden

5.3.2.1In functie van de omgevingstemperatuur (AA)

De elektrische machines en toestellen moeten uitgekozen en gebruikt worden volgens de bepalingen van tabel 5.2. rekening houdend met de temperaturen, die in de ruimten waar zij aangewend worden, optreden.

Tabel 5.2 Keuze en aanwending van materieel in functie van de omgevingstemperatuur (AA)

Code Omgevingstemperatuur Karakteristieken van het materieel
en de aanwending ervan
AA1 −60°C tot+5°C Sil t til
AA2 −40 °C tot +5 °C pecaa onworpen maeraa
of aangepaste schikkingen
AA3 −25 °Ctot+5 °C
AA4 −5 °Ctot+40 °C Normaal
AA5 + 5 °Ctot+40 °C
AA6 + 5 °C tot +60 °C Speciaal ontworpen materieel
ofaangepastemaatregelen

Voor bijzonder materieel mag rekening gehouden worden met de temperaturen vermeld in tabel 5.3.

Tabel 5.3 Keuze en aanwending van bijzonder materieel in functie van de omgevingstemperatuur (AA)

Code Temperatuur Kenmerken van het materieel
en de aanwending ervan
AA7 −15 °C tot +25 °C Normaal materieel voor
buitenopstelling
AA8 −5 °C tot +30 °C Normaal materieel voor gewoonlijk
verwarmde lokalen

5.3.2.2In functie van de aanwezigheid van water (AD)

De beschermingsgraad van elektrische machines en toestellen voor wat betreft het binnendringen van vloeistoffen moet bepaald worden volgens de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of beantwoordt aan de bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm, rekening houdend met de bepalingen van tabel 5.4 .

Tabel 5.4 Beschermingsgraad van elektrische machines en toestellen in functie van de aanwezigheid van water (AD)

Code Aanwezigheid van water Beschermingsgraad
AD1 te verwaarlozen aanwezigheid IPX0
AD2 tijdelijk vochtig IPX1
AD3 Vochtig IPX3
AD4 Nat IPX4
AD5 Besproeid IPX5
AD6 watermassa’s IPX6
AD7 overstroomde ruimten IPX7
AD8 permanent ondergedompeld IPX8

5.3.2.3In functie van de aanwezigheid van vreemde vaste lichamen (AE)

De beschermingsgraad van elektrische machines en toestellen tegen het binnendringen van vreemde vaste lichamen beantwoordt aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm, rekening houdend met de bepalingen van tabel 5.5 .

Tabel 5.5 Beschermingsgraad van elektrische machines en toestellen in functie van de aanwezigheid van vreemde vaste lichamen (AE)

Code Vreemde vaste lichamen Beschermingsgraad
AE1 Grote afmetingen IP2X of IP0X volgens de beschermingsgraad
die al of niet is voorgeschreven voor gevaren
bijrechtstreekse aanraking
AE2 Kleinste afmeting2,5 mm IP3X
AE3 Kleinste afmeting1 mm IP4X
AE4 Stfdlt
Bijindringingsmogelijkheid
IP5X
oeejes
Bijvereiste stofdichtheid
IP6X

5.3.2.4In functie van de aanwezigheid van corrosieve of milieuverontreinigende stoffen (AF)

Wanneer de hoeveelheid of de aard van corrosieve of milieuverontreinigende stoffen verwaarloosbaar is (AF1) op elektrische machines of toestellen moeten deze aan de regels van goed vakmanschap beantwoorden die voor de normale gebruiksomstandigheden gelden.

Bij aanwezigheid van corrosieve of milieuverontreinigende stoffen afkomstig uit de atmosfeer (AF2) moeten de elektrische machines en toestellen zo ontworpen en uitgevoerd zijn dat ze met succes weerstaan aan de zoutnevelproef die is voorgeschreven hetzij in de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Wanneer ze echter onderworpen worden aan een onderbroken of toevallige inwerking van chemische producten (AF3) moeten de elektrische machines en toestellen zo ontworpen en uitgevoerd zijn dat ze weerstaan aan een corrosieproef zoals voorgeschreven hetzij in de van toepassing zijnde, door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij in bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Wanneer ze aan een permanente inwerking van chemische producten zijn blootgesteld (AF4) moeten de elektrische machines en toestellen speciaal bestudeerd zijn voor deze toestand of moeten zij voorzien worden van een beschermingsbekleding die bijzonder is aangepast aan de aard van de aangehaalde reagentia.

5.3.2.5In functie van mechanische belasting veroorzaakt door schokken (AG)

Wanneer de uitwendige invloed van de klasse AG1 is, mogen de elektrische machines en toestellen van het huishoudelijk type zijn, conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Wanneer de uitwendige invloed van de klasse AG2 of AG3 is, moeten de elektrische machines en toestellen een bescherming hebben die weerstaat aan de te verwachten belasting.

5.3.2.6In functie van mechanische belasting veroorzaakt door trillingen (AH)

Wanneer de elektrische machines en toestellen aan trillingen worden onderworpen die door de regels van goed vakmanschap als middelmatig of belangrijk worden aangeduid (AH2 of AH3) moeten zij hiervoor speciaal bestudeerd worden of dienen, te hunnen opzichte, speciale maatregelen genomen te worden.

5.3.2.7In functie van de aanwezigheid van flora en/of schimmelvorming (AK) en fauna (AL)

De te nemen maatregelen tegen flora en/of schimmelvorming zijn afhankelijk van de aard van deze laatste en van de plaatselijke omstandigheden. Het risico is afhankelijk hetzij van de schadelijke inwerking van de plantengroei hetzij van zijn overmaat.

De eventueel te nemen beschermingsmaatregelen tegen fauna zijn afhankelijk volgens het geval van:

  • een aangepaste beschermingsgraad tegen het binnendringen van vaste lichamen;

  • voorzorgsmaatregelen om de aanwezigheid van deze fauna te vermijden zoals reiniging, gebruik van pesticiden...

5.3.2.8In functie van elektromagnetische, elektrostatische of ioniserende invloeden (AM) en zonnestraling (AN)

De bijzondere beschermingsmaatregelen, hierna vermeld, moeten eventueel aangewend worden.

Tegen zwerfstromen (AM2):
  • versterkte isolatie;

  • speciale beschermingsbekledingen;

  • kathodische bescherming;

  • bijkomende equipotentiaalverbinding.

Tegen elektromagnetische (AM3) of ioniserende (AM4) invloeden:
  • zich verwijderen van de stralingsbronnen;

  • tussenplaatsen van schermen;

  • omhulsels uit speciale materialen.

Tegen elektrostatische invloeden (AM5):
  • geaard scherm;

  • verminderen van de oppervlakteweerstand van isolatiematerialen;

  • bijkomende equipotentiaalgeleiders;

  • opstelling op niet-geleidende plaatsen.

Tegen geïnduceerde stromen (AM6):
  • zich verwijderen van de inducerende stroombronnen;

  • tussenplaatsen van schermen.

Tegen zonnestraling die het elektrische materieel kan schaden (AN2):

  • materialen bestand tegen ultraviolette straling;

  • bekledingen met speciale kleur;

  • tussenplaatsen van schermen.

5.3.2.9In functie van de bekwaamheid van personen (BA)

Bij keuze van elektrische machines en toestellen moet rekening gehouden worden met de bepalingen van tabel 5.6 .

Tabel 5.6 Keuze van elektrische machines en toestellen in functie van de bekwaamheid van personen (BA)

Code Bekwaamheid
van personen
Karakteristieken en aanwending
van het materieel
BA1 Gewone Normaal
BA2 Kinderen Materieel met een beschermingsgraad
hoger dan IPXX-B
BA3 Gehandicapten Ongenaakbaarheid van materieel waarvan de
temperatuur van de buitenvlakken 80 °C overtreft
BA4 Gewaarschuwden Materieel zonder beschermingtegen elektrische
BA5 Vakbekwamen schokken bij rechtstreekse aanrakingis toegela-
ten

5.3.2.10In functie van de toestand van het menselijk lichaam (BB)

De keuze van elektrische machines en toestellen moet, naargelang het geval, gebeuren met inachtneming van de uitwendige invloeden BB, functie van de elektrische weerstand van het menselijk lichaam; rekening houdend met de bepalingen van tabel 5.7 .

Tabel 5.7 Keuze van elektrische machines en toestellen in functie van de toestand van het menselijk lichaam (BB)

Code Toestand van het menselijk lichaam Karakteristiek van het mate-
rieel en zijn aanwending
BB1 Drogehuid ofvochtig doortranspiratie Normaal
BB2 Natte huid Aangepaste beschermingsmaat-
BB3 Ondergedompeldinwater regelen

5.3.2.11In functie van contact met het aardpotentiaal door personen (BC)

De keuze van elektrische machines en toestellen moet, naargelang het geval, gebeuren met inachtneming van de uitwendige invloeden BC, functie van de frequentie van de contacten van personen met het aardpotentiaal; de klasse van het aangewende materieel zal bepaald worden rekening houdend met de bepalingen van tabel 5.8.

Tabel 5.8 Keuze van elektrische machines en toestellen in functie van contact met het aardpotentiaal door personen (BC)

Code Klasse van het contact Klasse van h et materieel
0-0I I II III
BC1 Geen A A A A
BC2 Zwak A A A A
BC3 Veelvuldig + A A A
BC4 Voortdurend + (1) (1) (2)
  • A: toegelaten materieel

  • +: verboden materieel

    1. (1)

      volgens de beschermingsmaatregel: veiligheidsscheiding van de stroombanen beperkt tot één enkel toestel per transformator

    2. (2)

      volgens de beschermingsmaatregel: gebruik van zeer lage veiligheidsspanning

5.3.2.12In functie van de aard van de behandelde en opgeslagen goederen (BE)

De keuze van elektrische machines en toestellen moet, naargelang het geval, gebeuren met inachtneming van de uitwendige invloeden BE, volgens de aard van de behandelde of opgeslagen goederen:

  • BE2 brandgevaar: afdelingen 4.3.3. en 5.2.7. ;

  • BE3 ontploffingsgevaar: hoofdstuk 7.102.;

  • BE4 gevaar voor bezoedeling: afdeling 4.6.3 .

5.3.2.13In functie van de bouwmaterialen (CA)

Wanneer er de uitwendige invloed CA2 is, moeten de elektrische machines en toestellen een bescherming hebben die weerstaat aan de te verwachten invloeden; er moet ondermeer aan de voorschriften van afdeling 4.3.3. worden voldaan.

5.3.2.14In functie van de structuur van gebouwen (CB)

Wanneer de uitwendige invloed CB2, CB3 of CB4 is, moeten de elektrische machines en toestellen een bescherming hebben die weerstaat aan de te verwachten invloeden. Voor CB2 moet onder meer aan de voorschriften van afdeling 4.3.3. worden voldaan.

5.3.3Bedienings- en scheidingswijzen

5.3.3.1Veiligheidsonderbreking

  1. a.

    Scheiding

    1. a.1

      Algemeen

      Om de scheiding van iedere elektrische installatie of gedeelte ervan mogelijk te maken met het oog op onderhoud, nazicht, foutzoeken en herstellingen worden inrichtingen voorzien die deze scheiding toelaten. Deze inrichtingen onderbreken alle actieve geleiders met inbegrip van de nulgeleider, uitgezonderd:

      • in het TN-C-netsysteem waar het onderbreken van de geaarde actieve geleider (PEN, PEM en PEL) verboden is;

      • in het TN-S-netsysteem waar het toegelaten is de nulgeleider niet te onderbreken;

      • in het TT-netsysteem waar het onderbreken van de nulgeleider wordt verwezenlijkt onder de voorwaarden beschreven in punt c.4. van onderafdeling 4.2.3.4.

    2. a.2

      Scheiding van energiebronnen

      Inrichtingen worden voorzien die de scheiding van de energiebron toelaten.

      De aansluiting van iedere hoogspannings-laagspanningstransformator wordt voorzien van scheidingsinrichtingen en dit zowel stroomopwaarts als stroomafwaarts, zoals voorgeschreven in de door de Koning be- krachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoordt aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

      Dit voorschrift is niet van toepassing:

      • op de transformator die een geheel vormt met een andere elektrische machine of toestel. In dat geval, kunnen de scheidingsinrichtingen tussen de transformator en de elektrische machine of toestel waarmee hij een geheel vormt, worden weggelaten;

      • op transformatoren voor meettoestellen;

      • op de secundaire wikkeling van transformatoren die ontladingslampen voeden en van transformatoren waarvan het vermogen 500 VA niet overschrijdt.

      Wanneer transformatoren voorzien worden om parallel geschakeld te werken en waarbij de nulpunten onderling verbonden worden zonder geaard te zijn, onderbreken de scheidingsinrichtingen gelijktijdig de N- geleider en de lijngeleiders.

    3. a.3

      Keuze en kenmerken van het materieel

      Inrichtingen met halfgeleiders mogen niet aangewend worden voor scheidingsdoeleinden.

      1. 1.

        Bij laagspanning en bij zeer lage spanning moet één van de volgende inrichtingen worden gebruikt:  meerpolige en enkelpolige scheidingsschakelaars;

        • stopcontacten;

        • vervangingselementen voor smeltzekeringen;

        • scheidingsmessen;

        • speciaal ontworpen contactklemmen waarbij het verplaatsen van een geleider niet vereist is;

        • lastscheidingsschakelaars die gelijkgesteld worden met scheiders wanneer ze voldoen aan de voorschriften van de door de Koning bekrachtigde norm voor de scheiders met onderbreking in de lucht en gebruikt bij laagspanning of aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm;

        • de vermogensschakelaars en de differentieelstroombeschermingsinrichtingen voor zover ze voldoen aan de voorschriften aangaande de scheidingsfunctie van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde norm of aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm;

        • de uittrekbare gedeelten en de wegneembare delen van de geprefabriceerde schakel- en verdeelinrichtingen wanneer ze beantwoorden aan de voorschriften van de door de Koning bekrachtigde norm voor de geprefabriceerde laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen of aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm;

        • automatische scheidingssystemen die de ontkoppeling verzekeren tussen het distributienet en een autonome bron die geen deel uitmaakt van het distributienet en die in parallel met dit net kan werken.

      2. 2.

        Bij laagspanning en bij zeer lage spanning en wanneer de inrichtingen vermeld onder 1 . niet worden voorzien, moet de afstand tussen de spanning staande delen gelijk zijn aan 9 mm. In dit geval moeten de middelen, die het eerbiedigen van deze afstand toelaten, op een veilige wijze aangewend worden door de gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen.

        • Indien de frequentie verschilt van de industriële frequentie conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde norm, moeten de afstanden, aangepast volgens de regels van goed vakmanschap, toegepast worden.

    4. a.4

      Aanwending van bijkomende middelen

      Bij zeer lage spanning en laagspanning mogen de inrichtingen niet ontijdig terug gesloten kunnen worden onder invloed van voorzienbare schokken.

      Er moeten onder andere schikkingen getroffen worden om het voortijdig onder spanning brengen van het materieel te voorkomen zolang er personen aan werken; deze schikkingen worden getroffen door een gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) persoon en kunnen bestaan uit:

      • vergrendeling door slot of hangslot;

        • aanbrengen van waarschuwingsborden;

        • opstelling in een met sleutel afgesloten lokaal;

      • kortsluiting en aarding van de actieve delen.

      Zo nodig moeten ook andere schikkingen genomen worden teneinde:

      • de ontlading van alle capacitieve energie te verzekeren;

      • terugvoeding te vermijden wanneer de installatie door verschillende bronnen wordt gevoed.

      • Aan deze laatste voorwaarde wordt, in het geval van autonome bronnen die geen deel uitmaken van het distributienet en die in parallel met dit net kunnen werken voldaan, indien deze, onverminderd de bepa- lingen van 6.4.1. en 6.4.6.2. , beantwoorden aan de volgende schikkingen:

      • er dient een vergrendelbare veiligheidsonderbreking voorzien te worden toegankelijk voor de distributienetbeheerder. Het mechanisme moet werken op basis van een ontkoppelingsbeveiliging die loskoppeling beveelt bij abnormale variatie van spanning en/of frequentie;

      • voor autonome bronnen met een maximaal AC-vermogen kleiner dan of gelijk aan 30 kVA, mag als alternatief een automatisch scheidingssysteem voorzien worden dat beantwoordt aan de volgende voorwaarden: 1. bestaan uit twee in serie geplaatste elementen die ieder de ontkoppeling van de stroombaan met het distributienet bewerkstelligen. Een van de elementen verzekert een fysische scheiding door middel van een alpolige automatische lastscheidingsschakelaar; het tweede element mag, in afwijking van eerste alinea van a.3. , een elektronisch schakelsysteem zijn;

        1. 2.

          verzekeren dat een galvanische scheiding tot stand komt binnen de 5 seconden wanneer de voeding van het net wordt afgeschakeld of wegvalt.

  2. b.

    Onderbreking om mechanisch onderhoud mogelijk te maken

    1. b.1

      Algemeen

      De onderbreking bij mechanisch onderhoud wordt voorzien om toe te laten de elektrische voeding van gedeelten van het materieel af te snijden. Aldus worden ongevallen voorkomen die verschillen van deze te wijten aan elektrische schokken of boogontladingen en dit op het ogenblik van het niet-elektrisch onderhoud van het materieel.

    2. b.2

      Keuze van het materieel

      De inrichtingen voor onderbreking bij mechanisch onderhoud moeten bij voorkeur opgesteld worden in de hoofdvoedingsstroombaan. Zij dienen niet noodzakelijk alle actieve voedingsgeleiders te onderbreken. De onderbreking van de stuurstroombaan wordt echter toegelaten op voorwaarde dat een bijkomende veiligheidsinrichting een evenwaardige onderbrekingsbeveiliging verzekert als deze van de hoofdvoeding of wanneer overeenkomstige voorschriften dit toelaten.

      De onderbreking voor mechanisch onderhoud kan bijvoorbeeld verwezenlijkt worden met één van volgende middelen:

      • meerpolige onderbrekingsschakelaars;

      • vermogensschakelaars;

      • stuurhulpmiddelen;

      • stopcontacten.

      De onderbrekingsinrichtingen voor mechanisch onderhoud en de stuurhulpmiddelen die ermee overeenstemmen moeten met de hand bediend worden en een uitwendig zichtbare scheiding hebben ofwel een stand hebben die klaar en veilig wordt aangeduid. De aanduiding van deze stand zal slechts dan zichtbaar zijn wanneer de stand «STILSTAND» of «OPEN» voor iedere pool werd bereikt. Bijkomende standen zoals bijvoorbeeld «WERKING», «TESTEN», «UITGESCHAKELD» kunnen voorzien worden op voorwaarde dat ze klaar en duidelijk staan aangegeven.

      De onderbrekingsinrichtingen voor mechanisch onderhoud moeten zo opgevat en geïnstalleerd worden dat iedere ontijdige hersluiting, bijvoorbeeld door schokken of trillingen, voorkomen wordt.

      De scheiding is ook als een geldige inrichting te beschouwen.

  3. c.

    Elektrische noodonderbreking

    1. c.1

      Algemeenheden

      De inrichtingen voor elektrische noodonderbreking moeten voorzien worden voor ieder gedeelte van een installatie waarvoor het nodig kan zijn om de voeding te onderbreken en aldus een gevaar uit te sluiten. Wanneer dit gevaar gevormd wordt door een beweging wordt deze inrichting «noodstop» genoemd.

      Een inrichting voor elektrische noodonderbreking en/of een middel voor noodstop kunnen voorzien worden voor verscheidene toepassingen en dit volgens de desbetreffende regels van goed vakmanschap.

      De bedoelde inrichtingen voor elektrische noodonderbreking, met inbegrip van deze voor noodstop, moeten op zodanige wijze opgesteld worden dat ze gemakkelijk herkenbaar zijn en snel kunnen bereikt worden.

    2. c.2

      Keuze en kenmerken van het materieel

      Bij zeer lage spanning en laagspanning dienen de middelen voor elektrische noodonderbreking met inbegrip van de noodstopinrichtingen zo te worden gekozen dat zij in staat zijn de vollaststroom te onderbreken van het overeenstemmend gedeelte van de installatie met inbegrip van de stroom van eventueel geblokkeerde motoren. Zij kunnen samengesteld zijn uit:

      • een enkelvoudige onderbrekingsinrichting die rechtstreeks de hoofdvoeding afsnijdt;

      • een samenstelling van verschillende toestellen in werking gesteld door één enkele beweging en waardoor het gevaar wordt afgewend door onderbreking van de voeding van het betrokken gedeelte van de installatie. Men kan hierbij echter het behoud van de voeding voor elektrisch afremmen behouden. Voorbeelden:

        • onderbrekingsschakelaars van de hoofdstroombaan;

        • drukknoppen en dergelijke in de stuurstroombaan.

      Handbediende inrichtingen moeten bij voorkeur gekozen worden voor de rechtstreekse onderbreking van de hoofdstroombaan.

      Contactoren met afstandsbesturing moeten geopend worden door het afsnijden van de voeding van de spoel of door het aanwenden van andere technieken die een gelijkwaardige veiligheid bieden.

      De stuurmiddelen (handkrukken, drukknoppen...) van de inrichtingen moeten duidelijk aangegeven zijn, zo mogelijk door hun rode kleur die met de basiskleur contrasteert.

      De inrichtingen voor elektrische noodonderbreking dienen vergrendelbaar te zijn (elektrisch of mechanisch) en dit in de stand voor onderbreking of stilstand. Niet-vergrendelbare inrichtingen worden aanvaard wanneer de inrichting en de middelen voor het opnieuw starten onder de bewaking staan van eenzelfde persoon. Deze bewaking is bestendig volgens behoefte.

5.3.3.2Functionele besturing

  1. a.

    Algemeen

    Een stuurinrichting moet stroomopwaarts geplaatst worden van elektrische machines, toestellen of leidingen waarvoor het kan vereist zijn de voeding tot stand te brengen of te onderbreken onafhankelijk van de andere gedeelten van de installatie.

  2. b.

    Keuze van de stuurinrichting

    Bij zeer lage spanning en laagspanning kunnen de hierna beschreven inrichtingen gebruikt worden op voorwaarde dat zij voldoen aan de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of dat zij beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen:

    • stopcontacten met een maximale stroomsterkte van 16 A voorzien voor een dienstspanning gelijk aan of kleiner dan 500 V wisselspanning en 250 V gelijkspanning;

    • schakelaars;

    • vermogensschakelaars;

    • contactoren;

    • stuurhulpmiddelen;

    • elektronische schakelingen.

  3. c.

    Onderbreking van geleiders

    Wanneer er geen gevaren uit voortspruiten is het toegelaten niet al de actieve geleiders te onderbreken.

    Tenzij voor het uitvoeren van metingen is het niet toegelaten een éénpolige stuurinrichting te voorzien in de nulgeleider.

    De stuurinrichtingen die de omschakeling van energiebronnen verzekeren werken op alle actieve geleiders in en mogen deze bronnen niet ontijdig parallel schakelen.

    In het TN-netsysteem is het echter toegelaten de geaarde actieve geleider niet te onderbreken wanneer de geaarde actieve geleiders van twee energiebronnen met dezelfde aardverbinding zijn verbonden.

  4. d.

    Plaatsing

    Ieder elektrisch gebruikstoestel of iedere elektrische machine moet bediend worden via een stuurinrichting.

    Deze inrichting is noodzakelijk zelfs wanneer de werking van de elektrische machine of het elektrisch gebruikstoestel afhankelijk is van een relais, een thermostatische schakelaar of van een ander analoog orgaan.

    Het is echter toegelaten dat:

    • eenzelfde stuurinrichting verschillende elektrische machines of toestellen beveelt waarvan de werking gelijktijdig verloopt;

    • op de voedingsstroombaan van een elektrische machine of toestel geen stuurinrichting wordt voorzien wanneer deze elektrische machine of dat elektrisch toestel zelf een algemene schakelaar bevat;

    • een stuurinrichting niet vereist is voor ieder huishoudtoestel dat verschillende elementen bevat, al of niet verwarmend, die elk via een afzonderlijke schakelaar worden bediend.

  5. e.

    Stuurinrichtingen

    Buiten de hierboven beschreven inrichtingen moeten de motoren, overeenkomstig de regels van goed vakmanschap, ook voorzien worden van aangepaste stuurinrichtingen wanneer het aanzetten zonder deze voorzieningen de werking van andere gebruiksmiddelen abnormaal zou verstoren.

    Uitgezonderd bij dwingende veiligheidsredenen moeten de stuurinrichtingen van motoren zo opgevat zijn dat na een onderbreking de automatische herinschakeling van de motor belet wordt wanneer het heraanzetten ervan gevaar zou kunnen opleveren voor personen.

  6. f.

    Besturingsstroombaan

    De besturingsstroombanen moeten zo opgevat en uitgevoerd worden dat ze de veiligheid van personen niet in het gedrang brengen en dat ze een efficiënte beveiliging van het materieel bieden wanneer zich een defect in de apparatuur voordoet.

    Zij moeten onder meer opgevat en verwezenlijkt worden om de risico’s te beperken die voortspruiten uit een toevallig contact van één of meerdere punten van de stuurstroombaan met de massa (of de aarde). Dit zou namelijk een ontijdig aanzetten kunnen tot gevolg hebben of zou het stilzetten van de elektrische machine of het elektrisch toestel onder sturing kunnen beletten.

5.3.3.3Gelijktijdige functies

De functies voor veiligheidsonderbreking en functionele sturing kunnen geheel of gedeeltelijk verenigd worden in eenzelfde inrichting op voorwaarde dat alle voorschriften voor iedere functie worden nageleefd.

5.3.3.4Voorschriften voor contactdozen

Contactdozen waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 16 A bij een nominale spanning groter dan 500 V wisselspanning en 50 V gelijkspanning of waarvan de nominale stroomsterkte gelijk aan of groter is dan 32 A moeten:

  • hetzij een onderbrekingsvermogen en een levensduur hebben beantwoordend hetzij aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm hetzij aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm;

  • hetzij voorzien zijn van een mechanische of elektrische vergrendeling die het inbrengen of uittrekken van de stopcontact onder spanning onmogelijk maakt.

Dit voorschrift is echter niet van toepassing op contactdozen en contactstoppen voor synchronisatie, voor voltmeter of voor meettoestellen.

De beschermingsgraad van de contactdozen bedraagt ten minste IPXX-B.

5.3.3.5Toestellen voor automatische wederinschakeling voor vermogensschakelaars en differentieelstroombeschermingsinrichtingen

  1. a.

    Algemeenheden

    De toestellen voor automatische wederinschakeling zijn bedoeld om beschermingsinrichtingen (vermogensscha- kelaar en differentieelstroombeschermingsinrichting) na een uitschakeling door een fout automatische terug in te schakelen om zo de bedrijfscontinuïteit te herstellen.

    De toestellen voor automatische wederinschakeling moeten voldoen:

    • hetzij aan de schikkingen van de desbetreffende normen, door de Koning bekrachtigd of door het NBN geregistreerd;

    • hetzij aan de schikkingen vastgelegd, bij besluit, door de Ministers die respectievelijk de Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor zijn domein;

    • hetzij aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

    Ze zijn in overeenstemming met de voorschriften van de fabrikant geplaatst en gebruikt, met geschikte beschermingsinrichtingen.

    Het toestel voor automatische wederinschakeling moet aan de volgende bijzondere eisen beantwoorden:

    • het toestel voor automatische wederinschakeling mag alleen met een differentieelstroombeschermingsinrichting gekoppeld worden;

    • het toestel voor automatische wederinschakeling moet bij werkzaamheden aan de elektrische installatie of bij een manuele werking van de beschermingsinrichting uitgeschakeld worden (mode activeren/desactiveren en mechanische vergrendeling);

    • het toestel voor automatische wederinschakeling moet voorzien zijn van een signalisatie van zijn toestand (werking en fout);

    • alleen een toestel voor automatische wederinschakeling met evaluatie voor herinschakeling is toegelaten;

    • het toestel voor automatische wederinschakeling mag niet zich inschakelen wanneer de beschermingsinrichting manueel is uitgeschakeld;

    • maximaal drie pogingen van automatische wederinschakeling zijn gedurende de hersteltijd (resettijd) van het toestel

      • voor automatische wederinschakeling in de foutvoorwaarden toegelaten;

    • het toestel voor automatische wederinschakeling mag geen parameters hebben die door de gebruiker kunnen gewijzigd worden;

    • het toestel voor automatische wederinschakeling mag niet met de differentieelstroombeschermingsinrichting voor de voeding van de stroombanen bedoeld in de punten 3 en 4 van de vijfde alinea van punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. gekoppeld worden.

  2. b.

    Bijzondere voorschriften

    Voor de ruimten waar de aanwezigheid van personen niet gebruikelijk is (technische lokalen voor uitrustingen voor telecommunicatie of verkeersborden, serverlokalen, automatische spoorwegovergang, …) en in afwijking van de bijzondere eisen van de 4de alinea van punt a. van onderafdeling 5.3.3.5. , is het toegelaten voor de niet-huishoudelijke installaties:

    • een toestel voor automatische wederinschakeling gekoppeld met een geschikte vermogensschakelaar te plaatsen; of/en

    • een toestel voor automatische wederinschakeling met parameters die door de gebruiker kunnen gewijzigd worden te plaatsen.

    Voor elektrische installaties in ruimten met verhoogd brandgevaar is het gebruik van een toestel voor automatische wederinschakeling voor beschermingsinrichtingen (vermogensschakelaar en differentieelstroombeschermingsinrichting) onder foutomstandigheden verboden. Deze bepaling geldt niet voor het toestel voor automatische wederinschakeling gekoppeld met een vermogensschakelaar:

    • voor de stroombanen ondergebracht in een zone 22 van een ruimte BE3; of

    • als de noodzakelijke vertragingstijd voor de automatische werderinschakeling van de beschermingsinrichting rekening houdt met de veilige temperatuur van het elektrisch materieel.

  3. c.

    Markeringen

    De aanwezigheid van een toestel voor automatische wederinschakeling in een schakel- en verdeelbord moet aangeduid worden door een etiket dat naast het toestel voor automatische wederinschakeling moet geplaatst worden. Ze vermeldt: “Waarschuwing: Voor elke toegang tot de actieve delen, de functie van de automatische wederinschakeling desactiveren en de bijbehorende beschermingsinrichting uitschakelen.”

    De betrokken stroombanen moeten duidelijk gemerkt worden.

    Het stroombaanschema moet de aanwezigheid van toestellen voor automatische wederinschakeling vermelden.

5.3.4Gebruikstoestellen

5.3.4.1Elektrische huishoudtoestellen

Het gebruik van elektrische huishoudtoestellen die niet volledig beantwoorden aan de voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen, of aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen, is verboden.

5.3.4.2Verlichtingstoestellen

  1. a.

    Buitenverlichtingstoestellen

    De delen waarlangs de geleiders binnengaan in de buitenverlichtingstoestellen moeten zo geplaatst zijn dat ze de isolerende mantel van de geleiders niet beschadigen en dat het indringen van vocht in de lamphouder vermeden wordt.

  2. b.

    Bevestiging van de toestellen

    De verlichtingstoestellen moeten zo worden bevestigd dat herhaalde omwentelingen in de zelfde zin (bijvoorbeeld bij het onderhoud ervan) noch de val van de toestellen kan veroorzaken noch de isolatie van de geleiders kan beschadigen.

  3. c.

    Opgehangen toestellen

    Tenzij anders vermeld in deze onderafdeling moet men er over waken dat de toestellen zo worden opgehangen dat hun bevestiging aan volgende voorschriften beantwoordt:

    • de ophanging wordt niet verzekerd door bevestiging aan de voedingsgeleiders;

    • een geïsoleerd verbindingsstuk scheidt de metalen delen van het toestel van zijn steun wanneer het toestel niet van de klasse I is.

    Toch mag men de geleiders ook als ophangdraden gebruiken wanneer de verbindingen met de lampen, de verlichtingsarmaturen en de plafondverbindingsdozen aan geen enkele trekkracht worden onderworpen en wanneer het gewicht van het opgehangen toestel 5 kg niet overschrijdt. Bovendien mag in de kern van de geleider de trekspanning niet groter zijn dan 15 N/mm². Het aanwenden van een knoop in de elektrische leiding als tractiestop is verboden.

    De opgehangen verlichtingstoestellen moeten zo opgesteld worden dat hun geleiders niet kunnen beschadigd worden door ronddraaien of elke andere verplaatsing van deze toestellen.

  4. d.

    Verlichtingstoestellen met lamphouders

    1. d.1

      Keuze van de lamphouders

      De lamphouders moeten gekozen worden rekening houdend met de stroom alsook met het opgenomen vermogen door de lampen die voorzien werden.

      De schroeflamphouders met genaakbare actieve delen, of deze die een rechtstreekse aanraking met de lampvoet toelaten wanneer de lampen aangebracht zijn, mogen niet gebruikt worden in open toestellen tenzij ze buiten het genaakbaarheidsgabarit van de gebruiker opgesteld zijn. In alle andere gevallen, mogen ze slechts aangewend worden in verlichtingstoestellen die slechts met behulp van gereedschap kunnen geopend worden.

      Lamphouders met schakelaar zijn slechts toegelaten indien ze een isolerend omhulsel bevatten.

      De lamphouders met trekschakelaar zijn slechts toegestaan indien de werking van de schakelaar verzekerd wordt, hetzij door een isolerend koord, hetzij door een metalen ketting verbonden aan het mechanisme door middel van een isolerend deel: deze ketting mag niet in contact komen met actieve delen van de lamphouder.

    2. d.2

      Elektrische leidingen

      Het is verboden elektrische leidingen aan de verlichtingstoestellen te bevestigen door middel van metalen klemmen die hun isolatie kunnen beschadigen. Bijzondere beschermingsstukken uit isolatiemateriaal worden aangebracht daar waar de isolatie van de elektrische leidingen beschadigd zou kunnen worden.

      De doorlaatpijpen in de verlichtingstoestellen moeten derwijze afgewerkt zijn dat de elektrische leidingen gemakkelijk kunnen worden doorgetrokken zonder dat de isolatie van de elektrische leidingen beschadigd wordt.

    3. d.3

      Aftakkingen

      De aftakkingen binnen in de verlichtingstoestellen moeten zoveel mogelijk in één punt verenigd worden.

    4. d.4

      Voetstukken

      Al de onder spanning staande delen van verlichtingstoestellen dienen aangebracht op voetstukken van onbrandbaar en niet-hygroscopisch isolatiemateriaal.

  5. e.

    Looplampen

    Gezien hun toepassing in de meest diverse omstandigheden vanuit het oogpunt van de uitwendige invloeden, is de voedingsspanning der looplampen begrensd tot de hiernavolgende maximale waarden:

    • bij laagspanning tot 250 V onder de gelijktijdige uitwendige invloeden: BB1/BC1 of BC2;

    • bij zeer lage veiligheidsspanning tot 25 V wisselspanning, 36 V gelijkspanning met rimpel en 60 V gelijkspanning zonder rimpel onder de gelijktijdige uitwendige invloeden: BB1/BC3 of BC4; BB2/BC1 of BC2 of BC3; BB3/BC1 of BC2;

    • bij zeer lage veiligheidsspanning tot 12 V wisselspanning, 18 V gelijkspanning met rimpel of 30 V gelijkspanning zonder rimpel onder de gelijktijdige uitwendige invloeden: BB2/BC4; BB3/BC3;

    • bij zeer lage veiligheidsspanning tot 6 V wisselspanning, 12 V gelijkspanning met rimpel of 18 V gelijkspanning zonder rimpel onder de gelijktijdige uitwendige invloeden: BB3/BC4.

    De looplampen voor laagspanning moeten van de klasse I of II zijn.

  6. f.

    Voedingssysteem voor verlichtingstoestellen via rails

    De rails voor elektrische voedingssystemen van verlichtingstoestellen moeten zo geïnstalleerd worden dat hun opening niet naar boven gericht is. Een of meerdere oordeelkundig geplaatste schakelaars moeten de onderbreking van de voeding toelaten van de rail over haar hele lengte.

    In de huishoudelijke installaties en in de ruimten speciaal bestemd voor kinderen (BA2), moeten deze rails op meer dan 2 m van de vloer geïnstalleerd worden.

  7. g.

    Door transformatoren, convertoren of invertoren gevoede ontladingslampen

    1. g.1

      Toepassingsgebied

      Dit punt g. is van toepassing op ontladingslampen die geen deel uitmaken van openbare verlichtingsinstallaties en die gevoed worden door een transformator, convertor of invertor waarvan de nullast uitgangsspanning hoger is dan 1 kV maar 10 kV niet overschrijdt.

    2. g.2

      Vaste installaties

      • Voedingsstroombaan

        • De ontladingslampen moeten gevoed worden door een afzonderlijke laagspanningsstroombaan vertrekkende van het hoofd- of van een hulpverdeelbord. Deze speciale stroombaan moet voorzien zijn van een alpolige schakelaar, «normaalschakelaar» genoemd, die de hulptoestellen van de ontladingslampen, waaronder ook de transformatoren, convertoren, of invertoren begrepen zijn, bedient. Elke andere schakelaar in deze stroombaan geplaatst moet eveneens alpolig zijn.

      • Transformatoren, convertoren of invertoren

      Het gebruik van autotransformatoren voor de voeding van ontladingslampen is verboden. De transformatoren, convertoren of invertoren moeten beantwoorden aan de voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of aan bepalingen die minstens een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

      • Scheidingsinrichting van de primaire stroombaan

      Volgens het geval moet de primaire stroombaan van elke transformator, convertor of invertor of groep van transformatoren, convertoren of invertoren voorzien zijn van een scheidingsinrichting zoals hierna beschreven wordt.

      • Buiteninstallaties

        • Een alpolige hulpschakelaar, «brandweerschakelaar» genaamd, is buiten langs de straat of langs een doorgang bij voorkeur op de voorgevel geplaatst, op een hoogte begrepen tussen 3 en 4 m vanaf de begane grond en op een horizontale afstand van maximum 5 m vanaf het dichtstbijzijnde uiteinde van de lampen.

        • Deze schakelaar wordt binnen een omhulsel aangebracht waarvan de beschermingsgraad minimum IP54 bedraagt.

      Dit omhulsel wordt stevig bevestigd op een gemakkelijk bereikbare plaats. Men zal vermijden de schakelaars boven een venster of een deur te plaatsen. Met een aangepast arbeidsmiddel moet de schakelaar gemakkelijk bediend kunnen worden.

      In dit omhulsel wordt achter een venster van doorzichtig materiaal, een verkliklamp geplaatst, die gevoed wordt door de primaire stroombaan van de transformator, convertor of invertor of van de groep van transformatoren, convertoren of invertoren. Deze lamp brandt wanneer de primaire klemmen van de transformator, convertor of invertor of van de groep van transformatoren, convertoren of invertoren onder spanning staan. Door het venster geeft zij een rood licht dat gemakkelijk van op de begane grond zichtbaar is.

      Indien het omhulsel uit metaal is, wordt het geaard.

      • Binneninstallaties

        • Een alpolige schakelaar wordt in de nabijheid van de ontladingslampen geplaatst ofwel op het ontstekingsbord van het lokaal waarin de lampen opgesteld zijn. Deze schakelaar wordt gemerkt met de indicatie «neon».

Plaatsing van de hulpinrichting
  • De hoogspanningshulpinrichting van de ontladingslampen is:

  • hetzij opgesteld op voldoende afstand van alle voorwerpen of alle delen van het gebouw die het zou kunnen beschadigen;

  • hetzij gescheiden van deze voorwerpen of delen van het gebouw door een thermisch isolerend scherm.

Indien de hoogspanningshulpinrichting van de ontladingslampen aangebracht is binnen in de gebouwen, moet zij geplaatst worden, hetzij in een lokaal, gescheiden van de rest van de installatie en onbereikbaar voor elke niet-toegelaten persoon, hetzij in één of meerdere schakel- en verdeelborden uit onbrandbaar materiaal.

Indien de hulpinrichting aangebracht is buiten de gebouwen, moet het geheel ten minste een beschermingsgraad IP44 hebben.

Elektrische leidingen

Het is verboden de aarde of een metalen structuur als stroomgeleider te gebruiken.

Om de transformatoren, convertoren of invertoren te verbinden aan de eindelektroden van de lampen of aan de lamphouders, alsook om de verbinding te maken tussen de tussenliggende elektroden onderling of tussen de tussenliggende lamphouders, wordt er gebruik gemaakt van een geleidertype voorzien voor een nominale spanning die ten minste gelijk is aan de nullastspanning van de transformator, convertor of invertor.

  • Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking

  • De bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking zal verwezenlijkt worden door een equipotentiale verbinding tussen de metalen delen van de vast opgestelde ontladingslampen, met uitzondering van de steuntjes en houders voor de bevestiging van kabels en neonbuizen. Deze equipotentiale verbinding zal geaard worden via een beschermingsgeleider.

  • Het openen van de omhulsels van de transformatoren en van de hulpapparatuur op hoogspanning van de ontladingslampen mag slechts geschieden met behulp van een werktuig.

  • De hoogspanningsstroombanen gevoed door transformatoren, convertoren of invertoren moeten beschermd worden door een beveiligingssysteem tegen aardlekken. Dit systeem schakelt de uitgangsspanning uit door de voeding van de transformatoren, convertoren of invertoren te onderbreken. Hiertoe moet een aangepast detectiesysteem, geplaatst in de secundaire stroombaan en de voeding van de transformator, convertor of invertor onderbrekend, worden verwezenlijkt. Ingeval van een aardlekfout, mag de differentiële aanspreekstroom van het detectiesysteem 25 mA niet overschrijden, mag de uitschakeltijd 200 ms niet overschrijden en mag de spanning aan de klemmen van de detector 50 V niet overschrijden.

Indien de installatie een knipperautomaat bevat moet de voeding van het beveiligingssysteem en van het herstelsysteem (resetsysteem) stroomopwaarts van de knipperautomaat worden aangesloten.

Het beveiligingssysteem tegen aardlekken is zodanig geconstrueerd dat het niet mogelijk is om het ondoeltreffend te maken. Indien dit niet het geval is, moet een inrichting voorzien zijn om, aan de persoon bedoeld in afdeling 6.4.1 en ermee belast de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname uit te voeren, toe te laten een zegel aan te brengen die de onschendbaarheid van het beveiligingssysteem verzekert.

  • Voor de verbindingen die gelegen zijn binnen het genaakbaarheidsgabarit, moeten de hoogspanningsverbindingen voorzien zijn van een bijkomende beveiliging die een beschermingsgraad biedt van minimum IPXX-B. Deze beveiligingsgraad moet behouden blijven, zelfs indien een genaakbaar gedeelte van de buis gebroken is; indien dit niet het geval is, moeten de hoogspanningsstroombanen uitgerust zijn met een beveiligingssysteem dat in werking treedt bij het openen van secundaire stroombanen.

Voor de verbindingen die gelegen zijn buiten het genaakbaarheidsgabarit, moeten de hoogspanningsverbindingen voorzien zijn van een bijkomende beveiliging die een beschermingsgraad biedt van minimum IPXX-B, ofwel beschermd zijn door een beveiligingssysteem dat in werking treedt bij het openen van secundaire stroombanen.

  • Vereisten inzake het beveiligingssysteem dat in werking treedt bij het openen van secundaire hoogspanningsstroombanen:

In geval er zich een open stroombaan voordoet in de hoogspanningsstroombaan, onderbreekt het beveiligingssysteem bij het openen van secundaire stroombanen de voeding van de primaire stroombanen of schakelt het de uitgangsspanning uit; de detectie geschiedt door middel van een aangepaste detector aangesloten aan de uitgangsstroombaan of door om het even welk middel dat een gelijkwaardige veiligheidsgraad biedt.

  • Indien de installatie onder spanning wordt geplaatst bij een openingsfout van de secundaire stroombaan (breuk van een buis, loskomen van een kabel), moet het beveiligingssysteem in werking treden binnen een tijdspanne van 3 tot 5 seconden.

  • Indien het openen zich voordoet tijdens de werking van de installatie, moet het beveiligingssysteem in werking treden binnen een tijdspanne van 200 ms.

  • De beveiligingssystemen die in werking treden bij het openen van secundaire stroombanen en tegen de aardlekken moeten worden uitgevoerd door mechanisch contact, het gebruik van halfgeleiders is niet toegelaten.

    1. g.3

      Draagbare en verplaatsbare toestellen

      De draagbare en verplaatsbare toestellen moeten alleen voldoen aan de volgende bepalingen van het punt g.2. :

  • «Transformatoren, convertoren of invertoren»;

  • «Elektrische leidingen»;

  • «Bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse en onrechtstreekse aanraking».

De secundaire nullastspanning mag 8 kV niet overschrijden.

  1. h.

    Buitenverlichtingstoestellen

    De buitenverlichtingstoestellen, geplaatst in de invloedsvoorwaarden AD2 tot en met AD4, mogen niet van de klasse 0 of van de klasse 0I zijn.

  2. i.

    Tijdelijke verlichtingstoestellen

    Bij afwijking van de bepalingen van het eerste lid van afdeling 5.1.4., is het toegestaan om voor tijdelijke verlichtingsinstallaties verlichtingstoestellen te gebruiken bestaande uit lampen met lamphouder waarvan de beschermingsgraad tegen het binnendringen van water IPX0 bedraagt.

    Wanneer ze binnen het genaakbaarheidsgabarit zijn aangebracht, zijn deze verlichtingstoestellen:

    • gevoed op ZLVS, of

    • beschermd door een differentieelstroombeschermings-inrichting met hoge of zeer hoge gevoeligheid.

    Bij afwijking van de bepalingen van het eerste lid van 5.2.1.4.a. en 5.2.9.14 . is het toegestaan prikkabels op laagspanning met versterkte isolatie, zoals de elektrische mantelleiding van het type A05VVH2-F, aan te wenden op voorwaarde dat alle prikgaten afgedicht zijn volgens de regels van goed vakmanschap.

5.3.4.3Verwarmingstoestellen

De vast opgestelde verwarmingstoestellen moeten zodanig geplaatst worden dat de voortgebrachte warmteflux afgevoerd kan worden zoals voorzien door de constructie.

Verwarmingstoestellen die niet-ingesloten gloei-elementen bevatten mogen niet geplaatst worden in de lokalen (of plaatsen) waar ontploffingsgevaar bestaat (BE3). Dezelfde toestellen zijn elders slechts toegestaan indien alle nodige maatregelen getroffen worden om te vermijden dat ontvlambare voorwerpen in contact komen met de gloei-elementen.

Verwarmingstoestellen die door hun bestemming bedoeld zijn om in contact te komen met brandbare stoffen of ontvlambare vloeistoffen (BE2) zoals de ovens en drogers, moeten, hetzij voorzien zijn van een temperatuurbegrenzer die de verwarming onderbreekt of vermindert alvorens een gevaarlijke temperatuur bereikt wordt, hetzij zodanig gebouwd zijn dat ze geen gevaar kunnen opleveren voor personen of schade kunnen berokkenen aan omliggende voorwerpen in geval van een overdreven opwarming der brandbare stoffen of ontvlambare vloeistoffen die ze inhouden.

In de centrale verwarmingsinstallaties met warme lucht, mogen de verwarmingslichamen slechts onder spanning komen te staan nadat de overeenkomende ventilatoren zijn ingeschakeld en worden zij buiten spanning gezet wanneer de ventilatoren stilvallen, behalve wanneer de verwarmingselementen constructief voorzien zijn om geen gevaarlijke temperaturen te bereiken bij afwezigheid van ventilatie. Bovendien moet de controle door twee onafhankelijk van elkaar werkende temperatuurbegrenzers gebeuren of door een debietcontrole en een temperatuurbegrenzer die eveneens onafhankelijk van elkaar werken. Deze moeten elke ongeoorloofde temperatuurverhoging in de luchtkokers beletten.

De verwarmingstoestellen voor huishoudelijk gebruik moeten voldoen aan de voorschriften van de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen. Indien ze ingesloten smeltzekeringen bezitten, moeten deze aan de desbetreffende voorschriften beantwoorden. De steunen, op dewelke de onder spanning staande stukken van de toestellen geplaatst zijn moeten bestaan uit een onbrandbaar, niet-hygroscopisch, isolerend materiaal.

5.3.4.4Kookfornuizen en ovens

De kookfornuizen en de ovens die niet-ingesloten gloei-elementen bevatten mogen niet geplaatst worden in lokalen of plaatsen waar ontploffingsgevaar (BE3) bestaat.

5.3.4.5Elektrisch speelgoed

Het elektrische speelgoed moet gevoed worden op zeer lage veiligheidsspanning (ZLVS) waarvan de waarde bepaald wordt in het KB van 19 januari 2011 betreffende de veiligheid van speelgoed, meer bepaald Bijlage II, bijzondere veiligheidseisen, IV Elektrische eigenschappen .

De veiligheidstransformator die zorgt voor de voeding moet zodanig opgevat zijn dat hij niet beschadigd wordt door herhaalde kortsluitingen van de klemmen via welke de stroombanen van het speelgoed gevoed worden.

5.3.4.6Haspels

  1. a.

    Haspels voor sommige soorten verlengsnoeren

    De haspeltrommel van verlengsnoeren met een nominale stroomsterkte kleiner of gelijk aan 16 A moet een diameter hebben van ten minste 12,5 maal de diameter van de kabel.

  2. b.

    Andere soorten haspels

    De haspeltrommels waarop de andere elektrische kabels dan deze bedoeld onder punt a. gewonden worden, moeten een diameter hebben van ten minste 30 maal de diameter van de kabel; de breedte in de groef van de leischijf is in verhouding tot de diameter van de kabel om zodoende klemming ervan te voorkomen.

5.3.4.7Verlengsnoeren

De verlengsnoeren met een koppelcontactstop of tafelcontactdoos met of zonder haspel moeten vervaardigd en aangewend worden overeenkomstig de voorschriften van de desbetreffende ministeriële besluiten, genomen in toepassing (volgens de datum van het op de markt brengen) hetzij van het koninklijk besluit van 23 maart 1977 hetzij van het koninklijk besluit van 21 april 2016 betreffende het op de markt brengen van elektrisch materieel.

5.3.4.8Draagbaar gereedschap met motor

Het draagbaar gereedschap met motor moet overeenkomen met de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of met bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen; de gebruiksvoorwaarden van draagbaar handgereedschap met elektrische motor, worden in bepaalde gevallen van uitwendige invloedsvoorwaarden, begrensd.

5.3.5Installatiematerieel

5.3.5.1Schakel- en verdeelborden

  1. a.

    Algemeenheden

    De verbindingsinstallaties en de beveiligingstoestellen (veiligheden, vermogensschakelaars...) moeten op steunpanelen gegroepeerd en gemonteerd zijn in één of meer schakel- en verdeelborden.

    In elektrische installaties van voor het publiek toegankelijke ruimten zijn de schakel- en verdeelborden conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen, of beantwoorden ze aan de bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als het niveau bepaald in deze normen.

    In huishoudelijke installaties zijn de schakel- en verdeelborden van de klasse I of II die voorzien zijn van een achterwand en deur, conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde norm of door het NBN geregistreerde norm of beantwoordend aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als die bepaald in deze norm. De achterwand mag niet kunnen worden weggenomen tijdens de gebruiksduur van dit materieel (vanaf het ogenblik dat het schakel- en verdeelbord is geplaatst en aangesloten).

    De schakel en -verdeelborden moeten uit onbrandbaar, niet-hygroscopisch materiaal gemaakt zijn dat een voldoende mechanische weerstand biedt.

    Schakel- en verdeelborden, die aan de rugzijde niet afgesloten zijn, mogen niet rechtstreeks op hygroscopisch of licht-brandbaar materiaal bevestigd worden.

  2. b.

    Onderbreking

    De hoofdschakel- en verdeelborden zijn voorzien van een algemene lastscheidingsschakelaar. Deze maakt de gelijktijdige onderbreking mogelijk van alle lijngeleiders en eventueel van de nulgeleider. Zijn toegekende stroomsterkte is aan de installatie aangepast, zonder nochtans minder dan 25 A te bedragen.

    In huishoudelijke installaties is de toegekende stroomsterkte van de algemene lastscheidingsschakelaar aan de installatie aangepast, zonder nochtans minder dan 40 A te bedragen.

    Nochtans mag de functie van de algemene lastscheidingsschakelaar verzekerd worden door de beschermingsinrichting tegen overstroom van de distributienetbeheerder indien deze ontworpen is om de scheiding te verzekeren.

  3. c.

    Inplanting

    De schakel- en verdeelborden moeten zo geïnstalleerd zijn dat een gemakkelijke bediening, toezicht en onderhoud evenals de bereikbaarheid van het elektrisch materiaal in deze borden verzekerd is. In huishoudelijke installaties, zijn de schakel- en verdeelborden gemakkelijk bereikbaar zonder speciale middelen.

    De beschermings- en bedieningstoestellen betreffende stroombanen waarvan de energie tegen verschillende tarieven geleverd wordt, moeten op afzonderlijke panelen gegroepeerd worden, die ten minste 10 cm van elkaar verwijderd zijn of in aparte schakel- en verdeelborden, behoudens toelating van de distributienetbeheerder of inachtneming van de bijzondere voorschriften van de distributienetbeheerder.

5.3.5.2Contactdozen en verlichting

  1. a.

    Laagspanningscontactdozen van elektrische installaties op wisselspanning

    De contactdozen hebben een beschermingsgraad van ten minste IPXX-B.

    De contactdozen waarvan de toegekende stroomsterkte maximaal 16A en de toegekende spanning maximaal 250V bedraagt, hebben een beschermingsgraad van ten minste IPXX-D.

    De contactdozen w aarvan de toegekende stroomsterkte maximaal 32A en de toegekende spanning maximaal 400V bedraagt, voldoen aan de norm NBN C 61-112-1:2017 betreffende contactdozen voor huishoudelijk en gelijkaardig gebruik.

    In afwijking van de tweede en derde alinea mogen andere contactdozen worden gebruikt in de volgende gevallen:

    • de contactdozen die uitsluitend bestemd zijn voor de voeding van een of meerdere verbruikstoestellen voor een specifiek doel;

    • de contactdozen geplaatst in of op schakel- en verdeelborden;

    • het vaste aansluitpunt voor de voeding:

      • van campings bedoeld in hoofdstuk 7.8. ;

      • van jachthavens bedoeld in hoofdstuk 7.9. ;

      • van voertuigen of aanhangwagens voor wegvervoer tijdens het stationeren bedoeld in hoofdstuk 7.101. ;

    • de tijdelijke, mobiele of verplaatsbare installaties bedoeld in onderafdeling 2.2.1.1. ;

    • de ruimten van de elektrische dienst;

    • de contactdozen voorzien van een mechanische of elektrische vergrendeling waarbij de actieve delen van de contactdoos na het verwijderen van de contactstop spanningsloos worden.

    De contactdozen die in wanden (vloer, plafond, muur) zijn verzonken, zijn aangebracht hetzij in metalen dozen, hetzij in dozen uit isolerend materiaal.

  2. b.

    Specifieke regels voor huishoudelijke installaties

    De contactdozen, met uitzondering van deze op ZLVS, worden voorzien van een aardingscontact dat verbonden is met de beschermingsgeleider van de elektrische leiding behalve wanneer de contactdoos gevoed wordt via een individuele beschermingstransformator overeenkomstig de voorschriften van onderafdeling 4.2.3.3., c. Zij zijn van een type zoals vermeld in punt a.

    Per eindstroombaan blijft het aantal enkelvoudige of meervoudige contactdozen beperkt tot acht.

    Minstens twee afzonderlijke stroombanen voorzien de voeding van de verlichtingstoestellen voor de wooneenheden die meer dan twee lokalen en/of plaatsen bevatten.

    De contactdozen, de verlichtingstoestellen en andere vaste toestellen, met uitzondering van de vaste toestellen van de toegekende stroombanen die in onderafdeling 5.2.1.2. worden bedoeld, kunnen door eenzelfde eindstroombaan worden gevoed. De voorschriften van toepassing op deze stroombaan zijn deze betreffende de voedingsstroombanen van contactdozen waarbij één vast toestel of een geheel van vaste toestellen bediend door een gemeenschappelijk bedieningstoestel gelijkgesteld wordt met een contactdoos.

  3. c.

    Overgangsbepalingen

    In afwijking van punt a kunnen onderafdeling 6.5.8.1. , 2. en onderafdeling 6.5.8.2. , 3. toegepast worden op de projecten of de werkzaamheden waarvan de uitvoering ter plaatse werd aangevangen vóór 01/03/2025 , op voorwaarde dat de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname plaatsvindt vanaf 01/03/2025 . Het erkend organisme dat belast is met de gelijkvormigheidscontrole vóór de ingebruikname wordt door de aanvrager van de controle op de hoogte gesteld van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.1. , 2. of van onderafdeling 6.5.8.2. , 3 . Het erkend organisme maakt melding van de toepassing van onderafdeling 6.5.8.1. , 2. of van onderafdeling 6.5.8.2., 3. in het controleverslag.

5.3.5.3Differentieelstroombeschermingsinrichtingen in wisselstroom

  1. a.

    Keuze van de toestellen

    De differentieelstroombeschermingsinrichtingen moeten gekozen en geplaatst worden overeenkomstig de schikkingen van dit Boek. Zij moeten weerstaan aan een kortsluitstroom die overeenstemt met het kortsluitvermogen op de plaats waar ze geïnstalleerd zijn.

    De differentieelstroombeschermingsinrichtingen die worden geplaatst in huishoudelijke installaties zijn ten minste van het type A; deze geplaatst aan het begin van de elektrische installatie hebben een nominale stroomsterkte van ten minste 40 A.

  2. b.

    Ingebruikname

    De differentieelstroombeschermingsinrichtingen moeten opgesteld worden op een plaats waar hun veilige en doeltreffende werking niet verstoord kan worden door mechanische trillingen, uitwendige magnetische velden of andere invloeden.

    Zij moeten geplaatst worden in droge ruimten of doeltreffend beschermd worden tegen vochtigheid.

    Indien de differentieelstroombeschermingsinrichting in een schakel- en verdeelbord wordt ingebouwd, moeten maatregelen genomen worden opdat de testknop gemakkelijk bereikbaar zou zijn zonder speciale middelen en zonder gevaar voor toevallige aanraking van onder spanning staande delen.

  3. c.

    Onderbreking van de geleiders

    De differentieelstroombeschermingsinrichting moet de onderbreking verzekeren van alle actieve geleiders van de stroombaan.

    De magnetische kring van de transformator in het beschermingstoestel moet alle actieve geleiders van de stroombaan omsluiten, de N-geleider inbegrepen. De overeenkomstige beschermingsgeleider moet daarentegen buiten de magnetische kring aangebracht worden.

    Om de bescherming te verzekeren van een toestel op een stroombaan met vier geleiders is het dus verboden twee tweepolige beschermingstoestellen te plaatsen of een driepolig beschermingstoestel te voorzien indien de N-geleider geaard is.

    Daarentegen is het niet verboden een beschermingstoestel te gebruiken waarvan een of twee polen niet aangesloten zijn: een drie- of vierpolig toestel mag een stroombaan met twee of drie geleiders beschermen.

    Eenzelfde vierpolige differentieelstroombeschermingsinrichting, eenfasig gevoed, mag meerdere afzonderlijke stroombanen beschermen op voorwaarde dat elke stroombaan meerpolig kan onderbroken worden stroomafwaarts van het beschermingstoestel en onafhankelijk ervan.

  4. d.

    Normale lekstromen

    De differentieelstroombeschermingsinrichtingen moeten dermate worden gekozen en de belasting moet dermate over de stroombanen worden verdeeld dat de tijdens normaal bedrijf te verwachten aardlekstromen geen onnodig uitschakelen van de inrichtingen veroorzaken.

  5. e.

    Ontstoringscondensatoren

    Bepaalde opstellingen van ontstoringscondensatoren kunnen de differentieelstroombeschermingsinrichtingen ongevoelig maken. Dit is onder andere het geval wanneer ze geschakeld zijn tussen lijngeleider en aarde.

    De toestellen worden zodanig opgevat dat hun ontstoringsinrichting niet aangesloten blijft op de actieve geleiders van het net als de toestellen niet in bedrijf zijn.

  6. f.

    Verstorende gelijkstroomcomponenten

    Wanneer elektrisch materieel oorzaak kan zijn van een assymmetrische stroom door gelijkstroomcomponenten en het stroomafwaarts geplaatst is van een differentieelstroombeschermingsinrichting worden maatregelen getroffen opdat in geval van een aardfout, de gelijkstroomcomponenten in deze fout de werking van de beschermingstoestellen niet in die mate kunnen beïnvloeden dat de veiligheid in het gedrang komt. Dit is het geval voor bepaald elektrisch materieel dat halfgeleiderschakelingen bevat (dioden, thyristoren...).

    Om dergelijke storingen te vermijden wordt een van volgende maatregelen getroffen:

    • keuze van elektrisch materieel dat geen gelijkstroom voortbrengt die in staat is de werking van het beschermingstoestel te verstoren; dit is het geval voor toestellen met bediening door reeksalternaties of door symmetrische fasecontrole;

    • het elektrisch materieel dat gelijkstroom voortbrengt of gebruikt, wordt uitgevoerd volgens de regels toepasselijk op de klasse II;

    • het elektrisch materieel dat gelijkstroom voortbrengt wordt gevoed via een scheidingstransformator;

    • de differentieelstroombeschermingsinrichting is zo gebouwd dat haar werking gewaarborgd blijft bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent;

    • de differentieelstroombeschermingsinrichting wordt geïnstalleerd samen en in coördinatie met een detectieapparaat voor residuele gelijkstroom die het elektrisch materieel uitschakelen bij het ontstaan van een isolatiefout met een verstorende gelijkstroomcomponent.

  7. g.

    Massa’s en beschermingsgeleider

    Alle massa’s van het gedeelte van een installatie dat beschermd wordt door een differentieelstroombeschermingsinrichting, ongeacht haar gevoeligheid, moeten geaard worden.

    De door eenzelfde inrichting beschermde massa’s moeten verbonden worden met dezelfde aardverbinding. De N-geleider is stroomafwaarts van de differentieelstroombeschermingsinrichting niet meer geaard.

  8. h.

    Toestel met positieve veiligheid

    Een differentieelstroombeschermingsinrichting met hulpvoeding is een toestel met positieve veiligheid wanneer een onderbreking van zijn hulpvoeding automatisch het openen van de beschermingsinrichting veroorzaakt.

    De differentieelstroombeschermingsinrichtingen zonder positieve veiligheid zijn verboden in huishoudelijke elektrische installaties.

  9. i.

    Gebruik van grote of zeer grote gevoeligheid

    Het gebruik van een differentieelstroombeschermingsinrichting met grote of zeer grote gevoeligheid wordt aangeraden in de volgende gevallen:

    • om een bijkomende bescherming te verzekeren tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking;

    • om het gevaar, dat ontstaat door de breuk van de beschermingsgeleider die de massa’s van het elektrisch materieel met aarde verbindt, te beperken; dit eventueel gevaar betreft namelijk het materieel gevoed door verplaatsbare elektrische leidingen waar de sleet of de vermoeidheid van de soepele elektrische leidingen een breuk kan veroorzaken in de beschermingsgeleider zonder dat deze breuk kan opgemerkt worden;

    • wanneer de gebruiksvoorwaarden van het elektrisch materieel streng zijn.

    Wegens de kleine waarde van de differentiële aanspreekstroom van de beschermingsinrichtingen moeten gepaste voorzorgsmaatregelen getroffen worden om ontijdige uitschakelingen te voorkomen die te wijten zijn aan lekstromen en niet aan foutstroom.

  10. j.

    Verbodsbepalingen

    Het is verboden de veiligheid, die een differentieelstroombeschermingsinrichting biedt, in het gedrang te brengen door deze inrichting te overbruggen door de in- en uitgangsklemmen met elkaar te verbinden.

  11. k.

    Test van de beschermingsinrichting

    Wanneer de beschermingsinrichting periodiek, bijvoorbeeld maandelijks, moet getest worden volgens de onderrichtingen van de constructeur dan moet men zich ervan vergewissen dat de voeding werkelijk onderbroken werd.

5.3.5.4Schakelaars en andere bedieningstoestellen

  1. a.

    Algemeenheden

    De schakelaars en andere bedieningstoestellen moeten conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm zijn of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

    Zij moeten worden voorzien voor de gebruikscategorie die in de norm, die overeenstemt met hun bestemming, voorgeschreven is.

    Zij moeten:

    • hetzij voorzien zijn van een geprefabriceerd omhulsel;

    • hetzij ondergebracht worden in een schakel- en verdeelbord dat een beschermingsgraad heeft die overeenstemt met de gebruiksvoorwaarden.

    Wanneer zij een scheidingsfunctie verzekeren, moeten zij beantwoorden aan de bijzondere voorschriften van de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of overeenkomen met bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

  2. b.

    Onderbreking

    De schakelaars met scheidingsfunctie verzekeren de gelijktijdige onderbreking van alle lijngeleiders.

    Als een tweepolige onderbrekingsinrichting met scheidingsfunctie stroomopwaarts voorzien is in de elementaire stroombaan, is het gebruik van enkelpolige besturingsinrichtingen stroomafwaarts van deze onderbrekingsinrichting toegelaten.

  3. c.

    Inbouw

    De in de wanden verzonken schakelaars worden aangebracht hetzij in metalen dozen met of zonder inwendige isolatie, volgens het aangewend type van elektrische leiding hetzij in dozen uit isolerende en zelfdovende materiaal, die aan de voorschriften van punt a. van onderafdeling 4.3.3.5. beantwoorden.

5.3.5.5Smeltzekeringen en vermogensschakelaars in wisselstroom

  1. a.

    Niet-verwisselbaarheid

    In huishoudelijke installaties worden enkel smeltzekeringen of kleine vermogensschakelaars met pennen en kleine vermogensschakelaars toegelaten voor de bescherming van de stroombanen. Bovendien, en voor zover de te beschermen elektrische leiding een doorsnede heeft die kleiner is dan 10 mm², worden de smeltzekeringen en de kleine vermogensschakelaars met pennen in deze elektrische installaties zodanig opgevat dat het element niet kan vervangen worden door een element met een nominale stroomsterkte die groter is dan die voorzien is om de elektrische leiding te beschermen.

    Indien de kalibreerelementen van deze beschermingen geen geheel vormen met de aansluitstrip zijn zij conform de desbetreffende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of beantwoorden zij aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als die bepaald in deze norm.

  2. b.

    Werkingsvoorwaarden van de kleine vermogensschakelaars

    Kleine vermogensschakelaars die bediend worden door BA1-, BA2- of BA3-personen moeten van een model zijn dat niet toelaat de werkingsvoorwaarden te veranderen, zonder dat dit zichtbare sporen nalaat zoals verbreken van een zegel.

  3. c.

    Steunen van smeltzekeringen

    De steunen voor smeltzekeringen van het type D moeten zo aangesloten worden dat het centraal contact zich langs de voedingszijde van de installatie bevindt.

    De steunen voor smeltzekeringen met pennen moeten zo geplaatst of gebouwd zijn dat de mogelijkheid uitgesloten is om contacten te verwezenlijken tussen geleidende stukken behorende aan twee naastliggende houders door middel van smeltzekeringen of kleine vermogensschakelaars met pennen.

  4. d.

    Werking van de smeltzekeringen

    De smeltzekeringen moeten conform de desbetreffende normen zijn die door de Koning bekrachtigd werden of overeenkomen met bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

  5. e.

    Onderbrekingsvermogen

    De smeltzekeringen en vermogensschakelaars moeten een onderbrekingsvermogen hebben dat overeenstemt met het te verwachten kortsluitvermogen dat op de plaats van hun installatie is vereist. Het minimaal kortsluitvermogen wordt vastgelegd bij besluit van de Ministers die respectievelijk Energie en het welzijn van de werknemers bij de uitvoering van hun werk onder hun bevoegdheid hebben en dit ieder voor wat hem betreft.

    In huishoudelijke installaties mag de te verwachten eenfasige kortsluitstroom aan de uitgangsklemmen van de eerste reeks beschermingsinrichtingen tegen overstroom, geplaatst na de algemene differentieelstroombeschermingsinrichting(en), niet groter zijn dan 3000 A.

    Stroomopwaarts van voormelde uitgangsklemmen:

    • hebben de beschermingsinrichtingen tegen overstroom van de distributienetbeheerder een minimum onderbrekingsvermogen van 6000 A;

    • hebben de beschermingsinrichtingen tegen overstroom een minimum onderbrekingsvermogen van 3000 A (aanduiding 3000 omgeven door een rechthoek voor de kleine vermogensschakelaars) en zijn de eerste vermogensschakelaars stroomafwaarts van de beschermingsinrichting tegen overstroom van de distributienetbeheerder, met uitzondering van de penautomaten, voorzien van een conforme markering voor energiebeperkingsklasse 3;

    • hebben de smeltzekeringen en de penautomaten een minimum onderbrekingsvermogen van 3000 A;

    • weerstaan de differentieelstroombeschermingsinrichtingen en schakelinrichtingen aan een I ² t -waarde van minimum 22,5 kA2 s bij een stroom van 3000 A; een specifieke markering van de differentieelstroombeschermingsinrichtingen zonder overstroombeveiliging, met nominale stroomsterkte  40 A, verzekert de identificatie van de naleving van deze karakteristieken, namelijk minimum de volgende aanduiding: «3000 A, 22,5 kA2 s», deze karakteristieken zijnde samen aangebracht op eenzelfde vlak, zichtbaar na in- stallatie, zo nodig, na verwijdering van de beschermingsplaten geplaatst in het kader van de bescherming tegen elektrische schokken bij rechtstreekse aanraking; deze informatie mag behoren tot andere markeringen en aanduidingen voorzien door de erop betrekking hebbende door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

    De elektrische verbindingen tussen de differentieelstroombeschermingsinrichting enerzijds en de beschermingsinrichting of -inrichtingen tegen overstroom onmiddellijk erna geplaatst anderzijds, moeten verwezenlijkt worden door middel van stugge geleiders.

    Deze verbinding verwezenlijkt met soepele geleiders wordt eveneens toegelaten voor zover de draadjes aan beide uiteinden worden samengehouden door hetzij samenknijpende hulzen door middel van een gepast werktuig aangebracht, hetzij elk ander systeem dat minstens een gelijkwaardig resultaat verzekert.

  6. f.

    Open smeltkamer

    De typen van smeltzekeringen waarvan de smeltdraad niet in een volkomen dichte smeltkamer opgesloten is, zijn verboden.

  7. g.

    In toestellen ingebouwde smeltzekeringen en vermogensschakelaars

    De miniatuursmeltzekeringen en vermogensschakelaars zijn toegelaten voor de afzonderlijke bescherming van toestellen, op voorwaarde dat zij in deze toestellen ingebouwd zijn.

  8. h.

    Keuze van bescherminrichtingen tegen kortsluitingen Bij smeltzekeringen

    De minimale kortsluitstroom is in het algemeen deze die overeenkomt met een zuivere kortsluiting die zich voordoet op het verst gelegen punt van de beschermde elektrische leiding. De kortsluitstroom I cc mag niet kleiner zijn dan I F.

    Figuur 5.29Keuze van de beschermingsinrichting tegen kortsluitingen bij smeltzekeringen
I cc ≥ I F
  • C: tijd-stroomsterkte diagram dat overeenstemt met de toegelaten thermische belasting in de beschermde elektrische leiding

  • F: smeltkarakteristiek van de smeltzekering (bovenste limiet van de werkingszone)

  • Bij vermogensschakelaars

Voor vermogensschakelaars moet aan twee voorwaarden voldaan worden:

  • de minimale kortsluitstroom is ten minste gelijk aan I a;

  • de veronderstelde kortsluitstroom in het punt van de installatie waar de vermogensschakelaar zich bevindt, is kleiner dan I b.

Figuur 5.30Keuze van de beschermingsinrichting tegen kortsluitingen bij vermogensschakelaars (minimale kortsluitstroom)

I cc ≥ I a

C: tijd-stroomsterkte diagram overeenstemmend met de toegelaten thermische belasting in de beschermde geleiders D1: werkingskarakteristiek van de vermogensschakelaar

Figuur 5.31Keuze van de beschermingsinrichting tegen kortsluitingen bij vermogensschakelaar (veronderstelde kortsluitstroom)

I cc ≤ I b

C’: toegelaten I²t-diagram van de geleiders

  • D2: I²t-karakteristiek van de vermogensschakelaar

Wanneer de werkingskarakteristiek (F of D1) van de beschermingsinrichting zich onder de kromme C der geleiders bevindt voor een tijd kleiner dan 5 seconden, moet de stroom I a gelijk genomen worden aan de aanspreekstroom van de beschermingsrichting gedurende 5 seconden.

Voor de kortsluitstromen waarvan de duur meerdere periodes overschrijdt, mag de karakteristiek I ² t van de beschermingsinrichting berekend worden door vermenigvuldiging van het kwadraat van de effectieve waarde van de werkingskarakteristiek I van de beschermingsinrichting met de werkingstijd t . Voor de kortsluitstromen van kortere duur wordt gebruik gemaakt van de door de constructeur geleverde I ² t -karakteristieken.

In de installaties volgens het IT-netsysteem, moeten de beschermingsinrichtingen het gepaste eenpolig onderbrekingsvermogen hebben voor de spanning tussen de fasen.

De minimale kortsluitstroom zal bepaald worden volgens een berekeningswijze bepaald door de regels van goed vakmanschap ofwel door toepassing van volgende formule:

Daarin is:

  • U : de spanning, in V, onder nominale dienstvoorwaarden op de plaats van de beschermingsinrichting:  de spanning tussen lijn- en N-geleider indien de stroombaan een verdeelde nulgeleider bevat;

  • de spanning tussen lijngeleiders, indien de stroombaan geen verdeelde nulgeleider bevat.

  • L : de ontwikkelde lengte, in meter, van de geleiders van de elektrische leiding. : de soortelijke weerstand van het metaal van de geleider. De weerstand van de geleiders van de stroombaan moet in rekening gebracht worden voor de gemiddelde temperatuur gedurende de kortsluitingstijd, hetzij 1,5 maal de weerstand bij 20 °C. Men kan rekening houden met de reactantie-invloeden van geleiders met grote doorsneden door de weerstand te vermeerderen met 15 % bij een doorsnede van 150 mm², met 20 % bij een doorsnede van 185 mm², en 25 % bij een doorsnede van 240 mm².

  • S : de doorsnede, in mm², van de geleiders.

    1. i.

      Bescherming van parallelle geleiders

      Wanneer eenzelfde beschermingsinrichting meerdere parallel geschakelde geleiders beschermt tegen de kortsluitingen, moeten haar werkingskarakteristieken bepaald worden rekening houdend met:

  • de minimale kortsluitstroom die zich kan voordoen;

  • de maximale thermische belasting waaraan de geleiders mogen blootgesteld worden.

    1. j.

      Beschermingsinrichting tegen overstroom van de distributienetbeheerder bij aansluitingen

      Bij huishoudelijke en niet-huishoudelijke installaties die verbonden zijn met het openbaar distributienet verzekert de beschermingsinrichting tegen overstroom van de distributienetbeheerder de bescherming tegen zowel overbelasting als kortsluiting van de eerste elektrische leiding die zich stroomafwaarts bevindt van de kast (met of zonder meter) van de distributienetbeheerder tot aan het eerste verbindingspunt en dit voor zover de aard, samenstelling en doorsnede van deze elektrische leiding onveranderd blijven overheen het traject.

5.3.6Schakelmaterieelcombinaties

5.3.6.1Toepassingsgebied

De voorschriften van onderafdeling 5.3.6.2. zijn niet van toepassing op huishoudelijke installaties.

5.3.6.2Algemene voorschriften

De laagspanningsschakel- en verdeelinrichtingen en de schakelinrichtingssystemen zijn conform de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

5.3.6.3Bedienings- en verdeelinrichtingen

  1. a.

    Algemeen

    Wanneer de elektrische leidingen van de gebruiksinstallatie bestaan uit niet-geïsoleerde buizen, worden deze zo aangebracht dat elk contact tussen de buizen onderling of met andere geleidende delen vermeden wordt.

    De uiteinden van niet-geïsoleerde buizen moeten zich ten minste 30 mm bevinden van elk actief deel, zoals bijvoorbeeld een aansluitklem.

    Bovendien moet het aansluitingsmaterieel zo gemonteerd worden dat geen enkel actief deel zich op minder dan 30 mm van de wand of uitwendige metalen steun bevindt, tenzij er een isolerend scherm tussen geplaatst is.

  2. b.

    Aansluiting van huishoudelijke installaties

    Bij de plaatsing, moet men er zich van verzekeren dat een doeltreffende scheiding bestaat tussen, enerzijds de niet-geïsoleerde buizen van de aansluiting op het distributienet, en anderzijds, de niet-geïsoleerde buizen van de installatie en de geleidende delen van de constructie (zoals betonwapeningen, ijzerbeslag, metalen lijsten...). Deze scheiding kan bekomen worden door één van volgende schikkingen:

    • tussen deze elementen een afstand van ten minste 6 mm in de lucht onderhouden;

    • plaatsing van moffen, kousen of schermen in isolerend materiaal.

5.3.7Meetstroombanen

5.3.7.1Algemeenheden

Het materiaal voor meetstroombanen moet conform de desbetreffende normen zijn, bekrachtigd door de Koning of geregistreerd door het NBN, of beantwoorden aan bepalingen die een ten minste gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

Behalve voor bijzondere toepassingen moeten de meettransformatoren van het eenfasige type zijn met als functie het voeden van:

  • meettoestellen (tellers);

  • beschermingstoestellen (relais, ontgrendelingstoestellen).

De meettransformatoren moeten een nominaal vermogen hebben en van een klasse zijn die toereikend is voor de erop aangesloten toestellen.

5.3.7.2Stroommeetstroombanen

Het is verboden de secundaire stroombanen van stroommeettransformatoren te beveiligen tegen overbelasting en kortsluiting.

De stroommeettransformatoren moeten kunnen weerstaan aan de thermische korteduurstroom die op de plaats van opstelling kan optreden.

De stroommeettransformatoren bestemd voor meetdoeleinden moeten met een zo klein mogelijke verzadigingsfactor en een nominaal vermogen worden gekozen zodat de kortsluitstroom in de primaire stroombaan de meettoestellen in de secundaire stroombaan niet kan beschadigen.

De stroommeettransformatoren bestemd voor beschermingsdoeleinden moeten met een zo groot mogelijke verzadigingsfactor en een nominaal vermogen worden gekozen zodat bij kortsluitstromen in de primaire stroombaan de betrouwbare werking van de beschermingstoestellen in de secundaire stroombaan niet in het gedrang komt.

Wanneer een stroommeettransformator voor zowel meet- als beschermingsdoeleinden wordt aangewend, moeten de meettoestellen, wanneer noodzakelijk, door geschikte tussengeschakelde transformatoren tegen beschadiging door de uitwerking van kortsluitstromen worden beschermd.

5.4Aardingen, beschermingsgeleiders en equipotentiale verbindingen

5.4.1Algemeenheden

Dit hoofdstuk behandelt de bepalingen voor aardingen, beschermingsgeleiders en equipotentiale verbindingen teneinde te voldoen aan de veiligheidsvoorschriften van de elektrische installatie.

5.4.2Aardingsinstallaties

5.4.2.1Aardverbinding

  1. a.

    Algemeenheden

    De aardverbinding moet verwezenlijkt worden hetzij volgens de schikkingen van punt b. of punt c. voor huishoudelijke installaties. Voor niet-huishoudelijke installaties, moet de aardverbinding verwezenlijkt worden overeenkomstig de regels van goed vakmanschap.

  2. b.

    Specifieke regels voor huishoudelijke installaties

    1. b.1

      De aardingslus

      1. b.1.1

        Nieuw gebouw

        Voor elk nieuw gebouw waarvan de bodem van de funderingssleuf van een gedeelte of de gehele fundering op ten minste 60 cm diepte ligt, moet de aardelektrode ten minste een lus omvatten die op de bodem van de funderingssleuf onder de buitenmuren is aangebracht.

      2. b.1.2

        Samenstelling van de aardingslus

        De aardingslus is vervaardigd hetzij uit een volle geleider met cirkelvormige doorsnede en zonder lassen hetzij uit zeven samengeslagen draden met cirkelvormige doorsnede en zonder lassen. In de mate van het mogelijke omvat de lus slechts één geleider. Nochtans, het gebruik van meerdere aan elkaar verbonden geleiders wordt toegelaten onder voorbehoud van het in acht nemen van de voorwaarde vermeld in punt b.1.6.

      3. b.1.3

        Geleiderdoorsnede van de aardingslus

        De geleiderdoorsnede van de aardingslus is een geometrische doorsnede die ten minste 35 mm² moet bedragen.

      4. b.1.4

        Aard van het metaal waaruit de aardingslus is samengesteld

        De volle geleider is vervaardigd uit blank gehard elektrolytisch koper of uit verlood koper. Dit laatste wordt aangewend wanneer het terrein waarin de geleider geplaatst wordt vermoedelijk niet de nodige waarborgen biedt tegen schadelijke corrosieve inwerking op het koper. De geleider met zeven samengeslagen draden is vervaardigd uit gehard koper.

      5. b.1.5

        Plaatsing en vasthechting van de aardingslus op de bodem van de funderingssleuf

        De aardingslus wordt rechtstreeks tegen de grond aangebracht op de bodem van de funderingssleuf en zodanig met aarde bedekt worden dat ze in geen enkel geval in aanraking komt met het materiaal van de funderingsmuren (mortel, beton, bewapening...). Om de aardingslus op de bodem van de funderingssleuf ter plaatse te houden worden uitsluitend bevestigingsmiddelen gebruikt uit koper of een materiaal dat geen corrosieve werking veroorzaakt op het metaal van de geleider die de aardingslus vormt.

      6. b.1.6

        Uiteinden van de geleider(s) van de aardingslus

        De uiteinden van de aardingslus moeten bereikbaar blijven voor onderzoek. Indien de aardingslus is samengesteld uit meerdere in serie geplaatste geleiders moeten de uiteinden van elke geleider en hun verbindingen bereikbaar blijven voor onderzoek.

    2. b.2

      Bijkomende aardelektrode

      1. b.2.1

        Doel

        Indien geen aardingslus kan worden geïnstalleerd (bijvoorbeeld wanneer de diepte van de funderingssleuf onvoldoende is) of wanneer de spreidingsweerstand van de aardelektrode, gevormd door de aardingslus, onvoldoende klein is moet gebruik worden gemaakt van aardelektroden die verder «bijkomende aardelektroden» worden genoemd.

      2. b.2.2

        Soorten bijkomende aardelektroden

        Als bijkomende aardelektroden worden gebruikt: a) de horizontaal in de grond ingegraven metalen geleider; b) de verticaal of schuin in de grond gedreven staven, pennen of geleiders.

    3. b.3

      Horizontaal in de grond ingegraven metalen geleiders

      De horizontaal in de grond ingegraven metalen geleider is een volle geleider met cirkelvormige doorsnede uit koper of verlood koper. Dit laatste wordt gebruikt wanneer het terrein waarin de geleider geplaatst wordt vermoedelijk niet de nodige waarborgen biedt tegen schadelijke corrosieve inwerking op het koper. Zijn doorsnede is een geometrische doorsnede die ten minste 35 mm² bedraagt. De geleider wordt op een diepte van ten minste 0,80 m ingegraven en deze heeft een minimumlengte van 15 meter.

    4. b.4

      Verticaal of schuin in de grond gedreven metalen staven, pennen of geleiders

      1. b.4.1

        Algemeenheden

        De aardingsstaven of -pennen moeten ten minste 1,50 m lang zijn. De ingedreven lengte onder het peil – 0,60 m moet ten minste 1,50 m bedragen.

      2. b.4.2

        Soorten

        Men onderscheidt volgende soorten: a) aardingsstaven;

        1. b)

          aardingspennen;

        2. c)

          in de grond gedreven metalen geleiders.

    5. b.5

      Aardingsstaven

      Aardingsstaven zijn vol en hebben een cirkelvormige doorsnede. Hun diameter bedraagt ten minste hetzij 14 mm wanneer zij vervaardigd zijn uit koper of verkoperd staal, hetzij 19 mm wanneer zij zijn vervaardigd uit gegalvaniseerd staal.

    6. b.6

      Aardingspennen

      De aardingspennen zijn vervaardigd uit een recht of schroefvormig metalen profiel. Indien de aardingspennen uit gegalvaniseerde staal zijn vervaardigd, heeft de omschreven cirkel van de orthogonale doorsnede van het profiel ten minste een diameter van 45 mm en de gemiddelde dikte van de vleugels bedraagt ten minste 3,5 mm. Hun trekvastheid bedraagt ten minste 450 N/mm². Indien de aardingspennen uit een koperlegering zijn vervaardigd die aan corrosie weerstaat heeft de omschreven cirkel van de minimumdoorsnede ten minste een diameter van 19 mm. De dikte van de vleugels bedraagt ten minste 3 mm. Hun trekvastheid bedraagt ten minste 600 N/mm².

    7. b.7

      Verticaal in de grond gedreven geleiders

      De in de grond gedreven geleiders zijn vervaardigd uit blank gehard elektrolytisch koper met een geometrische doorsnede van ten minste 50 mm². De geleider wordt in de grond gedreven door mechanische trillingen. Op het uiteinde van de geleider wordt een stalen kop geplaatst teneinde elke beschadiging bij het indrijven te vermijden. De geleider heeft een minimumlengte van 6 meter.

    8. b.8

      Verbinding tussen verschillende delen

      1. b.8.1

        Koperen of verkoperde stalen staven

        De verbinding van verschillende elementen koperen of verkoperde stalen staven wordt verwezenlijkt door middel van schroefmoffen uit brons of een koperlegering met een minimumlengte van 60 mm. De met elkaar verbonden staven raken elkaar in het midden van de mof.

      2. b.8.2

        Aardingsstaaf uit gegalvaniseerd staal

        De verbinding van gegalvaniseerde stalen staven wordt verwezenlijkt door middel van een zelfborgende koppeling die elk gevaar voor inwendige corrosie uitsluit. De koppeling mag noch de uitwendige diameter, noch de stevigheid, noch de elektrische geleidbaarheid van de gekoppelde staven veranderen.

      3. b.8.3

        Aardingspennen uit een koperlegering

        De verbinding van aardingspennen uit een koperlegering wordt verwezenlijkt door middel van zelfborgende koppeling waarbij de stift een geheel vormt met een mof uit brons of een koperlegering met een lengte van ten minste 60 mm.

      4. b.8.4

        In de grond gedreven koperen geleiders

        De in de grond gedreven koperen geleider is vervaardigd uit één stuk.

  3. c.

    Technische voorwaarden voor een gemeenschappelijke aardverbinding voor verscheidene huishoudelijke installaties

    1. c.1

      Toepassingsgebied

      De gemeenschappelijke aardverbinding is van toepassing op elk appartementsgebouw dat gebouwd wordt vanaf 1 juni 2020. Het gebouw mag ook niet-huishoudelijke installaties bevatten.

      De gemeenschappelijke aardverbinding mag ook gebruikt worden voor elke nieuwbouw van verscheidene individuele huizen en/of individuele appartementsgebouwen waarvoor de gemeenschappelijke funderingen bij de uitvoering van het ontwerp voorzien worden.

      In aanvulling van de 1ste alinea, mag een gemeenschappelijke aardverbinding ook voor verschillende individuele wooneenheden gelegen in een vakantiedorp of campingterrein geplaatst worden, op voorwaarde dat deze wooneenheden behoren aan de eigenaar van het vakantiedorp of het campingterrein. De niethuishoudelijke installaties gelegen op het vakantiedorp of campingterrein mogen ook op deze gemeenschappelijke aardverbinding aangesloten worden. Indien een van deze wooneenheden individueel niet behoort aan de eigenaar van het vakantiedorp of het campingterrein, beschikken deze over een individuele aardverbinding met aardingsonderbreker. Deze mag aangesloten blijven op de gemeenschappelijke aardverbinding.

    2. c.2

      Technische voorwaarden

      1. 1°

        De gemeenschappelijke aardverbinding heeft een spreidingsweerstand kleiner dan 30 Ohm.

      2. 2°

        De gemeenschappelijke aardverbinding wordt verwezenlijkt conform de voorschriften van punt b.

      3. 3°

        Bij de plaatsing van een aardingslus onder de gemeenschappelijke funderingen moet deze op de bodem van de funderingssleuven van de buitenmuren van de verschillende gebouwen aangebracht zijn.

      4. 4°

        Een enkele aardingsonderbreker moet geïnstalleerd worden en deze moet bereikbaar blijven tijdens de levensduur van de aardverbinding voor alle eigenaars, beheerders of uitbaters die gebruik van de gemeenschappelijke aardverbinding maken en voor ieder persoon die werken of metingen op deze aardverbinding moet uitvoeren. Als een aardingslus gebruikt wordt en als deze uit meerdere met elkaar verbonden geleiders bestaat, moeten de uiteinden van elke geleider en hun verbindingen bereikbaar blijven onder dezelfde voorwaarden dan deze van de aardingsonderbreker. Als een door punt b. toegelaten ander systeem van aardverbinding (staven, pennen, …) gebruikt wordt, wordt dit ander systeem op een gemeenschappelijke en bereikbare plaats geïnstalleerd.

      5. 5°

        Voor de in de 2de alinea en de 3de alinea van punt c.1. bedoelde gevallen, is enkel de ster-verdeling van de aardgeleider tussen de gemeenschappelijke aardingsonderbreker en de hoofdaardingsklem(men) van elk gebouw toegelaten.

      6. 6°

        De gemeenschappelijke aardingsonderbreker moet als volgt duurzaam en onuitwisbaar gemarkeerd worden: « Gemeenschappelijke aardverbinding + adressen van de betrokken installaties ».

      7. 7°

        Het eendraadsschema en het situatieplan van elke elektrische installatie, die gebruik maakt van een gemeenschappelijke aardverbinding, moeten de aanwezigheid van een gemeenschappelijke aardverbinding en de plaats van de gemeenschappelijke aardingsonderbreker vermelden. Bij een gelijkvormigheidscontrole voor ingebruikname of een controlebezoek uitgevoerd door een erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3. , moet het verslag dat in het kader van de gelijkvormigheidscontrole of het controlebezoek is opgesteld, de aanwezigheid van een gemeenschappelijke aardverbinding en de eventuele inbreuken inzake de bereikbaarheid vermelden.

        Figuur 5.32Principeschema van de gemeenschappelijke aardverbinding (Gevallen bedoeld in punt c.1. 1_ste en 2_de alinea)
        Figuur 5.33Principeschema van de gemeenschappelijke aardverbinding (Geval bedoeld in punt c.1. 3_de alinea)

5.4.2.2Aardgeleider

De minimumdoorsnede van een aardgeleider, met inbegrip van de aardgeleider van het nulpunt, moet berekend worden zoals deze van een beschermingsgeleider.

Deze is ten minste gelijk aan:

  • 16 mm² koperdoorsnede, indien zij voorzien is van een bekleding die tegen corrosie beschermt;

  • 25 mm² koperdoorsnede, in de andere gevallen;

  • 50 mm² bij aluminium of staal.

Blanke of geïsoleerde aluminiumgeleiders mogen niet ingegraven worden.

5.4.2.3Weerstand t.o.v. mechanische en chemische invloeden

De samenstellende elementen van de aardingsinstallatie zijn vervaardigd en beschermd volgens de regels van goed vakmanschap met materialen die een voldoende weerstand bieden tegen corrosieverschijnselen (chemische of biologische corrosie, oxidatie, elektrolytische corrosie...).

Bovendien bieden zij de nodige weerstand aan de mechanische belastingen waaraan ze kunnen worden onderworpen zowel tijdens hun plaatsing als tijdens hun normale werkingsomstandigheden.

5.4.3Beschermingsgeleiders

5.4.3.1Aard van de geleiders

Als beschermingsgeleiders mogen gebruikt worden:

  • onafhankelijke geleiders;

  • geleiders die zich in dezelfde elektrische leiding bevinden als de actieve geleiders van de installatie, voor zover zij op dezelfde wijze geïsoleerd zijn als de andere geleiders;

  • al dan niet geïsoleerde metalen mantels of schermen van elektrische leidingen waarvan de geschiktheid in dit opzicht erkend wordt door de regels van goed vakmanschap. Het betreft hier in het bijzonder de buitenmantel van de gepantserde elektrische leidingen met minerale isolatie alsook de buizen, op voorwaarde dat de desbetreffende regels het voorzien. Zij mogen slechts gebruikt worden als beschermingsgeleider van de stroombanen waarvan ze deel uitmaken en de bekomen elektrische continuïteit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

metalen omhulsels van geprefabriceerde leidingen indien zij gelijktijdig voldoen aan de volgende voor waarden:

  • hun elektrische continuïteit moet verzekerd worden bij het vervaardigen en door middel van degelijke verbindingen;

  • hun elektrische continuïteit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

  • andere beschermingsgeleiders moeten erop aangesloten kunnen worden;

  • delen van omhulsels van geprefabriceerde schakel en verdeelinrichtingen, in de mate dat de desbetreffende regels het toelaten en mits eerbiediging van voormelde voorwaarden;

  • geleidende delen, zoals metalen gebinten, raamwerken van machines en heftoestellen evenals waterleidingen van een privaat en onafhankelijk verdeelnet, wanneer zij geen deel uitmaken van een TN-Cnetsysteem net en wanneer zij tezelfdertijd voldoen aan de volgende voorwaarden:

    • hun elektrische continuïteit wordt verzekerd door constructie of door middel van gepaste verbindingen;

    • hun elektrische continuïteit mag niet in gevaar gebracht worden door mechanische, chemische of elektrochemische beschadiging;

    • zij mogen niet losgekoppeld worden zonder vervangende maatregelen toe te passen.

In huishoudelijke elektrische installaties mogen uitsluitend koperen beschermingsgeleiders gebruikt worden. Zij zijn zoveel mogelijk geïsoleerd.

5.4.3.2Minimumdoorsnede van de geleiders

> De minimum doorsnede S p van de beschermingsgeleider, in mm², moet ten minste gelijk zijn aan de waarde gegeven door volgende formule:

I S P  k  t waarin:

  • I : de effectieve waarde van de foutstroom, in A, die door het beschermingstoestel kan vloeien bij een fout met een te verwaarlozen impedantie. Er moet rekening gehouden worden met het begrenzingsvermogen van het beschermingstoestel;

  • t : de werkingstijd, in seconden, van het onderbrekingstoestel, met een maximumwaarde van 5 s;

  • k: een constante, waarvan de waarde afhangt van de aard van het metaal van de beschermingsgeleider en van zijn isolatie, aangeduid in tabel 5.9.

Tabel 5.9 k-waarden voor beschermingsgeleiders

k-waarden voor geïsol
b
eerde beschermingsgeleiders
eschermingsgeleiders in conta
die geen deel uitmaken van de
ct met de bekleding van kabel
kabels of voor blanke
s
Materiaal van de Aard van de isolatie van d e beschermingsgeleiders of van de bekleding van kabels
geleider Polyvinylchloride
(PVC)
Netvormig polyethyleen
(PRC) Ethyleen-
propyleen(EPR)
Butylrubber (B)
Koper
Aluminium
143
95
176
116
160
110
Staal 52 64 60

k-waarden v
oor beschermingsgeleiders die deel uitmaken van een meerd radige kabel
Materiaal van de
Aard van d e isolatie van de beschermings geleiders
geleider Polyvinylchloride
(PVC)
Netvormig polyethyleen
(PRC) Ethyleen-
propyleen(EPR)
Butylrubber (B)
Koper 115 143 134
Aluminium 76 94 89

k-waarden voor blanke ge

leiders die geen enkel materi
toegelaten t

aal raken dat beschadigd kan
emperatuur

worden door de maximum
Materiaal van de Plaatsingsomstandigheden
geleider Zichtbaar en
Ingebou
wen
in gereserveerde lokalen Zonder uitgesproken
brandgevaar
Met brandgevaar
Koper 228 159 138
Aluminium 125 105 91
Staal 82 58 50

> Het toepassen van de voormelde formule voor het bepalen van de waarde van SP is niet noodzakelijk indien de doorsnede van de geleiders beantwoordt aan de voorschriften van tabel 5.10 .

Tabel 5.10 Minimumdoorsnede van de beschermingsgeleider waarbij het berekenen van de waarde van Sp niet nodig is

Doorsnede van de geleiders
van de installatie(S in mm²)
Minimumdoorsnede van de bescher-
_mingsgeleider(S_p in mm²)
S16 S
16< S35 16
35 <S 0,5S

Wanneer de toepassing van deze regel tot een niet-genormaliseerde waarde leidt, moet een geleider gebruikt worden met een genormaliseerde doorsnede die het dichtst S p benadert.

De aldus vastgestelde waarden gelden slechts indien de beschermingsgeleiders uit hetzelfde metaal zijn vervaardigd als de actieve geleiders. Indien dit niet het geval is moet de doorsnede van de beschermingsgeleiders zo bepaald worden dat hun geleidingsvermogen gelijkwaardig is aan dit, verkregen door toepassing van de minimumdoorsnede van de beschermingsgeleider zoals deze bekomen wordt door toepassing van de tabel.

Wanneer de beschermingsgeleider geen deel uitmaakt van de elektrische voedingsleiding moet zijn doorsnede S P ten minste gelijk zijn aan:

  • 2,5 mm² wanneer hij mechanisch beschermd is;

  • 4 mm² wanneer hij mechanisch niet beschermd is.

De minimale doorsnede van de hoofdbeschermingsgeleider wordt als deze van een beschermingsgeleider berekend.

5.4.3.3Merken van de geleiders

Wanneer de beschermingsgeleider, die al of niet deel uitmaakt van de kabel, voorzien is van een isolatie moet deze een geelgroene kleur hebben zoals voorgeschreven is in de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde norm of beantwoorden aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze norm.

Het merken met deze kleur van een geleider van de vlakke soepele elektrische leidingen, met 3 geleiders en zonder bijkomende mantel, is niet noodzakelijk. In dit geval vervult de middelste geleider de functie van beschermingsgeleider, indien de beschouwde stroombaan een beschermingsgeleider bevat.

Bij de voorgebundelde leidingen, waarvan de isolatie weerstaat aan de weersinvloeden, mag het merken gebeuren op een andere manier dan door kleuring.

Wanneer de elektrische leidingen van zulk een type zijn dat het onmogelijk is ze te voorzien van een isolatie met geel-groene kleurcombinatie, mag de aanduiding van de beschermingsgeleider gebeuren met een andere kleurcombinatie dan de geel-groene, op voorwaarde dat ze niet blauw is en verschilt van de enige kleur van de lijngeleiders.

5.4.3.4Installeren van de geleiders

De beschermingsgeleiders moeten voldoende beschermd worden tegen mechanische en chemische beschadiging en elektrodynamische krachten.

De verbindingen moeten verwezenlijkt worden op een veilige wijze en volgens de regels van goed vakmanschap.

5.4.3.5Elektrische continuïteit

Behoudens andersluidend voorschrift, mag geen enkel scheidingstoestel zoals smeltzekering, schakelaar of scheidingsschakelaar worden aangebracht in de beschermingsgeleider.

Om de meting van de spreidingsweerstand van de aardverbinding mogelijk te maken, is het noodzakelijk een aardingsonderbreker te voorzien zoals een klem of strip, die slechts met gereedschap losgemaakt kan worden.

5.4.3.6Verbinding van de beschermingsgeleiders met het elektrisch materieel

Elektrische machines en toestellen van de klasse I moeten voorzien zijn van een klem waaraan de beschermingsgeleider kan verbonden worden.

Het wegnemen van een elektrische machine of toestel mag de continuïteit van de beschermingsstroombaan niet onderbreken.

Voor huishoudelijke installaties moeten de elektrische leidingen, met uitzondering van deze die eindigen in de schakelaars, deze op zeer lage veiligheidsspanning en deze stroomopwaarts van de algemene differentieel- stroombeschermingsinrichting(en), een beschermingsgeleider bevatten. De schakelaars van het huishoudelijke type moeten beantwoorden hetzij aan de door de Koning bekrachtigde of door het NBN geregistreerde normen hetzij aan bepalingen die ten minste een gelijkwaardig veiligheidsniveau bieden als dit bepaald in deze normen.

5.4.4Equipotentiale verbindingen

5.4.4.1Hoofdequipotentiale verbindingen

  1. a.

    Doorsnede van de geleiders

    De hoofdequipotentiale geleider moet ten minste een doorsnede hebben die gelijk is aan de helft van de grootste beschermingsgeleider van de installatie, de aardgeleider uitgezonderd, met een minimum koperdoorsnede van 6 mm².

    Nochtans mag de doorsnede beperkt worden tot:

    • 25 mm² indien de geleider uit koper is;

    • een gelijkwaardige doorsnede indien het een ander metaal betreft.

  2. b.

    Uitvoering

    De hoofdequipotentiale geleider voldoet aan de voorschriften betreffende de beschermingsgeleider. Hij moet overeenkomstig dezelfde voorschriften geïnstalleerd en aangesloten worden ( onderafdelingen 5.4.3.4. en 5.4.3.6. ).

    De hoofdequipotentiale geleider is voorzien van een isolatie met geel-groene kleur.

5.4.4.2Bijkomende equipotentiale verbindingen

  1. a.

    Doorsnede van de geleiders

    • De doorsnede van de geleiders van de bijkomende equipotentiale verbinding moet ten minste gelijk zijn aan:

    • de helft van deze van de beschermingsgeleider die met een massa verbonden is, de aardgeleider uitgesloten, wanneer de equipotentiale verbinding deze massa verbindt met een vreemd geleidend deel;

    • de kleinste doorsnede van de beschermingsgeleiders, verbonden met de massa’s van verschillende toestellen; in dit geval is het nodig zich ervan te vergewissen dat de verwezenlijking van de equipotentiale verbinding tussen deze twee massa’s, behorend tot stroombanen met zeer verschillende doorsnede, niet tot gevolg heeft dat in de beschermingsgeleider met de kleinste doorsnede een foutstroom gaat vloeien die een thermische belasting veroorzaakt groter dan deze toelaatbaar voor deze geleider.

    De volgende minimumdoorsneden moeten in alle gevallen in acht genomen worden:

    • 2,5 mm² wanneer de geleiders mechanisch beschermd zijn;

      • 4 mm² wanneer de geleiders niet mechanisch beschermd zijn.

  2. b.

    Uitvoering

    De bijkomende equipotentiale geleiders moeten geplaatst en verbonden worden overeenkomstig de voorschriften van toepassing op beschermingsgeleiders ( onderafdelingen 5.4.3.4. en 5.4.3.6. ).

    De bijkomende equipotentiale geleiders zijn voorzien van een isolatie met geel-groene kleur.

5.5Veiligheidsinstallaties

5.5.1Algemeenheden

Dit hoofdstuk behandelt de specifieke voorschriften betreffende de keuze en het gebruik van de veiligheidsinstallaties.

De veiligheidsinstallatie kan in het algemeen volgens figuur 5.34. aangegeven worden.

Figuur 5.34Principe van een veiligheidsinstallatie

De specifieke voorschriften, die in een ander referentiekader beschreven worden, mogen afwijken van deze van dit hoofdstuk, als de veiligheidsinstallatie aan het geheel van de eisen van dit ander referentiekader beantwoordt. De specifieke voorschriften van dit hoofdstuk die niet door dit referentiekader gedekt worden, blijven van toepassing. De verplichting om ten minste aan de wettelijke eisen te beantwoorden blijft steeds geldig.

Men verstaat onder ander referentiekader:

  • hetzij een wettelijke eis van toepassing in België;

  • hetzij een technische norm die door de Koning bekrachtigd of door het NBN geregistreerd is.

De uitbater of zijn afgevaardigde moet een risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties uitvoeren. Deze bevat ten minste:

  • de bepaling van de veiligheidsinstallaties;

  • de bepaling van de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker;

  • de bepaling van de kenmerken van de veiligheidsbronnen.

De maatregelen, die in het kader van de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties genomen zijn, zijn in de lijst met de veiligheidsinstallaties vermeld. De lijst en de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties worden ter beschikking gehouden van het erkend organisme en de met het toezicht belaste ambtenaar.

Men verstaat in hoofdstuk 5.5. onder:

  • redundante veiligheidsverbruikers: het gebruik van meerdere veiligheidsverbruikers om dezelfde functie te garanderen en waarbij het uitvallen van een of meerdere van de redundante veiligheidsverbruikers het vooropgestelde doel niet hindert. Het niveau van de redundantie wordt door de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties bepaald;

  • redundante elektrische leidingen: het gebruik van meerdere elektrische leidingen om via een lus de schakel- en verdeelborden of de verbruikers van een veiligheidsinstallatie te voeden en waarbij het uitvallen van een of meerdere van de redundante elektrische leidingen de voeding van de schakel- en verdeelborden of de verbruikers niet hindert. Het niveau van de redundantie wordt door de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties bepaald.

5.5.2Doelen

Het functiebehoud van de veiligheidsinstallatie moet gegarandeerd worden:

  • bij het uitvallen van de normale bron;

  • bij een brand;

  • bij een elektrische fout.

Om aan deze voorwaarden te voldoen, is het noodzakelijk om specifieke elektrische bronnen, materialen, stroombanen en elektrische leidingen te kiezen.

Het is ook noodzakelijk om rekening te houden met de uitwendige invloeden, die het functiebehoud van de veiligheidsinstallatie kunnen verstoren. Ze worden door de uitbater of zijn afgevaardigde bepaald bij de keuze en het gebruik van het elektrisch materieel.

5.5.3Bepaling van de veiligheidsinstallaties

Worden bepaald als veiligheidsinstallaties:

  • deze die in de wettelijke eisen opgelegd worden, zoals vastgesteld in afdeling 5.5.1. ;

  • en deze die op basis van een risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties door de uitbater of zijn afgevaardigde bepaald worden.

Per definitie vallen de verbruikers met positieve veiligheid niet onder de veiligheidsinstallaties.

De uitbater of zijn afgevaardigde stelt de lijst met de veiligheidsinstallaties op. Deze lijst vermeldt voor elke veiligheidsinstallatie de referentie (risicoanalyse of wettelijke eisen).

De veiligheidsinstallaties worden weergegeven op een of meerdere plannen van de veiligheidsinstallaties. Deze plannen dienen te worden geparafeerd door de exploitant of zijn afgevaardigde vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie. De vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 . parafeert de plannen voor ontvangst bij de controle. De overeenstemming tussen de plannen en de installatie moet door de vertegenwoordiger van het erkend organisme worden nagekeken.

5.5.4Bepaling van de tijd van functiebehoud van de veiligheidsverbruikers

De tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker wordt bepaald: - hetzij door een referentiekader zoals vastgesteld in afdeling 5.5.1. ; - hetzij door de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties.

De lijst met de veiligheidsinstallaties vermeldt voor elke veiligheidsverbruiker hun tijd van functiebehoud.

5.5.5Maatregelen te nemen bij het uitvallen van de normale bron

5.5.5.1Veiligheidsverbruikers met geïntegreerde veiligheidsbron

De bron die in de veiligheidsverbruiker geïntegreerd is, moet automatisch worden ingeschakeld bij het uitvallen van de normale bron. Deze bron moet een werkingstijd garanderen die ten minste gelijk is aan de tijd van functiebehoud bepaald in afdeling 5.5.4.

De risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties of eventuele referentiekaders bepalen de noodzaak:

  • om het uitvallen van de normale bron te melden en de eventuele middelen die moeten in werking gesteld worden;

  • de noodzaak om de storingen te melden en de eventuele middelen die moeten in werking gesteld worden;

  • de frequentie van de omschakelingstesten.

De uitbater moet de correcte werking van de geïntegreerde veiligheidsbron van de veiligheidsverbruiker garanderen door het uitvoeren van onderhoud en toezicht. Hij moet regelmatige omschakelingstesten uitvoeren en hij moet in geval van storing zo spoedig mogelijk de noodzakelijke herstellingen uitvoeren om het functiebehoud van de veiligheidsinstallaties te garanderen. De persoon die dit onderhoud en deze testen uitvoert documenteert de uitgevoerde tussenkomsten.

5.5.5.2Veiligheidsverbruikers met niet-geïntegreerde veiligheidsbron

Voor de veiligheidsbronnen bepaalt de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties ten minste:

  • hun aantal;

  • hun plaatsing;

  • hun inschakeltijd;

  • de plaats van de spanningsmetingen voor de automatische omschakeling (waarbij rekening wordt gehouden met de frequentieschommelingen of spanningsdalingen);

  • de noodzaak om het uitvallen van de normale bron te melden en de eventuele middelen die moeten in werking gesteld worden;

  • de noodzaak om de storingen te melden en de eventuele middelen die moeten in werking gesteld worden;

  • de frequentie van de omschakelingstesten;

  • de volgorde van de inschakeling van het geheel van de veiligheidsbronnen.

  • De toegelaten bronnen zijn de volgende:

  • herlaadbare batterijen;

  • niet-herlaadbare batterijen;

  • stroomgeneratoren die onafhankelijk van de normale bron zijn;

  • ononderbreekbare energiebronnen (ook genoemd uninterruptible power supply).

Men verstaat onder veiligheidsbron: een veiligheidsbron of een geheel van veiligheidsbronnen.

De veiligheidsbron moet automatisch en volgens de volgorde bepaald in de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties worden ingeschakeld bij het uitvallen van de normale bron.

De veiligheidsbron moet op een vaste standplaats geïnstalleerd worden, zodanig dat ze niet door het uitvallen van de normale bron kan beïnvloed worden.

De veiligheidsbron moet de tijd van functiebehoud garanderen voor elke veiligheidsverbruiker die erop haar aangesloten wordt.

De veiligheidsbron moet in een geschikte en uitsluitend daarvoor bestemde ruimte geïnstalleerd zijn. De ruimte is alleen toegankelijk voor gewaarschuwde (BA4) of vakbekwame (BA5) personen.

De veiligheidsbron moet worden ontworpen en geïnstalleerd opdat de risico’s op een brand, een overstroming, vorst of vandalisme en andere nadelige omstandigheden die de beschikbaarheid van de veiligheidsvoeding kunnen verstoren, worden beperkt.

De plaats van de veiligheidsbron moet behoorlijk geventileerd worden opdat de geproduceerde gassen en rook zich niet naar lokalen die toegankelijk zijn voor personen, kunnen verspreiden.

Afzonderlijke aansluitingen, onafhankelijk van elkaar en gevoed door het distributienet (laagspanning of hoogspanning) worden niet als veiligheidsbron toegelaten.

Het vermogen van de veiligheidsbron is dusdanig dat het opstarten en het werken van de veiligheidsverbruikers aangesloten aan de veiligheidsbron onder de meest ongunstige omstandigheden gegarandeerd zijn. Een veiligheidsbron mag ook, met of zonder afschakeling, gebruikt worden voor verbruikers die geen veiligheidsverbruikers zijn, op voorwaarde dat zijn beschikbaarheid voor de veiligheidsverbruikers niet nadelig beïnvloed wordt.

De uitbater moet de correcte werking van de veiligheidsbron garanderen door het uitvoeren van onderhoud en toezicht. Dat bevat bijvoorbeeld de beschikbaarheid van de hulpinstallaties van de veiligheidsbron, het niveau van de brandstof, het laadniveau van de batterijen, … De uitbater moet regelmatige omschakelingstesten uitvoeren. Een omschakelingstest onder belasting moet ten minste een keer per jaar uitgevoerd worden. De uitbater moet in geval van storing zo spoedig mogelijk de noodzakelijke herstellingen uitvoeren om het functiebehoud van de veiligheidsinstallaties te garanderen. De persoon die dit onderhoud en deze testen uitvoert documenteert de uitgevoerde tussenkomsten.

5.5.6Maatregelen te nemen bij een brand

5.5.6.1Algemeenheden

  1. a.

    Veiligheidsverbruikers met geïntegreerde veiligheidsbron

    De brandweerstand van de veiligheidsverbruikers en hun stroombanen (schakel- en verdeelborden en elektrische leidingen) is niet vereist. Nochtans sluit dit het gebruik van veiligheidsverbruikers met een brandweerstand niet uit om aan andere verplichtingen te beantwoorden.

    De kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening van de veiligheidsinstallaties moeten aan de eisen van de elektrische leidingen van onderafdeling 5.5.6.4. voldoen, tenzij de goede werking van de veiligheidsverbruikers door deze elektrische leidingen niet nadelig beïnvloed wordt.

  2. b.

    Veiligheidsverbruikers met niet-geïntegreerde veiligheidsbron

    De brandweerstand van de veiligheidsverbruikers is niet vereist. Nochtans sluit dit het gebruik van veiligheidsverbruikers met een brandweerstand niet uit om aan andere verplichtingen te beantwoorden.

    De onderafdelingen 5.5.6.2. tot 5.5.6.4. zijn van toepassing voor de veiligheidsbron en de veiligheidsstroombanen.

    De onafhankelijke beschermingsgeleiders en de kabels ten behoeve van communicatie en informatietechnologie, van signalisatie of bediening van de veiligheidsinstallaties moeten aan de eisen van de elektrische leidingen van onderafdeling 5.5.6.4. voldoen, tenzij de goede werking van de veiligheidsverbruikers door deze elektrische leidingen niet nadelig beïnvloed wordt.

5.5.6.2Niet-geïntegreerde veiligheidsbron

Elk lokaal waarin een niet-geïntegreerde veiligheidsbron geïnstalleerd wordt, moet ten opzichte van de belendende lokalen een brandweerstand bezitten gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker die hij voedt. De rookafvoer- en verluchtingskanalen dienen eveneens een brandweerstand te bezitten gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van brandweerstand van het lokaal van de veiligheidsbron, wanneer deze kanalen andere lokalen doorlopen dan het lokaal van de veiligheidsbron.

5.5.6.3Schakel- en verdeelborden van de veiligheidsstroombanen (in dit Boek veiligheidsbord genoemd)

De veiligheidsborden:
  • ofwel zijn ze ondergebracht in uitsluitend voor dit doel bestemde lokalen, met een brandweerstand gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker die ze voeden;

  • ofwel bezitten ze een brandweerstand (met inbegrip van hun toebehoren) gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker die ze voeden.

De lokalen en de veiligheidsborden zijn alleen toegankelijk voor het gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel.

De schikkingen van de twee eerste alinea’s zijn niet van toepassing op de bedieningsborden en/of de signalisatieborden die omwille van andere veiligheidsredenen toegankelijk moeten blijven (bijvoorbeeld: bedienings- en signalisatiepaneel voor de branddetectie).

In afwijking van de verplichting van de uitsluitend bestemde lokalen voor de niet-geïntegreerde veiligheidsbron ( onderafdeling 5.5.5.2. 7de alinea) en voor de veiligheidsborden ( onderafdeling 5.5.6.3. 1ste alinea), is het toegelaten dat een veiligheidsbron en de veiligheidsborden in hetzelfde lokaal worden geïnstalleerd. Dit lokaal moet een brandweerstand bezitten gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker die door de veiligheidsbron en de veiligheidsborden wordt gevoed.

Het is toegelaten om andere stroombanen dan veiligheidsstroombanen in de veiligheidsborden te installeren, indien

  • het brandwerende veiligheidsborden betreft; en

  • de niet-veiligheidsstroombanen van de veiligheidsstroombanen worden afgeschermd door een tussenschot waarvan de brandweerstand gelijk aan deze van het veiligheidsbord is.

5.5.6.4Elektrische leidingen van de veiligheidsstroombanen

  1. a.

    Algemeenheden

    Om het functiebehoud van de veiligheidsverbruikers en de veiligheidsborden te bekomen, zijn de elektrische leidingen van hun veiligheidsstroombanen:

    • hetzij niet-redundant en met een brandweerstand (zie punt b. );

    • hetzij redundant (zie punt c. ).

    Als de elektrische leiding van de veiligheidsverbruiker of het veiligheidsbord een brandweerstand bezit, is het volgend voorschrift van toepassing:

    • bij het gebruik van aftakdozen op het traject van de elektrische leiding, moeten deze een brandweerstand hebben gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van de veiligheidsverbruiker of het veiligheidsbord, die/dat door de elektrische leiding gevoed wordt.

    In uitsluitend voor de veiligheidsbron en het veiligheidsbord bestemde lokalen, met een brandweerstand gedurende een tijd ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van elke veiligheidsverbruiker die ze voeden, is de brandweerstand van de elektrische leidingen van een veiligheidsstroombaan in deze lokalen niet vereist, op voorwaarde dat de totale lengte van de elektrische leidingen van deze veiligheidsstroombaan in deze lokalen 10 meter niet overschrijdt.

    In de compartimenten (uitgezonderd de lokalen bedoeld in de vorige alinea) waarin een veiligheidsverbruiker wordt geïnstalleerd, is de brandweerstand van de elektrische leiding(en) van de eindveiligheidsstroombaan van deze veiligheidsverbruiker in deze compartimenten niet vereist, op voorwaarde dat:

    • de totale lengte van de elektrische leiding(en) van deze eindveiligheidsstroombaan in deze compartimenten 10 meter niet overschrijdt; en

    • de veiligheidsverbruiker geen brandweerstand bezit.

    De brandweerstand van de interne bekabeling van het veiligheidsbord is niet vereist.

  2. b.

    Niet-redundante elektrische leidingen van de veiligheidsstroombanen met een brandweerstand

    Als het veiligheidsbord of de veiligheidsverbruiker door een niet-redundante elektrische leiding gevoed wordt, zijn de geïsoleerde geleiders, de kabels en hun toebehoren:

    • ofwel van het type met kenmerk FR2 in overeenstemming met de tabel 4.8. van onderafdeling 4.3.3.4. of gelijkwaardig hieraan, met een gewaarborgd functiebehoud zoals bepaald in afdeling 5.5.4.;

    • ofwel ondergebracht in aanlegsystemen beantwoordend aan het vereiste brandweerstandsniveau dat een functiebehoud waarborgt zoals bepaald in afdeling 5.5.4.;

    • ofwel verzonken in vloeren en muren beantwoordend aan het vereiste brandweerstandsniveau dat een functiebehoud waarborgt zoals bepaald in afdeling 5.5.4.;

    • ofwel ingegraven.

    Indien alle samenstellende delen van het geheel (draagstel, geïsoleerde geleider, kabel en bevestiging) de brandweerstand voor het functiebehoud hebben en de samenstellende delen overeenkomstig de voorschriften van de fabrikanten geïnstalleerd zijn, dan wordt het geheel met een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 beschouwd.

    Elke geïsoleerde geleider of kabel die aan het draagstel van een geheel met het kenmerk FR2 of met een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 wordt toegevoegd, dient het kenmerk FR2 of FR1 te bezitten. De classificatie m.b.t. de brandreactie van tabel 4.7. van onderafdeling 4.3.3.4. is ook van toepassing.

    De plaatsing en de installatie van de elektrische leidingen en hun bevestigingen moeten het functiebehoud van de veiligheidsstroombaan garanderen.

    In lange verticale installaties moeten de bevestigingen van de elektrische leidingen garanderen dat de elektrische leidingen bij brand niet vroegtijdig wegzakken.

    Er wordt rekening gehouden met de mogelijke negatieve invloed van de plaatsing van andere installaties (elektrisch en niet-elektrisch), die geen veiligheidsinstallaties zijn en die in de nabijheid van de veiligheidsinstallaties worden geplaatst. Voorbeeld van een situatie die moet vermeden worden: een kabelgoot zonder het kenmerk FR2 die boven een kabelgoot met het kenmerk FR2 geplaatst wordt en die op deze laatste kan vallen bij een brand.

    Om de doorsnede van de geleiders te berekenen, moeten de verhoging van de weerstand van de geleiders van de elektrische leiding evenals de verzwakking van elk transmissiesignaal in rekening worden gebracht ten gevolge van de temperatuursverhoging bij een brand. Er wordt rekening gehouden met het compartiment waarin zich de grootste spanningsval in de elektrische leiding van de veiligheidsstroombaan bevindt. Het is toegelaten om rekening te houden met de invloed van de eventuele brandbeschermingsmiddelen geïnstalleerd in het compartiment (bv: sprinkler). De maximale verhoging van de omgevingstemperatuur bij een brand wordt bepaald door de uitbater volgens de gestandaardiseerde temperatuur-tijd curve die de duur van de brandweerstand van de bouwelementen bepaalt. Deze hangt af van de tijd van functiebehoud bepaald in afdeling 5.5.4. De doorsnede van de geleiders van de elektrische leiding kan volgens de regels van goed vakmanschap berekend worden.

  3. c.

    Redundante elektrische leidingen van de veiligheidsstroombanen

    Als het veiligheidsbord of de veiligheidsverbruiker door meerdere elektrische leidingen (aantal te bepalen door de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties) gevoed wordt en als elke elektrische leiding in afzonderlijke compartimenten loopt met een brandweerstand ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van het/de door de redundante elektrische leidingen gevoede veiligheidsbord of veiligheidsverbruiker, is de brandweerstand van de elektrische leidingen niet vereist in deze compartimenten

  4. d.

    Bijzondere gevallen

    In geval van de redundante veiligheidsverbruiker (aantal te bepalen door de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties) en als elke elektrische leiding naar een redundante veiligheidsverbruiker loopt door afzonderlijke compartimenten met een brandweerstand ten minste gelijk aan de tijd van functiebehoud van de door de elektrische leiding gevoede veiligheidsverbruiker, is de brandweerstand van elke elektrische leiding niet vereist in deze compartimenten.

5.5.7Maatregelen te nemen bij een elektrische fout

5.5.7.1Algemeenheden

  1. a.

    Veiligheidsverbruikers met geïntegreerde veiligheidsbron

    De bescherming tegen overbelasting, kortsluiting en onrechtstreekse aanraking van de stroombanen van de veiligheidsverbruikers moet de beschermingsmaatregelen van de hoofdstukken 4.2. (bescherming tegen elektrische schokken) en 4.4. (elektrische bescherming tegen overstroom) respecteren.

    De goede werking van een stroombaan met veiligheidsverbruikers mag niet nadelig beïnvloed worden door een elektrische fout in een andere stroombaan. Dat vereist de selectiviteit tussen de beschermingsinrichtingen.

  2. b.

    Veiligheidsverbruikers met niet-geïntegreerde veiligheidsbron

    De onderafdelingen 5.5.7.2. tot 5.5.7.5. zijn van toepassing voor de maatregelen te nemen bij een elektrische fout in een veiligheidsstroombaan.

5.5.7.2Algemene beschermingsmaatregelen van de veiligheidsstroombanen

De goede werking van een veiligheidsstroombaan mag niet nadelig beïnvloed worden door een elektrische fout in een andere stroombaan. Dat vereist de selectiviteit tussen de beschermingsinrichtingen.

Voor energiebronnen (normaal/veiligheid) die niet ontworpen zijn om in parallel te werken:

  • zijn voorzieningen aangebracht om deze parallelwerking te voorkomen;

  • zijn de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting voor iedere energiebron gewaarborgd.

Voor energiebronnen (normaal/veiligheid) die wel ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:

  • kan het parallelbedrijf specifieke inrichtingen eisen, bijvoorbeeld een bescherming tegen terugvoeding;

  • zijn de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting ook bij parallelwerking gewaarborgd;

  • zijn voorzieningen getroffen om de vereffeningsstroom in de verbindingen tussen de nulpunten of middelpunten van de energiebronnen te beperken.

De veiligheidsverbruikers mogen over een of meerdere veiligheidsborden verdeeld worden.

De hoofdveiligheidsborden waaraan de veiligheidsverbruikers of de secundaire veiligheidsborden aangesloten worden, worden rechtstreeks gekoppeld:

  • aan de normale bron via het laagspanningshoofdbord door uitsluitend voor dit gebruik voorbehouden beveiligingstoestellen, en

  • aan de veiligheidsbron via een toegekende stroombaan.

Het is toegelaten in afwijking van deze onderafdeling dat de veiligheidsverbruikers rechtstreeks door het laagspanningshoofdbord en/of door de veiligheidsbron gevoed worden, via toegekende stroombanen.

Men verstaat onder laagspanningshoofdbord: het hoofdbord van een gebouw, een zone of een gedeeltelijke installatie (bv.: buiteninstallatie).

De redundante veiligheidsverbruikers en de redundante elektrische leidingen worden beschermd door individuele beschermingsinrichtingen.

5.5.7.3Bescherming tegen overbelasting in de veiligheidsstroombanen

De bescherming tegen overbelasting moet voor alle veiligheidsstroombanen voorzien worden.

In afwijking van de eerste alinea mag de bescherming tegen overbelasting achterwege worden gelaten:

  1. 1°

    als een eindveiligheidsstroombaan een elektrische motor van een veiligheidsinstallatie voedt die noch permanent noch tijdens lange perioden werkt, en, als het noodzakelijk is om veiligheidsredenen, dat deze motor zijn werking onder mechanische storingsomstandigheden kan garanderen, op voorwaarde dat:

    • hetzij het voorkomen van de overbelasting bewaakt wordt;

    • hetzij zijn elektrische leiding en zijn bedienings- en beschermingstoestellen aan de

      • overbelastingsstromen veroorzaakt door deze storingen kunnen weerstaan. Tenzij anders vermeld door de motorfabrikant, mag men beschouwen dat deze laatste voorwaarde voldoet als de toegekende stroom van de bedienings- en beschermingstoestellen en de toelaatbare stroom van de elektrische leiding bepaald worden voor een bedrijfsstroom gelijk aan tweemaal de nominale stroom van de motor. Bijvoorbeeld: de motoren gebruikt voor het RWA-netsysteem (rook- en warmteafvoer) bij een brand.

  2. 2°

    voor de elektrische machines of toestellen waarvan het onvoorzien afschakelen van hun stroombaan gevaren of zware gevolgen met zich kan meebrengen ( onderafdeling 5.2.4.2. ). Bijvoorbeeld: opwekkingsstroombaan van motoren, geïnduceerde stroombaan van wisselstroommachines, secundaire stroombaan van stroomtransformatoren, …

5.5.7.4Bescherming tegen kortsluiting in de veiligheidsstroombanen

De bescherming tegen kortsluiting moet voor alle veiligheidsstroombanen voorzien worden.

Als een veiligheidsstroombaan meerdere veiligheidsverbruikers voedt, moet een kortsluitisolator op het niveau van elke veiligheidsverbruiker voorzien worden om het uitvallen van de voeding van alle veiligheidsverbruikers gevoed door dezelfde stroombaan te vermijden.

In afwijking van de eerste alinea mag de bescherming tegen kortsluiting achterwege worden gelaten voor de elektrische machines of toestellen waarvan het onvoorzien afschakelen van hun stroombaan gevaren of zware gevolgen met zich kan meebrengen ( onderafdeling 5.2.4.2. ). Bijvoorbeeld: opwekkingsstroombaan van moto- ren, geïnduceerde stroombaan van wisselstroommachines, secundaire stroombaan van stroomtransformatoren,

…

5.5.7.5Bescherming tegen aardfouten in de veiligheidsstroombanen

  1. a.

    Algemeenheden

    De bescherming tegen aardfouten moet voor alle veiligheidsstroombanen voorzien worden.

    Onverminderd de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking, mag het functiebehoud van een veiligheidsverbruiker niet door een eerste aardfout in de eindveiligheidsstroombaan beïnvloed worden bij de werking op de veiligheidsbron en de normale bron. De maatregelen van punt b. zijn van toepassing.

    Voor de elektrische installaties in wooneenheden die aan de voorschriften van de bescherming van stroombanen in het algemeen moeten beantwoorden ( punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. ), is de tweede alinea van punt a. niet van toepassing.

    De overgang van een geaard netsysteem naar een ander geaard netsysteem kan sommige risico’s bevatten waaraan er een bijzondere aandacht dient te worden besteed.

  2. b.

    Te nemen beschermingsmaatregelen

    1. b.1

      Beschermingsmaatregelen zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout

      De beschermingsmaatregelen zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout zijn:

      1. 1.

        het gebruik van elektrisch materieel van de klasse II of met een veiligheidsgraad gelijkwaardig met de toestellen van de klasse II ( onderafdeling 4.2.3.3. );

      2. 2.

        het gebruik van de veiligheidsscheiding van de stroombaan ( onderafdeling 4.2.3.3. );

      3. 3.

        de bescherming tot het onmogelijk maken van een gelijktijdige aanraking van delen die op potentialen kunnen gebracht worden waaraan het verschil gevaarlijk is ( onderafdeling 4.2.3.3. );

      4. 4.

        het gebruik van de ZLVS of ZLBS ( onderafdelingen 4.2.3.3.,4.2.5.3., 4.2.5.4. en 4.2.5.5. );

      5. 5.

        het gebruik van het IT-netsysteem op het geheel of een deel van de veiligheidsinstallatie (te bepalen in het kader van de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties). De betrokken stroombanen worden permanent bewaakt door een toestel overeenkomstig de voorschriften van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen;

      6. 6.

        voor de veiligheidsverbruikers die alleen in geval van noodsituaties werken (voorbeeld: RWA-netsysteem (rook- en warmteafvoer) bij een brand), wordt de eindveiligheidsstroombaan permanent bewaakt door een in punt a.2. van onderafdeling 4.2.3.4. bedoeld bewakingstoestel. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen.

        Voor het gebruik van het IT-netsysteem is het belangrijk om ten minste aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

        • de voorwaarden van de veiligheidsscheiding van de stroombaan ( onderafdeling 4.2.3.3. ) inzake de uitgestrektheid van de stroombaan;

        • het is verboden om een driefasige IT-netsysteem met verdeelde N-geleider te gebruiken.

    2. b.2

      Beschermingsmaatregelen met automatische onderbreking bij de eerste aardfout

      Dat vereist het gebruik van de redundante veiligheidsverbruikers (zie afdeling 5.5.1. ).

      Wat betreft de redundante veiligheidsverbruikers gevoed door meerdere aparte stroombanen, mag een fout die zich in een stroombaan voordoet niet nadelig de bescherming tegen elektrische schokken en de goede werking van de andere stroombanen beïnvloeden.

    3. b.3

      Andere beschermingsmaatregelen

      De maatregelen van de punten b.1. en b.2. moeten bij voorkeur gekozen worden. In afwijking van de punten b.1. en b.2. , is het toegelaten:

      1. 1.

        om sommige delen van de veiligheidsstroombanen niet tegen aardfouten te beschermen, op voorwaarde dat:

        • deze delen geplaatst zijn in een ruimte uitsluitend toegankelijk voor gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel, en

        • deze delen voorzien worden van een passende markering die wijst op het risico, bijvoorbeeld: “delen niet beschermd tegen aardfouten”, en

        • deze delen beschermd zijn, alsof het actieve delen zijn door middel van hindernissen, verwijdering of door middel van omhulsels in overeenstemming de onderafdelingen 4.2.2.1. en 4.2.2.4 .

        Maatregelen moeten genomen worden om gevaarlijke potentiaalverschillen buiten deze ruimte te vermijden.

      2. 2.

        De uitbater of zijn afgevaardigde kan op basis van de risicoanalyse van de veiligheidsinstallaties andere technische of organisatorische maatregelen (met of zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout) bepalen, die het functiebehoud van de veiligheidsverbruikers bij de eerste aardfout kunnen garanderen.

5.5.8Bijzondere voorschriften

  1. a.

    Markeringen

    Markeringen laten toe om de bestemming van veiligheidsinstallaties te herkennen. De volgende onderdelen moeten geïdentificeerd worden:

    • de niet-geïntegreerde veiligheidsbronnen;

    • de veiligheidsborden;

    • de bedienings- en beveiligingstoestellen van de veiligheidsstroombanen;

    • de uitsluitend voor de veiligheidsborden of de veiligheidsverbruikers voorbehouden beveiligingstoestellen in het laagspanningshoofdschakel en -verdeelbord;

    • de bedienings- en beveiligingstoestellen van de veiligheidsverbruikers met geïntegreerde veiligheidsbron;

    • de draagstellen van de elektrische leidingen van de veiligheidsstroombanen;

    • de veiligheidsverbruikers.

    Worden voorzien van een passende markering die wijst op de risico’s van een buitendienststelling, bijvoorbeeld: «VEILIGHEIDSINSTALLATIE NIET UITSCHAKELEN.»:

    • de bedienings- en beveiligingstoestellen van de veiligheidsstroombanen;

    • de uitsluitend voor de veiligheidsborden of de veiligheidsverbruikers voorbehouden beveiligingstoestellen in het laagspanningshoofdschakel- en verdeelbord;

    • de bedienings- en beveiligingstoestellen van de veiligheidsverbruikers met geïntegreerde veiligheidsbron.

    De draagstellen die in combinatie met de elektrische leidingen het kenmerk FR2 of een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 bezitten, worden voorzien van een passende markering die vermeldt dat er alleen de elektrische leidingen met het kenmerk FR2 of FR1 gebruikt mogen worden en die hun toegelaten gewicht per lopende meter weergeeft.

  2. b.

    Andere voorschriften

    De materialen van de veiligheidsinstallaties moeten zo geïnstalleerd zijn dat een gemakkelijke bediening, toezicht en onderhoud evenals de bereikbaarheid van de verbindingen verzekerd is.

    De elektrische leidingen van de veiligheidsstroombanen mogen alleen de geleiders van de veiligheidsstroombanen bevatten.

5.6Kritische installaties

5.6.1Algemeenheden

Dit hoofdstuk behandelt de specifieke voorschriften inzake de keuze en het gebruik van de kritische installaties.

De uitbater of zijn afgevaardigde bepaalt de kritische installaties op basis van een risicoanalyse. Hij stelt de lijst met de kritische installaties op. D e maatregelen genomen in het kader van de risicoanalyse van de kritische installaties zijn in de lijst met de kritische installaties vermeld. De lijst en de risicoanalyse van de kritische installaties worden ter beschikking gehouden van het erkend organisme en de met het toezicht belaste ambtenaar. Deze worden weergegeven op een of meerdere plannen van de kritische installaties. Deze plannen dienen te worden geparafeerd door de exploitant of zijn afgevaardigde vóór het ontwerp en de uitvoering van de installatie. De vertegenwoordiger van het erkend organisme bedoeld in hoofdstuk 6.3 . parafeert de plannen voor ontvangst bij de controle. De overeenstemming tussen de plannen en de installatie moet door de vertegenwoordiger van het erkend organisme worden nagekeken.

Kunnen worden beschouwd als kritische installaties: productielijn, serverlokaal, controlezaal, gebouw voor industriële veehouderij, …

Om het functiebehoud van een kritische installatie te garanderen, kan de uitbater of zijn afgevaardigde, op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties, andere maatregelen dan deze van dit hoofdstuk nemen en waarvoor hij ze voldoende acht. Bijvoorbeeld: de melding van het eventuele stoppen van de installatie, organisatorische maatregelen, het gebruik van beschermingsinrichtingen met automatische wederinschakeling ( onderafdeling 5.3.3.5. ), …

Er moet vooral rekening gehouden worden met het functiebehoud bij een elektrische fout. De uitbater of zijn afgevaardigde bepaalt, op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties, de noodzaak aan maatregelen bij het uitvallen van de normale bron en/of bij een brand.

Het is ook noodzakelijk om rekening te houden met de uitwendige invloeden, die het functiebehoud van de kritische installatie kunnen verstoren. Ze worden door de uitbater of zijn afgevaardigde bepaald bij de keuze en het gebruik van het elektrisch materieel.

Men verstaat in hoofdstuk 5.6. onder:

  • redundante kritische verbruikers: het gebruik van meerdere kritische verbruikers om dezelfde functie te garanderen en waarbij het uitvallen van een of meerdere van de redundante kritische verbruikers het vooropgestelde doel niet hindert. Het niveau van de redundantie wordt door de risicoanalyse van de kritische installaties bepaald;

  • redundante elektrische leidingen: het gebruik van meerdere elektrische leidingen om via een lus van de schakel- en verdeelborden of de verbruikers van een kritische installatie te voeden en waarbij het uitvallen van een of meerdere van de redundante elektrische leidingen de voeding van de schakel- en verdeelborden of de verbruikers niet hindert. Het niveau van de redundantie wordt door de risicoanalyse van de kritische installaties bepaald.

5.6.2Te nemen beschermingsmaatregelen

5.6.2.1Algemeenheden

De kritische verbruikers mogen over een of meerdere schakel- en verdeelborden verdeeld worden (in dit Boek kritische borden genoemd).

Het is toegelaten om kritische stroombanen in veiligheidsborden te plaatsen, op voorwaarde dat de in hoofdstuk 5.5. opgenomen voorschriften van de veiligheidsborden worden gerespecteerd. Het betrokken bord moet als een veiligheidsbord beschouwd worden.

De kritische hoofdborden waaraan de kritische verbruikers of de kritische secundaire borden aangesloten worden, worden rechtstreeks gekoppeld:

  • aan de normale bron via het laagspanningshoofdbord door uitsluitend voor dit gebruik voorbehouden beveiligingstoestellen, en

  • aan de eventuele niet-geïntegreerde vervangingsbron via een toegekende stroombaan.

Het is toegelaten in afwijking van deze onderafdeling dat de kritische verbruikers rechtstreeks door de nietgeïntegreerde vervangingsbron en/of door het laagspanningshoofdbord gevoed worden, via t oegekende stroombanen.

Men verstaat onder laagspanningshoofdbord: het hoofdbord van een gebouw, een zone of een gedeeltelijke installatie (bv.: buiteninstallatie).

5.6.2.2Bij het uitvallen van de normale bron

De uitbater of zijn afgevaardigde bepaalt indien noodzakelijk, op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties, de maatregelen bij de keuze en het gebruik van een vervangingsbron om het functiebehoud van de kritische verbruikers te garanderen. Hij houdt eventueel rekening met sommige maatregelen van de veiligheidsinstallaties wat betreft de maatregelen te nemen voor de veiligheidsbronnen ( afdeling 5.5.5. ): type, kenmerken, plaats, toegankelijkheid, inschakeling, vermogen, test …

Indien een niet-geïntegreerde vervangingsbron gebruikt wordt, zijn de volgende voorschriften altijd van toepassing:

  1. 1°

    Voor energiebronnen (normaal/vervanging) die niet ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:

    • zijn voorzieningen aangebracht om deze parallelwerking te voorkomen;

    • zijn de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kortsluiting voor iedere energiebron gewaarborgd.

  2. 2°

    Voor energiebronnen (normaal/vervanging) die wel ontworpen zijn om in parallelbedrijf te werken:

    • kan het parallelbedrijf specifieke inrichtingen eisen, bijvoorbeeld een bescherming tegen terugvoeding;

    • de bescherming tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking en de beveiliging tegen kort- sluiting zijn ook bij parallelwerking gewaarborgd;

    • zijn voorzieningen getroffen om de vereffeningsstroom in de verbindingen tussen de nulpunten of middelpunten van de energiebronnen te beperken.

    De uitbater of zijn afgevaardigde bepaalt de tijd van functiebehoud van elke kritische verbruiker op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties. De lijst met de kritische installaties vermeldt de tijd van functiebehoud voor elke kritische verbruiker.

    De uitbater moet de correcte werking van de vergangingsbron garanderen door het uitvoeren van onderhoud en toezicht. Dat bevat bijvoorbeeld voor de niet-geïntegreerde vervangingsbron: de beschikbaarheid van de hulpinstallaties van de vervangingsbron, het niveau van de brandstof, het laadniveau van de batterijen, de omschakelingstest onder belasting ten minste een keer per jaar… De uitbater moet regelmatige omschakelingstesten uitvoeren. De uitbater moet in geval van storing zo spoedig mogelijk de noodzakelijke herstellingen uitvoeren om het functiebehoud van de kritische installaties te garanderen. De persoon die dit onderhoud en deze testen uitvoert documenteert de uitgevoerde tussenkomsten.

5.6.2.3Bij een brand

De uitbater of zijn afgevaardigde bepaalt indien noodzakelijk, op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties, de maatregelen te nemen bij een brand om het functiebehoud van de kritische verbruikers te garanderen.

Hij houdt eventueel rekening met sommige maatregelen van de veiligheidsinstallaties wat betreft de maatregelen te nemen bij een brand ( afdeling 5.5.6. ): brandweerstand van de bron, de schakel- en verdeelborden, de elektrische leidingen, …

5.6.2.4Bij een elektrische fout

  1. a.

    Algemeenheden

    De goede werking van een kritische stroombaan mag niet nadelig beïnvloed worden door een elektrische fout in een andere stroombaan. Dat vereist de selectiviteit tussen de beschermingsinrichtingen.

    De redundante kritische verbruikers en de redundante elektrische leidingen worden door een individuele beschermingsinrichting beschermd.

  2. b.

    Bescherming tegen overbelasting

    De bescherming tegen overbelasting moet voor alle kritische stroombanen voorzien worden.

    • In afwijking van de eerste alinea mag de bescherming tegen overbelasting achterwege worden gelaten: 1° als een kritische eindstroombaan een elektrische motor van een kritische installatie voedt die noch permanent noch tijdens lange perioden werkt, en, als het noodzakelijk is om veiligheidsredenen, dat deze motor zijn werking onder mechanische storingsomstandigheden kan garanderen, op voorwaarde dat:

      • hetzij het voorkomen van de overbelasting bewaakt wordt;

      • hetzij zijn elektrische leiding en zijn bedienings- en beschermingstoestellen aan de overbelastingsstromen veroorzaakt door deze storingen kunnen weerstaan. Tenzij anders vermeld door de motorfabrikant, mag men beschouwen dat deze laatste voorwaarde voldoet als de toegekende stroom van de bedienings- en beschermingstoestellen en de toelaatbare stroom van de elektrische leiding bepaald worden voor een bedrijfsstroom gelijk aan tweemaal de nominale stroom van de motor. Bijvoorbeeld: de motoren gebruikt voor de ventilatie van een gebouw voor industriële veehouderij.

        1. 2°

          voor de elektrische machines of toestellen waarvan het onvoorzien afschakelen van hun stroombaan gevaren of zware gevolgen met zich kan meebrengen ( onderafdeling 5.2.4.2. ). Bijvoorbeeld: opwekkingsstroombaan van motoren, geïnduceerde stroombaan van wisselstroommachines, secundaire stroombaan van stroomtransformatoren, …

  3. c.

    Bescherming tegen kortsluiting

    De bescherming tegen kortsluiting moet voor alle kritische stroombanen voorzien worden.

    In afwijking van de eerste alinea mag de bescherming tegen kortsluiting achterwege worden gelaten voor de elektrische machines of toestellen waarvan het onvoorzien afschakelen van hun stroombaan gevaren of zware gevolgen met zich kan meebrengen ( onderafdeling 5.2.4.2. ). Bij voorbeelden: opwekkingsstroombaan van motoren, geïnduceerde stroombaan van wisselstroommachines, secundaire stroombaan van stroomtransformatoren, …

  4. d.

    Bescherming tegen aardfouten in de kritische stroombanen

    1. d.1

      Algemeenheden

      De bescherming tegen aardfouten moet voor alle kritische stroombanen voorzien worden.

      Onverminderd de beschermingsmaatregelen tegen elektrische schokken bij onrechtstreekse aanraking, mag het functiebehoud van een kritische verbruiker niet door een eerste aardfout in de kritische eindstroombaan beïnvloed worden bij de werking op de niet-geïntegreerde vervangingsbron (indien van toepassing) en de normale bron. De maatregelen van punt d.2. zijn van toepassing.

      Voor de elektrische installaties in wooneenheden die aan de voorschriften van de bescherming van stroombanen in het algemeen moeten beantwoorden ( punt b. van onderafdeling 4.2.4.3. ), is de tweede alinea van punt d.1. niet van toepassing. Dat vereist het gebruik van kritische verbruikers met een geïntegreerde vervangingsbron of met een niet-geïntegreerde vervangingsbron.

      De overgang van een geaard netsysteem naar een ander geaard netsysteem kan sommige risico’s bevatten waaraan er een bijzondere aandacht dient te worden besteed.

    2. d.2

      Te nemen beschermingsmaatregelen

      1. d.2.1

        Beschermingsmaatregelen zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout

        De beschermingsmaatregelen zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout zijn:

        1. 1.

          het gebruik van elektrisch materieel van de klasse II of met een veiligheidsgraad gelijkwaardig met de toestellen van de klasse II ( onderafdeling 4.2.3.3. );

        2. 2.

          het gebruik van de veiligheidsscheiding van de stroombaan ( onderafdeling 4.2.3.3. );

        3. 3.

          de bescherming tot het onmogelijk maken van een gelijktijdige aanraking van delen die op potentialen kunnen gebracht worden waaraan het verschil gevaarlijk is ( onderafdeling 4.2.3.3. );

        4. 4.

          het gebruik van de ZLVS of ZLBS ( onderafdelingen 4.2.3.3.,4.2.5.3., 4.2.5.4. en 4.2.5.5. );

        5. 5.

          het gebruik van het IT-netsysteem op het geheel of een deel van de kritische installatie (te bepalen in het kader van de risicoanalyse van de kritische installaties). De betrokken stroombanen worden permanent bewaakt door een toestel overeenkomstig de voorschriften van punt d.2. van onderafdeling 4.2.3.4. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massaof aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen;

        6. 6.

          voor de kritische verbruikers die noch permanent noch tijdens lange periode werken, wordt de kritische eindstroombaan permanent bewaakt door een in punt a.2. van onderafdeling 4.2.3.4. bedoeld bewakingstoestel. Dit toestel activeert een waarschuwingssignaal, totdat de nodige maatregelen zijn genomen om een eerste massa- of aardfout op te sporen. Zodra dit toestel het bestaan van deze fout meldt, worden zonder uitstel de noodzakelijke maatregelen getroffen om de foutieve toestand te verhelpen.

          Voor het gebruik van het IT-netsysteem is het belangrijk om ten minste aan de volgende voorwaarden beantwoorden:

          • de voorwaarden van de veiligheidsscheiding van de stroombaan ( onderafdeling 4.2.3.3. ) inzake de uitgestrektheid van de stroombaan;

          • het is verboden om een driefasige IT-netsysteem met verdeelde N-geleider te gebruiken.

      2. d.2.2

        Beschermingsmaatregelen met automatische onderbreking bij de eerste aardfout

        Dat vereist het gebruik van de redundante kritische verbruikers (zie afdeling 5.6.1. ).

        Wat betreft de kritische verbruikers gevoed door meerdere aparte stroombanen, mag een fout die zich in een stroombaan voordoet niet nadelig de bescherming tegen elektrische schokken en de goede werking van de andere stroombanen beïnvloeden.

      3. d.2.3

        Andere beschermingsmaatregelen

        De maatregelen van de punten d.2.1. en d.2.2. moeten bij voorkeur gekozen worden. In afwijking van de punten d.2.1. en d2.2. , is het toegelaten:

        1. 1.

          om sommige delen van de kritische stroombanen niet tegen aardfouten te beschermen, op voorwaarde dat:

          • deze delen geplaatst zijn in een ruimte uitsluitend toegankelijk voor gewaarschuwd (BA4) of vakbekwaam (BA5) personeel, en

          • deze delen voorzien worden van een passende markering die wijst op het risico, bijvoorbeeld: “delen niet beschermd tegen aardfouten”, en

          • deze delen beschermd zijn, alsof het actieve delen zijn door middel van hindernissen, verwijdering of door middel van omhulsels in overeenstemming de onderafdelingen 4.2.2.1. en 4.2.2.4.

          Maatregelen moeten genomen worden om gevaarlijke potentiaalverschillen buiten deze ruimte te vermijden.

        2. 2.

          De uitbater of zijn afgevaardigde kan op basis van de risicoanalyse van de kritische installaties andere technische of organisatorische maatregelen (met of zonder automatische onderbreking bij de eerste aardfout) bepalen, die het functiebehoud van de kritische verbruikers bij de eerste aardfout kunnen garanderen.

5.6.2.5Bijzondere voorschriften

  1. a.

    Markeringen

    Markeringen laten toe om de bestemming van kritische installaties te herkennen. De volgende onderdelen moeten geïdentificeerd worden:

    • de niet-geïntegreerde vervangingsbronnen;

    • de kritische borden;

    • de bedienings- en beveiligingstoestellen van de kritische stroombanen;

    • de kritische verbruikers.

    De draagstellen die in combinatie met de elektrische leidingen het kenmerk FR2 of een kenmerk gelijkwaardig aan FR2 bezitten, worden voorzien van een passende markering die vermeldt dat er alleen de elektrische leidingen met het kenmerk FR2 of FR1 gebruikt mogen worden en die hun toegelaten gewicht per lopende meter weergeeft.

    Alle bedienings- en beveiligingstoestellen van de kritische stroombanen worden voorzien van een passende markering die wijst op de risico’s van een buitendienststelling, bijvoorbeeld : « KRITISCHE INSTALLATIE NIET UITSCHAKELEN. »

  2. b.

    Andere voorschriften

    De materialen van de kritische stroombanen, met inbegrip van de elektrische leidingen, moeten zo geïnstalleerd zijn dat een gemakkelijke bediening, toezicht en onderhoud evenals de bereikbaarheid van de verbindingen verzekerd is.

    De elektrische leidingen van de kritische stroombanen mogen alleen de geleiders van de kritische stroombanen bevatten.

Bewerkte weergave van de officiële bron; dit vervangt geen professionele controle of keuring.

Bronstatus
Extractiestatus: bewerkt uit de officiële bron
Inhoud-SHA-256:
1a0459571f87bf4e31931bd698e5e6605e4fe7f8c6cde86865c18b5a2b14336a
PDF-SHA-256:
d22895299e20a525673e1814b8694c4bfca2d6d33951c430ed97ff48873a47b5